De volksraadpleging is de doeltreffendste manier om de kloof tussen de kiezers en hun bestuurders een beetje te verkleinen.
Hans Wiegel had een lange politieke carrière waar hij met trots en plezier op kan terugkijken, maar als het gaat om de broodnodige bestuurlijke vernieuwing heeft hij het land een kwarteeuw oponthoud bezorgd. Afgelopen mei was het 25 jaar geleden dat Wiegels tegenstem in de Eerste Kamer de nekslag betekende voor het correctief bindend referendum dat het tweede kabinet-Kok had willen invoeren. Sindsdien waren er nog wel wat halfslachtige pogingen om de kiezer meer directe invloed te geven, maar pas nu is het moment dan toch aangebroken dat in de Tweede Kamer weer de benodigde tweederdemeerderheid gloort om het eindelijk goed te regelen. Ook in de Eerste Kamer lijkt een doorbraak nabij.
In het Volkskrant Commentaar wordt het standpunt van de krant verwoord. Het komt tot stand na een discussie tussen de commentatoren en de hoofdredactie.
Dat is een logisch gevolg van de politieke ontwikkelingen van de afgelopen 25 jaar. Drie jaar na de Nacht van Wiegel maakte Pim Fortuyn furore met zijn aanval op het vermolmde politieke bestel: de diplomademocratie, de ondermaatse vertegenwoordiging van grote groepen kiezers, het gebrek aan dualisme, de politieke managementcultuur, de enorme en nauwelijks te controleren informele macht van het maatschappelijk middenveld en de angst voor iets meer directe democratie. Vrijwel elke nieuwe politieke partij die zich sindsdien aan het politieke front meldde – waarvan er drie nu meeregeren – is voor directe raadpleging van het volk bij beslissingen over grote, heikele kwesties. Zo is langzaam maar zeker die tweederdemeerderheid dan toch ontstaan.
Tegenstanders betogen steevast dat we in Nederland nou eenmaal een vertegenwoordigende democratie hebben: we kiezen onze Kamerleden en die geven we daarmee het mandaat om te beslissen. Maar die analyse gaat voorbij aan het feit dat door coalitiepolitiek en allerlei binnenskamers gesloten deals regelmatig beleid wordt gemaakt waarvoor in feite helemaal geen parlementaire meerderheid zou bestaan als alle Kamerleden zich vrij konden uitspreken. En al helemaal geen meerderheid onder de kiezers. Daarbij komt nog de voortdurend veranderende actualiteit waardoor kabinetten beleid moeten uitvoeren waarover kiezers zich nog helemaal niet uitgesproken hebben.
Ziedaar de kloof die voortdurend dreigt tussen de stemming op het Binnenhof en die in het land. Het referendum is de snelste en doeltreffendste manier om daar wat aan te doen: geef kiezers een handrem om in te grijpen als het beleid een afslag neemt die het land niet kan volgen. Het risico van ondoordachte besluiten (zoals de Brexit) is er niet bij de referendumvariant waarover het nu gaat: correctief en bindend, aan het einde van het wetgevingsproces. Het parlement beslist en behoudt het initiatief, de kiezer kan slechts corrigeren. Het ergste dat kan gebeuren is dat er iets mínder wetten worden gemaakt.
SP-Kamerlid Michiel van Nispen verdedigt woensdag zijn initiatief-grondwetswijziging. Voor de verkiezingen van vorig jaar ontstond daarvoor al een gewone meerderheid, nu moet die door twee derde deel van het parlement worden bekrachtigd. Maar wel vóórdat er weer nieuwe verkiezingen zijn geweest. Gezien de sfeer in en rond het kabinet-Schoof mag Van Nispen dus wel opschieten.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant