Walentina Atanowa is 100 jaar. Hoe kijkt deze in de voormalige Sovjet-Unie geboren vrouw, die na de Tweede Wereldoorlog in Enschede verzeild raakte, terug op de eeuw die achter haar ligt?
Walentina Atanowa is een goedgeluimde vrouw met een levensverhaal als uit een roman. Als kind zag de in Rusland geboren 100-jarige hoe haar opa al zijn bezittingen verloor onder het communistische regime van Jozef Stalin, dus ook het huis waar ze met haar ouders en opa woonde. De familie verviel van de ene op de andere dag in armoede.
Maar de grote beproeving moest voor de jonge Walentina nog komen: in het jaar dat de nazi’s Rusland binnenvielen, werd ze als 16-jarige naar Duitsland vervoerd om daar dwangarbeid te verrichten. Haar ouders zou ze nooit meer terugzien. Na de oorlog begon ze een nieuw leven in vrijheid in Enschede, waar ze altijd is blijven wonen. Nadat Walentina Atanowa haar levensverhaal heeft verteld, komt de wodka op tafel. Ze drinkt dagelijks één glaasje.
Hoe kijkt u als geboren Russin naar de oorlog tussen Rusland en Oekraïne?
‘Wat er in Oekraïne gebeurt is verschrikkelijk, maar ik heb geen mening over wie de schuldige is. Met politiek heb ik me nooit bemoeid. Het zou beter zijn als de twee leiders, Poetin en Zelensky, met elkaar gingen vechten in plaats van hun burgers naar het slagveld te sturen. Ik word niet goed van de beelden die ik daarvan zie.’
In welke omstandigheden bent u opgegroeid?
‘Ik kom uit een gezin met vier kinderen en lieve ouders – ik ben niets tekortgekomen. Een broertje en zusje stierven jong. Ik had een zacht karakter. Doordat ik veel heb meegemaakt, en in de oorlog moest vechten voor mijn leven, ben ik vanzelf een beetje harder geworden.
‘We woonden in het dorp Gorodisjtsje in Rusland, in het huis van mijn opa. Het was een knots van een huis, met een grote tuin vol fruitbomen. Het was altijd gezellig. Ik herinner mij nog de grammofoon met zo’n hoorn, waarop we plaatjes draaiden als er visite was. Mijn opa was nooit naar school geweest en had zichzelf opgewerkt als handelaar, hij had een winkel waar je alles kon kopen en zorgde goed voor zijn familie.’
Wat heeft u als kind gemerkt van de dictatuur onder Stalin?
‘Ik was 8 jaar toen het misging. Onder het communisme werd bezit afgeschaft. Toen mijn opa hoorde wat hem te wachten stond, vluchtte hij naar Midden-Azië, omdat hij kon worden opgepakt. Zijn grond, huis en winkeltje werden kort daarna onteigend en afgebroken, ook zijn twee koeien en zijn paard werden in beslag genomen. Ons gezin was dus ook ineens dakloos, we moesten ons maar zien te redden. We gingen wonen waar mijn vader werk kon vinden, zoals in de mijnen in de Donbas. Elke keer begonnen we met niks. Het langst hebben we gewoond in Taganrog, aan de Zee van Azov (ten noord-oosten van de Krim, red.), met zijn vieren in één kamer. Daar ging ik naar de middelbare school.’
Waardoor werd de zachte Walentina harder?
‘Vanaf mijn 16de leerde ik voor mezelf op te komen. Na de inval van Duitsland in juni 1941, moesten duizenden mannen voor de Duitsers werken, een deel deed dat vrijwillig. Ook alle 16- en 17-jarigen in Taganrog werden verplicht zich te melden voor dwangarbeid. Er werd gezegd dat het voor een paar maanden was – om ons te lokken – dus ik nam weinig spullen mee: wat kleding, papieren, een dun dekentje en een foto van mijn ouders en zusje. Het afscheid was verschrikkelijk. Mijn ouders zou ik nooit meer terugzien, want mijn vader stierf tijdens de oorlog , mijn moeder kort erna.
‘Met heel veel mensen moest ik lopend naar Marioepol, zo’n 130 kilometer verderop. Gelukkig was ik samen met mijn vriendin, die ook Walentina heette. Na 50 kilometer probeerden we een lift te krijgen van een van de vele militaire vrachtwagens die voorbijreden. Voor we er erg in hadden, stopte een stel aardige jongens, we mochten in de achterbak mee naar Marioepol. Na een paar dagen kwam de rest van de stoet aan, intussen overnachtten we bij iemand die we in een eetgelegenheid hadden ontmoet.
‘In veewagons werden we vervolgens naar Duitsland vervoerd. Die reis duurde twee weken. Onderweg, tijdens bombardementen, stond de trein een paar keer stil. In een opvangkamp moest iedereen ontluisd worden en douchen. Met een schaar werd je haar afgeknipt – denk niet dat het mooi in model werd gebracht. Ik had lang blond haar en smeekte het te mogen houden. ‘Ik heb geen luis’, zei ik. Ik kreeg mijn zin, waarschijnlijk door mijn Arische look. Mijn smoeltje heeft mij vaker gered.’
In welke situaties heeft uw uiterlijk u nog meer geholpen?
‘In de munitiefabriek in Bielefeld waar ik werd tewerkgesteld, kreeg ik geen zwaar werk. Ik moest een gaatje boren in de hulzen van munitie, twaalf uur per dag. De helft van de tijd deed ik niks. Ostarbeiter zoals ik, kregen slechter te eten dan andere dwangarbeiders en mochten niet weg van de barakken of de fabriek. Als ik door de fabriek liep, zag ik de mannen naar mij kijken. Zoals Heinz, een Duitse jongen die achter een machine werkte. Hij nam altijd een bakje eten mee van huis en zijn moeder deed er iets extra’s in voor mij. We werden verliefd en Heinz nodigde mij bij hem thuis uit, ik ging stiekem met hem mee.
‘Nadat Duitsland werd verslagen en de Amerikanen kwamen, heb ik een tijd ondergedoken gezeten bij Heinz en zijn familie. Alle dwangarbeiders waren ondergebracht in een opvangkamp van de Amerikanen, maar ik sliep daar dus niet. Nadat iemand mij had verraden, ben ik naar Heinz’ zus gevlucht. Overdag was ik wel in het kamp, ik werkte er op de administratie.
‘Russische militairen zochten alle landgenoten, om ze weer terug te halen naar de Sovjet-Unie. Ik wilde niet, want had gehoord dat dwangarbeiders als verraders werden gezien en bij terugkeer in strafkampen werden opgesloten, ook als ze niet vrijwillig waren gegaan. Aan mijn Russische achternaam kon je zo zien waar ik vandaan kwam, daarom heb ik met hulp van de burgemeester op het gemeentehuis van Bielefeld ‘Atanowa’ in mijn persoonsbewijs laten veranderen in het Poolse ‘Atanowitch’. Dat was een spannend moment, want ik zat in de wachtkamer met een Russische officier, die bij dezelfde burgemeester alle Russische namen wilde bemachtigen.
‘Mijn vriendin Walentina ging wel terug naar huis. Later vertelde ze dat het in de Sovjet-Unie ‘een ramp’ was voor ex-dwangarbeiders. Ze kon geen woning krijgen, geen werk en werd uitgescholden voor landverrader.
‘In Enschede, waar ik vanaf 1948 in een textielfabriek ging werken, had ik ook veel bekijks. In dat jaar heb ik in een restaurant Hennie leren kennen. Hij kon een huurhuis krijgen en wilde daarom trouwen. Ik was blij dat ik niet meer in de kost hoefde. We kenden elkaar nauwelijks, maar de liefde groeide.’
Hoe bent u in Enschede beland?
‘Vlak bij het opvangkamp voor dwangarbeiders was een kantoor waar je je kon aanmelden voor emigratie naar Engeland, Frankrijk of Nederland. Ik gaf mij op voor Nederland, want dat voelde niet zo ver van Rusland. Ik koos voor Enschede, omdat ik daar kon werken in de textielfabriek, en vond een kamer in een kosthuis.’
En Heinz?
‘Een Russische vrouw die ik in Bielefeld had leren kennen, was ongelukkig in haar huwelijk met een Duitse man, en adviseerde mij niet met een Duitser te trouwen. Heinz huilde toen ik met hem brak.’
Kon u hier aarden?
‘Ik heb heimwee gehad naar mijn familie. Vooral de eerste jaren waren moeilijk. Mijn schoonmoeder zag mij niet zitten. ‘Wat moet je daarmee?’, zei ze toen Hennie vertelde dat hij een Russische vriendin had.
‘Ik heb mijn man pas heel laat, begin jaren zestig, opgebiecht dat ik niet Atanowich heette, maar Atanowa. Hij nam het heel sportief op en begreep waarom ik mijn achternaam had veranderd. Ik had bezoek gekregen van de Vreemdelingenpolitie, die mij vroeg eerlijk te zijn over mijn achternaam. Een van mijn Russische vriendinnen had hem denk ik verteld dat ik het er moeilijk mee had ervoor uit te komen, en dat ik daardoor geen visum kon krijgen voor Rusland. Het bleek niet strafbaar te zijn en al mijn officiële papieren werden aangepast.’
Bent u daarna teruggekeerd naar Rusland?
‘Ja, in 1964 voor de eerste keer sinds mijn gedwongen vertrek als 16-jarige. Ik reisde naar Taganrog, waar mijn zusje woonde. Ik ging wandelen door de straten en kwam in een winkel mijn jeugdvriendin Walentina tegen. We zochten Victor op, mijn eerste jeugdliefde. Hij liep met een stok, want was ernstig gehandicapt geraakt in de oorlog. ‘Walidszka!’ riep hij. In het Russisch word je bij je koosnaam genoemd.
‘Bij mijn bezoeken wilde de Russische politie van alles van mij horen over Nederland. Ik antwoordde dat ze er zelf maar naartoe moest gaan. Een keer nam een geheim agent mij mee uit eten en vroeg of ik voor hem wilde werken, in ruil voor geld en een woning. Ik ben er niet op ingegaan.’
Hoe komt u zo sterk en veerkrachtig?
‘Ik heb geleerd voor mezelf op te komen en heb veel goede mensen ontmoet die mij door diepe dalen hielpen. Mijn man stierf jong en ik bleef achter met twee kleine kinderen, die ik alleen heb opgevoed. Ze zijn allebei goed terechtgekomen. Alles wat ik heb, heb ik zelf opgebouwd. Ik keerde altijd elk dubbeltje twee keer om en dat doe ik nog steeds. Van al die gespaarde dubbeltjes heb ik uiteindelijk mijn huurhuis kunnen kopen – en daardoor kan ik nu in dit mooie appartement wonen. Ik ben er trots op dat ik het zover heb gebracht.’
geboren: 16 november 1924 in Gorodisjtsje, Rusland
woont: zelfstandig, in Enschede
beroep: textielarbeider
familie: twee dochters, vijf kleinkinderen
weduwe sinds 1966
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant