‘Je bent precies op tijd’, zegt meneer Knoops (89), wanneer ik mijn hoofd om de deur van zijn kamer steek. ‘Mijn complimenten.’
Meent hij dat? Ik loop naar zijn bed en knip een lampje aan om zijn gezicht te kunnen zien. Meestal zijn bewoners sarcastisch als ze zoiets zeggen. Ik ben altijd te vroeg of te laat. Meestal te laat, en dat komt doordat hier nog tien andere mensen wonen waar ik ook naartoe moet. Maar ik kijk naar zijn kleine koppetje op het hoofdkussen en zie dat hij het meent.
‘Ik lag net te denken dat ik wel uit bed zou willen, en warempel: jij stapt de kamer binnen.’ Hij tast met zijn hand over het blad van zijn nachtkastje en vindt zijn bril. Hij zet hem op en kijkt de kamer rond. ‘Wat een prachtige kamer heb ik, hè?’
Over de auteur
Thomas van der Meer schrijft voor de Volkskrant columns over zijn werk in een verpleeghuis. De namen in deze column zijn gefingeerd en sommige details zijn aangepast. Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
Meneer Knoops is onze nieuwste aanwinst. Hij woont hier nu drie dagen en dit is de eerste keer dat ik hem uit bed help. Tijdens het wassen en aankleden vraag ik wat hij tot nu toe van zijn nieuwe onderkomen vindt.
‘Elke middag is er soep’, zegt hij opgewekt. ‘En na de avondmaaltijd krijgen we een toetje. Elke dag. Ja, ik ben tevreden, hoor. Je moet weten: ik ben van eenvoudige komaf. Ik had nooit gedacht dat ik nog eens in een groot huis met personeel zou komen te wonen.’
Wanneer we klaar zijn en ik hem naar het ontbijt breng, kan ik mijn enthousiasme niet langer voor me houden. ‘U bent echt geweldig’, jubel ik, terwijl ik hem in de rolstoel voortduw. ‘Hoe bent u hier terechtgekomen? Waar hebben ze u vandaan getoverd?’
‘Uit het revalidatiecentrum’, zegt hij.
Aan de ontbijttafel belandt meneer Knoops tegenover mevrouw Boeijen (90). Mevrouw Boeijen is een draak. Ze werpt een minzame blik op meneer Knoops en roept naar mijn collega, die het ontbijt serveert: ‘Wie is die man? Kan hij niet ergens anders zitten?’
Gelukkig heeft meneer Knoops niets in de gaten. Hij kijkt verheugd naar alles wat mijn collega rond zijn bord uitstalt. Licht brood, donker brood, verschillende soorten jam en kaas. ‘Koffie of thee, meneer?’
Meneer Knoops doet me denken aan meneer Prinssen (86), die hier een paar jaar geleden kwam wonen. Of eigenlijk: kwam sterven. Op een brancard werd hij het pand binnengereden.
Meneer Prinssen was een zorgmijder. Als de thuiszorg bij hem aanbelde, ging er een klein luikje open waar hij zijn hoofd doorheen stak om hen de huid vol te schelden. Hij wilde geen hulp. Op een dag had een buurvrouw hem toevallig op de vloer zien liggen toen ze langs zijn huis liep en naar binnen keek. Gebroken heup en ernstig ondervoed.
Ik stak meneer Prinssen een lepel pap in de mond. ‘Zalig’, zei hij, en ik lepelde de hele kom bij hem naar binnen. Hij tikte met zijn nagel op de kom. ‘Meer.’ Het was Kerst, dus zijn menu kreeg al gauw een upgrade. Ik voerde hem stoofperen, aardappelgratin, entrecote. ‘Za-lig.’
In het ziekenhuis hadden ze gezegd dat meneer Prinssen nog hoogstens een paar weken te leven had, en dat bleek te kloppen. Meneer Knoops waarschuwt dat we van hem waarschijnlijk ook niet lang plezier zullen hebben. ‘Mijn lichaam is op’, zegt hij.
Bij de lunch zit meneer Knoops naast meneer Van Walraven (76). Ook een draak. ‘Wie is dat?’, vraagt meneer Van Walraven. ‘Hij zit hier nooit. Waarom zit hij hier? Moet hij hier zitten?’
Gelukkig lijkt de consternatie opnieuw aan meneer Knoops voorbij te gaan. Hij roert ijverig in zijn soep, sluit de ogen bij de eerste hap en kijkt dan glunderend op. ‘Mijn complimenten’, zegt hij.
Na de lunch help ik hem in bed voor zijn middagdutje. Ik takel hem met de tillift uit zijn rolstoel en laat hem in bed zakken.
‘Ligt u goed? Gaat het lukken, zo?’
Meneer Knoops knikt. ‘Als ik niet meteen kan slapen, tel ik die prachtige panelen’, zegt hij, en hij kijkt met zijn glinsterende oogjes omhoog naar het systeemplafond. ‘Het zijn er wel meer dan vijftig.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant