Na de invoering van de nieuwe huurwet hebben investeerders hun bezit aan huurwoningen flink teruggeschroefd. Niet eerder was het verschil tussen het aantal verkochte en aangekochte woningen zo groot als afgelopen kwartaal, blijkt uit cijfers van het Kadaster.
is datajournalist van de Volkskrant. Hij analyseert en schrijft over het nieuws in cijfers.
De Wet betaalbare huur, die op 1 juli van kracht werd, legt beperkingen op aan de huur die eigenaren van woningen in het middensegment mogen vragen. Daardoor is het voor hen minder aantrekkelijk geworden om in extra woningen te investeren.
In het derde kwartaal van dit jaar deden investeerders volgens het Kadaster 12.200 woningen van de hand, terwijl zij er maar 4.625 aankochten. Die trend werd al eerder ingezet, maar het verschil was toen minder groot.
De enige groep beleggers die nog wel haar greep op de woningmarkt uitbreidt, bestaat uit kleine bedrijfsmatige investeerders. Het gaat om bedrijven met maximaal negen woningen in het bezit. Hun aankopen wegen in aantallen bij lange na niet op tegen de verkopen van grotere bedrijven en particuliere investeerders.
In totaal bezaten investeerders vorig kwartaal nog ruim 767 duizend woningen in Nederland, oftewel 9,3 procent van alle woningen.
Dat investeerders hun geld uit de woningmarkt terugtrekken, is een ontwikkeling die ruim drie jaar geleden inzette. Tot en met 2020 kochten beleggers op grote schaal woningen op. Met hoge huren en stijgende huizenprijzen verdienden zij hun investering gemakkelijk terug. Toen de overheid in 2021 de overdrachtsbelastingen voor investeerders verhoogde, sloeg het sentiment om.
Vooral goedkopere woningen worden door investeerders terug op de markt gebracht, blijkt uit de cijfers van het Kadaster. Voor deze woningen konden verhuurders tot voor kort relatief hoge huren vragen, maar de invoering van de huurwet heeft daar een einde aan gemaakt. Critici van de wet wijzen erop dat er nu minder betaalbare huurwoningen beschikbaar zijn.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant