Zoals een stadsreiger precies weet bij welke viskraam hij moet zijn voor de lekkerste koppen en graten, zo weet ik van de meeste straatbibliotheekjes wel of er wat te halen valt. Vooral in welvarende, rustige buurten kun je vaak een mooie slag slaan, want daar wonen veel leeslustige oude mensen. Zodra die het loodje leggen belandt de inhoud van hun boekenkast op straat. De een zijn dood is de ander zijn complete oeuvre van Lou de Jong.
Daar stond ik, in de Rivierenbuurt, verlekkerd in zo’n kastje te graaien. Kijk, een hele plank Vestdijkjes, waarvan ik er zeker drie nog niet had. Waarom had ik nou geen tas of niks meegenomen? Naast het kastje, aan de stoeprand, stond een wat grof vuil klaar om opgehaald te worden, het was dinsdagochtend. Misschien zat daar een leeg doosje of zo tussen?
Over de auteur
Sylvia Witteman schrijft voor de Volkskrant columns over het dagelijks leven.
Ik trok een oud, zeiknat matras opzij, en daar openbaarde zich, als een Mariaverschijning tussen de herfstbladeren, een glanzend, mahoniehouten bureautje. Art déco. In onberispelijke staat. Het rook naar boenwas. Hijgend van hebzucht trok ik een paar laatjes open. Kijk die snoezige koperen knopjes nou! Wie doet er zoiets weg? En, belangrijker: hoe kreeg ik die schat mee naar huis?
Huisgenoot P bellen, of een van mijn kinderen, of ze het met de auto wilden komen halen? Maar ik hoorde hun schampere lachjes al. ‘Sta je weer in het vuilnis te graaien? We hebben al zo veel ouwe troep! Trouwens, ik zit in een vergadering/voor een deadline/te wachten op een bezorgpizza. Zoek het zelf maar uit.’
In mijn hoofd scrolde ik langs vrienden en kennissen. Was er nou niet één bij met tijd, en een auto? (antwoord: nee. Men heeft óf tijd, óf een auto.) Terwijl ik piekerend heen en weer drentelde stopte er een vuilwit bestelbusje (een ‘pedobusje’, in de volksmond). Er stapten twee kwieke mannen uit van een jaar of 30, de een in spijkerbroek en trui, de andere in een overall. Hun conversatie ging over ene Kelly, voor wie de overall-drager amoureuze belangstelling had: ‘Een schat van een meid, toch? En alles erop en eraan.’
‘Ja, een lieve meid, maar ze heeft d’r doos niet met pissen versleten’, sprak de ander hoofdschuddend. En, meteen erachteraan, wijzend: ‘Hier. Handel.’ Toen ging alles heel snel: ze grepen samen het bureautje, míjn bureautje bij zijn snoezige lurfjes, tilden hem het pedobusje in en verdwenen de hoek om.
Met lede ogen keek ik ze na. Verslagen door twee mannen met tijd én een auto!
Ik heb de Vestdijkjes ook maar laten liggen. We hebben al zo véél ouwe troep.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant