Maak niet dezelfde fouten bij grootschalige woningbouw als vijftig jaar geleden, waarschuwen voormalige groeikernen als Zoetermeer. Wat ging er toen mis?
is sportverslaggever van de Volkskrant en historicus.
Daar klinkt de bekende stem van Philip Bloemendal in een aflevering van het Polygoonjournaal uit 1973. ‘Markant punt in de dorpskern is de Hervormde Kerk, maar die valt steeds minder op door het snel veranderende silhouet van Zoetermeer dat in recordtempo bezig is zich te ontwikkelen tot een stad waarin 1981 honderdduizend mensen zullen wonen.’ De camera zoomt uit en achter de 18de-eeuwse kerk doemen de hoge galerijflats van Palenstein op.
Vorige week bleek uit onderzoek dat nieuwe steden als Zoetermeer met veel problemen kampen. De voormalige groeikernen die het onderzoek lieten uitvoeren, presenteerden het als een waarschuwing aan woonminister Mona Keijzer: maak niet dezelfde fouten als vijftig jaar geleden. ‘Delen van deze steden raken verouderd en met de ouderdom komen gebreken. Hele wijken zijn aan herstructurering en vervanging toe.’ In Palenstein is inmiddels een aantal galerijflats al gesloopt. Is het aan de tekentafel misgegaan?
De nood was hoog in naoorlogs Nederland. Tijdens de Tweede Wereldoorlog waren huizen verwoest en in verval geraakt. Tel daarbij de geboortegolf direct na 1945 op en de uitkomst was duidelijk: er moest worden gebouwd. Dat zou wel lukken, dacht Joris in ’t Veld, minister van Wederopbouw en Volkshuisvesting in 1949. In 1965 moest het probleem opgelost zijn.
In de rubriek Toen duiken historici en specialisten van de Volkskrant in het verleden om de actualiteit beter te kunnen begrijpen.
En als een razende werd er gebouwd, soms tot wel 150 duizend woningen per jaar. In 1962 werd de miljoenste naoorlogse woning opgeleverd, in 1971 de tweemiljoenste. En toch bleef de woningnood volgens politici ‘volksvijand nummer één’. In die termen wordt er nu niet over gesproken, maar dat woningtekort is nooit werkelijk opgelost. Sterker nog: de komende jaren moeten er in de Randstad één miljoen nieuwe woningen verrijzen.
Veel huizen in de oude steden waren oud, koud, vochtig en slecht onderhouden. Het was geen wonder dat veel mensen met plezier verhuisden naar Zoetermeer, de satellietstad van Den Haag. Een plek die in Het Vrije Volk in 1965 een ‘stad van stenen uitroeptekens’ werd genoemd. Daar stond geen schimmel op de muren, was het netjes en kon je soms zelfs rekenen op dubbelglas of een afzuigkap. Al was er altijd wel iets aan te merken. ‘Ik vind het nog weinig wat er is om te winkelen’, meent een inwoonster in het Polygoonjournaal.
Tegelijkertijd waren er direct al twijfels over de woningbouw die volgens het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening ‘goed en goedkoop’ moest zijn. In 1966 uitten Handelsblad-journalisten William Rothuizen, Sietz Leeflang en tekenaars Rudolf en Robbert Das in tekst en tekeningen kritiek op de plannen voor de groeikernen, die wat hen betreft te weinig ambitieus waren. Zij pleitten voor architectonische hoogstandjes: ‘stadwoontorens’ die echt naar de hemel zouden moeten reiken. Veel hoger dan de flats in Zoetermeer, waarvan ze voorspelden dat het een ‘ruimtevretende slaapstad’ zou worden waar de ‘vereenzaamde huisvrouw’ het zwaar zou krijgen.
De ‘vrouwenadviescommissies’, die vanaf de Tweede Wereldoorlog in meerdere steden werden opgezet, mochten meedenken over de nieuwbouw. Maar dat ging vooral over de praktische indeling van de woningen, niet over de planologische aspecten.
Socioloog Rob Wenholt hekelde in 1976 in Trouw het dichtgetimmerde plan dat onder de groeikern lag en dat volgens hem tot te veel eenvormigheid zou leiden. Hij was gevraagd mee te denken over de opzet van Zoetermeer, maar vond dat er te weinig ruimte voor creativiteit was en sloeg de uitnodiging af. ‘Mensen moeten zich ook terug kunnen vinden in de omgeving, die het oog ziet en die de geest voelt. Voor het eerst in de geschiedenis dreigen we door de technische ontwikkeling in deze dingen te kort te schieten.’
De plannen achter groeikernen als Zoetermeer werden uiteindelijk deels ingehaald door de tijd. De opvattingen over planologie en architectuur veranderden, de bevolkingssamenstelling eveneens. Er kwam een herwaardering voor de oude steden en over de sociale cohesie in de nieuwe plaatsen was in de ontwerpfase onvoldoende nagedacht.
Volgens architect en stedenbouwkundige Jan Sterenberg, in de jaren zeventig actief in Zoetermeer, was er door de sterke wil om de woningnood te lenigen vooral oog voor ‘sanitaire en hygiënische’ aspecten. Te weinig aandacht ging er naar technische en sociale kwaliteit. ‘We vergaten dat gebrek aan kwaliteit ons onherroepelijk opzadelt met een te zware last in de toekomst om het onderdak op peil te houden’, schreef hij in 1991. ‘Laten we dit niet vergroten door in de toekomst minder aandacht en minder geld aan wonen te besteden.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant