Klassiek Dirigent Daniele Gatti werd in 2018 na MeToo-beschuldigingen op staande voet ontslagen als chef bij het Concertgebouworkest. Dinsdag dirigeerde hij, met zijn Staatskapelle Dresden, voor het eerst weer in Amsterdam.
Sächsische Staatskapelle Dresden met violist Frank Peter Zimmermann o.l.v. Daniele Gatti. Gehoord: 19/11, Concertgebouw Amsterdam.
Daniele Gatti. Hij was er echt weer. De dirigent die tussen 2016 en 2018 chef was van het Concertgebouworkest, voor hij wegens vermeend MeToo-gedrag op staande voet werd ontslagen, is weer geaccepteerd. Sinds het Concertgebouworkest met hem schikte (zonder zich overigens publiekelijk te hebben uitgesproken), werkte de 63-jarige Italiaan zich gestaag weer omhoog. Eerst werd hij chef van het Teatro dell’Opera in Rome en in augustus kon hij aan de slag bij het gerenommeerde oudste symfonieorkest van Europa: de Staatskapelle Dresden. Hij was afgelopen week voor het eerst op Europese tournee met zijn nieuwe orkest. Laatste stop: voor het eerst weer terug in Amsterdam.
Maar weinig publiek voelde zich aangetrokken tot het programma: twee keer een groot werk van Robert Schumann, voorzichtig gekruid met een mespuntje Saariaho, wist met moeite tweederde van de grote zaal van het Concertgebouw te vullen. Of bleef men toch thuis vanwege die naam, Gatti?
De Staatskapelle nam een bijzondere klank mee: mooi dof, diep laag. Zo diep, dat zelfs de stoelen van het achterste balkon zachtjes maar zeker meevibreerden. Maar toch speelde het ook bescheiden: vol volume, inclusief met verwoede gezichten energiek spelende musici, was het geluid verrassend vriendelijk zacht. Zelfs de instrumenten die echt wel harder kunnen (trompetten, trombones), speelden alsof het gezamenlijk vermogen gemaximeerd is. Het was net alsof er een barokorkest zat met moderne instrumenten.
Tel daarbij op een heel hoffelijke speelstijl, netjes en duidelijk in de puls. Zelfs het zwierige ‘Scherzo’ in de Derde symfonie van Schumann kreeg de egards van een officieel banket. Het was allemaal erg pom-pom-pom-pompeus. Leuk om dat zo eens te horen. Zeker omdat sommige instrumentgroepen binnen die kaders konden floreren: de houtblazers bijvoorbeeld, maar met name de hoorns met hun strakke, koninklijke klank. Zachte passages speelde het orkest met een actieve kalmte. Crescendo’s klonken, ook al gaan ze maar tot dat schijnbaar afgesproken maximum, wel degelijk als een sterk opstartend motortje. Dat laatste werkte goed in het vierde deel, maar ook al in het ‘hedendaagse’ voorafje, Kaija Saariaho’s Ciel d’hiver (2013), dat hier klonk als mooie, langzaam uit de verte opdoemende vergezichten. Op af en toe een ferme, grote armbeweging na, dirigeerde Gatti klein en vloeiend: zijn aanwijzingen zijn eerder geheugensteuntjes dan opdrachten.
Voor het Vioolconcert van Schumann nam het orkest violist Frank Peter Zimmermann mee. Maar hij kon niet verhullen dat dit het laatste concert van de tournee was: zijn noten leken regelmatig van een (op zich gesmeerde) lopende band te komen. In het langzame tweede deel leek hij een verhaal te vertellen dat hij niet zelf heeft meegemaakt. In duootjes met de klarinet of de hobo waren díé veel overtuigender vertellers. Een soort ‘coolheid’ bracht Zimmermann in door af en toe lui te spelen, in tonen te gaan hangen of ronduit laag te intoneren; niet zo fijn.
Waaróm de zaal ook voor zo’n groot deel leeg bleef, het publiek dat er wél was, eerde de gerehabiliteerde dirigent: vooraf nog met een beleefd verwelkomend applaus, maar tussendoor en achteraf warm en lang. Ook het orkest zelf leek enthousiast; het stokzwaaien (dat is ‘applaus’ in strijkerstaal) was even grinnik-opwekkend als licht angstaanjagend wild. Gatti liet het zich bescheiden maar zeker welgevallen.
Source: NRC