Ik heb hier al eens verteld over de universele (mijn) neiging om, als in Frankrijk, meteen te willen metamorfoseren in een Française, wat, als je een Nederlander bent en in het bezit van meer lengte, een andere botstructuur en lichaamsvet, best lastig is. Meestal resulteert deze diepe wens van mij in Frankrijk alleen maar in de aankoop van een rieten mand, waarmee ik dan over een Franse markt ga flaneren.
In Berlijn bleek het allemaal veel haalbaarder om stilistisch gezien onderdeel te worden van de bevolking. Berlijners hebben dezelfde lichaamsbouw als Nederlanders, als je ze allemaal even over een kam scheert.
Ook denken ze in de ochtend niet uren na over hun outfit, of misschien wel, maar je ziet het er niet aan af. Ze drinken, jong en oud, op alle uren van de dag bier in de metro en roken binnen in horeca-etablissementen alsof ze in de jaren negentig zijn. Ze zijn, met een mooi Engels woord, scruffy. En dat wil ik ook best zijn, want ik ben een kameleon. Ik pas me altijd meteen aan.
Waar het in Parijs een levenslange taak van niet-eten is om eruit te zien als een Parisienne, is het in Berlijn vooral een kwestie van weinig de was doen, tweedehandskleren dragen en eventueel een tatoeage midden in je gezicht zetten.
Tijdens mijn korte verblijf belandde ik in een café waarvan ik de naam niet wil prijsgeven, want ik wil het voor mezelf en andere Berlijners houden, maar laten we zeggen dat het een naam was die bestond uit twee typisch Duitse namen, zoals Karl und Hanja of Ursula und Moritz.
In dat café was alles Berlijns: de wijn was lekker, de plafonds hoog, de muziek afwisselend afwezig en techno, de opschriften op de wc-deur pro-Palestina en pro-vulva.
Maar het mooist was de serveerster die, volgens mij, half was vergeten zich aan te kleden. Ze droeg een sweater, ongetwijfeld vierdehands, waarvan ze één mouw aan had, en de andere niet. Ze had de trui half aan.
Ik vermoedde dat het door het toen nog milde novemberweer kwam dat ze, tijdens haar drukke dienst, het warm had gekregen, haar trui half uitgetrokken had en toen alweer moest doorrennen met grote glazen Duitse witte wijn. Maar twee uur later had ze de trui nog steeds half aan, de loze mouw kunstig om haar nek gedrapeerd. Dit was dus hoe zij haar trui droeg.
Nu wil ik mijn trui uiteraard ook zo dragen, maar ik snap – dat soort dingen leer je eindelijk eens een keer als je 49 bent – dat alleen de serveerster van Karl und Hanja daarmee wegkomt.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant