Taffy Brodesser-Akner is de auteur van de wereldwijd bejubelde roman Fleishman zit in de problemen en schrijft legendarische interviews met beroemdheden. In een New Yorks restaurant praat ze openhartig over haar zoektocht naar erkenning en haar obsessie met status.
is mediaverslaggever van de Volkskrant. Hij schrijft vooral over televisie, podcasts en boeken.
Toen de Amerikaanse journalist en schrijver Taffy Brodesser-Akner (49) rond 2015 Kapitaal in de 21ste eeuw las, de studie van ruim achthonderd pagina’s waarin de Fransman Thomas Piketty aan de hand van 115 tabellen en grafieken concludeert dat vermogen sneller groeit dan salaris, barstte ze in snikken uit.
‘Ineens begreep ik het’, zegt ze op het verwarmde terras van een Frans-Amerikaanse bistro in de Upper West Side in New York. ‘Ineens begreep ik waarom ik ondanks mijn prima baan – ik schreef verhalen voor het blad GQ en The New York Times – mijn kinderen niet het leven en de veiligheid kon bieden die ik ze wilde bieden.’
Azend op een financiële klapper besloot ze te beginnen aan een roman. Lachend: ‘Een roman schrijven om rijk te worden. Moet je nagaan hoe wanhopig ik was.’
Maar haar in 2019 gepubliceerde boek Fleishman zit in de problemen – over een sullige, gescheiden vader die dankzij datingapps ineens allerlei seksuele escapades beleeft – werd een wereldwijd succes. En de eveneens door Brodesser-Akner geschreven gelijknamige serie, met Jesse Eisenberg in de hoofdrol, werd dat ook.
Intussen was ze fulltime in dienst getreden bij The New York Times Magazine, waar ze legendarische celebrity profiles schreef over onder meer Bradley Cooper, Gwyneth Paltrow en Tom Hanks. The New Yorker noemde haar ‘a Michelangelo of magazine profiles’.
Die stukken danken hun status aan haar vileine observaties (als realityster Kris Jenner, die de neiging heeft tot overdrijven, ‘ergens ook maar enigszins in is geïnteresseerd, is ze erdoor geobsedeerd’), haar schrijfstijl (auteur Jonathan Franzen ‘zit niet zozeer op een bank maar druipt ervan af, als in een schilderij van Dalí’) en aan de toegang die ze krijgt (Gwyneth Paltrow nodigde haar uit voor een etentje bij haar thuis).
Dat die wereldsterren haar langere tijd in hun entourage gedogen, is goed voorstelbaar: Brodesser-Akner is slim, grappig en uitbundig. ‘Hoe heet je?’, vraagt ze voorafgaand aan het interview. ‘Hoe?! Spel dat eens.’ Dan: ‘Wie heeft in godsnaam verzonnen dat die letters in die volgorde moeten staan?’ Na een korte stilte: ‘Ik mag dit zeggen, want ik heet Taffy. Mensen denken altijd dat ik een stripper ben.’
Op deze vrijdagmiddag om 4 uur is het vrijwel uitgestorven in het restaurant. Dat komt door de Joodse feestdag Jom Kippoer, zegt Brodesser-Akner. ‘Ik moet ook om kwart over vijf weg, want tijdens zonsondergang beginnen we met vasten en we hebben nog een diner vanavond.’ Ze raadt aan frieten te bestellen. ‘Die zijn hier legendarisch.’
Het gesprek vindt plaats naar aanleiding van haar tweede roman, Long Island Compromise, in Nederland vertaald als Het compromis van Long Island. Ook dit keer heeft Brodesser-Akner over kritieken weinig klagen. ‘Gedurende een verslavende 448 pagina’s groeit Het compromis van Long Island van een onderzoek naar intergenerationeel trauma uit tot een trefzeker portret van rijkdom in het Amerika van nu’, schreef Herien Wensink in de Volkskrant. Het boek ‘voegt zich bij het pantheon van the great American novels’, oordeelde de Los Angeles Times.
Haar werk is vergeleken met dat van Philip Roth, Jonathan Franzen, Tom Wolfe, John Updike en John Cheever. ‘Allemaal mannen’, zegt ze lachend. ‘Ik heb geen idee waarom. Misschien door de reikwijdte van het boek?’
In de ruim vierhonderd pagina’s komt veel voorbij. Behalve rijkdom gaat het over, en dit is een kleine greep, intergenerationeel trauma, doorgeslagen kapitalisme, familiegeheimen, doorgeslagen wokisme, seks-, drugs- en eetverslavingen, bètablokkers, piramidespelen en holle spiritualiteit.
In het boek, dat zich uitstrekt over vier decennia, staat een steenrijke, disfunctionele, Joods-Amerikaanse familie centraal: de Fletchers. Het boek begint met de ontvoering van patriarch Carl en richt zich daarna op de levens van hem, zijn vrouw Ruth en hun kinderen Nathan, Beamer en Jenny.
Heb je, net als in Fleishman zit in de problemen, eigenschappen van jezelf in je personages gestopt?
‘Minder dan in Fleishman, waar een personage, Libby, echt was zoals ik, maar dan cooler. Als je over jezelf blijft schrijven, zei iemand tegen me, ben je snel door je verhalen heen. Gelukkig ben ik gewend om over andere mensen te schrijven.
‘Maar de meeste personages hebben wel iets van mij. Net als Ruth wilde ik als kind later een rijke vent trouwen en zelf niet te hard werken. Bij mij is die fantasie niet uitgekomen.
‘Als het gaat om angst- en dwangstoornissen ben ik net zo gek als Nathan. Ook ik moest voorafgaand aan het slapengaan gebeden uitspreken voor al mijn familieleden. Beamer vond ik het makkelijkst. Net als hij kan ik gerust, op bed liggend, tegen mensen liegen om onder dingen uit te komen. En ik kan me ook goed voorstellen dat je de dwingende neiging hebt om bij elke fastfoodketen de auto aan de kant te zetten.
‘Het levensverhaal van Jenny heb ik denk ik wel acht keer moeten herschrijven. Zij staat het verst van mij af. Zij is een wonderkind, ik deed het slecht op school. Zij is afstandelijk, ik ben emotioneel. Meningen van anderen interesseren haar niets, ik ben altijd wanhopig op zoek naar erkenning. Ik ben geobsedeerd door status, zij door het kwijtraken ervan.’
Ze zijn allemaal niet echt sympathiek.
‘Iedereen zegt altijd dat personages sympathiek moeten zijn, zodat de lezer met ze mee gaat leven. Maar de beste schrijftip die ik ooit heb gehad, is dat dat helemaal niet waar is. Iedereen die ik ken is sympathiek, dat is geen relevante eigenschap. En deze mensen zijn personages, ze zijn niet echt, ze hoeven je vrienden niet te zijn. Wat wél cruciaal is, is dat ze energie moeten hebben. Ze moeten de urgentie uitstralen van iemand die hijgend aan komt lopen en zegt: ‘Ik móét je iets vertellen.’’
Je hebt gezegd dat je het boek hebt geschreven als journalist. Wat bedoel je daarmee?
‘Mijn man, die ook journalist is, zegt altijd: ‘Een journalist is iemand met een vraag en een pen.’ En ik denk dat veel journalistieke verhalen beginnen met de vraag: waar ga ik heen? Ik wil schrijven over het kapitalisme. Waar ga ik heen? Ik wil schrijven over het einde van de Amerikaanse industrie. Waar ga ik heen? Mijn boek gaat over rijkdom en de vraag of mensen daardoor gecorrumpeerd raken, dus ben ik rijke mensen gaan interviewen.
‘De Fletchers groeiden op mét geld, ik zonder, en mijn vraag was: wie van ons is er eigenlijk beter af?’
En?
‘Nog steeds weet ik het antwoord daarop niet. De gedachte dat je ieder moment het huis uit kan worden geschopt omdat de huur niet is betaald, is doodeng. Tegelijkertijd heb ik daardoor wel allerlei overlevingsstrategieën ontwikkeld die de Fletchers niet hebben. Als The New York Times morgen failliet gaat, zou dat voor mij niet het einde van de wereld zijn.
‘Ik ben opgegroeid met het idee dat het verlangen naar dure dingen me gek zou maken – nog steeds winkel ik vooral bij de Gap. Ik wilde niet rijk worden, ik wilde alleen maar genoeg hebben.
‘Ken je het Chateau Marmont? Dat is een prachtig hotel in Los Angeles. Alle entertainmentjournalisten die ik ken, zijn daar weleens in hun gammele auto komen aanrijden, om er vervolgens achter te komen dat ze niet genoeg cash bij zich hadden voor de valetparking van 30 dollar, waarna ze drie kilometer verderop moesten parkeren en te laat kwamen voor hun interview. Het enige wat ik ooit heb gewild, was genoeg geld hebben voor de valetparking. Het kwam niet eens in me op dat ik ooit in dat hotel zou kunnen slapen.’
Nu ben jij de beroemdheid die journalisten uitnodigt in een restaurant waar een glas wijn 22 dollar kost en een bord friet 14 dollar.
‘Ik weet het! En ik zal er nooit aan wennen. Ik moet mezelf er de hele tijd aan blijven herinneren dat ik jou geen vragen begin te stellen.’
Je hebt nu veel geld. Hoe heeft dat je leven veranderd?
‘Dan moet ik je eerst vertellen dat ik twee zenuwinzinkingen heb gehad in mijn leven. De eerste was na een heel nare bevalling en de tweede tijdens een interview met Tom Hanks. Hij deed zo aardig tegen me, maar ik was doodmoe na een uitputtende boektoer voor Fleishman – en ik begon gewoon te huilen.
‘Een paar jaar later, toen ik klaar was met de tv-serie voor Fleishman, had ik een vriend aan de telefoon. Hij zei dat ik warrig sprak, steeds afdwaalde en hij raadde me aan om rust te nemen. ‘Ik heb daar geen tijd voor’, zei ik. ‘Ik heb al deze deadlines, ik heb deze persreis.’ Neem gewoon drie dagen vrij, zei hij, en hij gaf me de naam van een spa.
‘Ik ging naar het soort luxueuze spa waarmee ik in Fleishman de spot had gedreven. Het was beter, maar tegelijkertijd erger dan ik me had voorgesteld. De mensen waren onuitstaanbaar. Dat was verwarrend. Was ik nu zelf ook onuitstaanbaar?
‘Maar na die drie dagen voelde ik me als herboren. Dat maakte me zo verdrietig. (Ze schiet vol) Ik besefte dat het enige dat ik nodig had, nadat ik mijn kindje had gekregen of mijn boek had uitgebracht, een paar dagen rust was. In plaats daarvan besloot ik door mijn financiële situatie door te werken – en kreeg ik die zenuwinzinkingen. Geld biedt dus wel een vorm van veiligheid.
‘De tweede vraag die ik met mijn boek stel, heeft met die zenuwinzinkingen te maken. Dat is de vraag of je ooit ergens helemaal overheen kunt komen in je leven.’
En?
‘Dat blijkt een totaal verkeerde vraag te zijn. Die vraag is een ziekte.
‘In mijn boek krijgt Carl na zijn ontvoering voortdurend te horen: ‘Dit is niet jou overkomen, maar jouw lichaam.’ Maar uiteindelijk concludeert hij dat dat onderscheid niet relevant is.
‘Een paar jaar geleden sprak ik erover met mijn therapeut. In die periode zag ik overal in de stad reclameborden voor de Fleishman-serie. Dat voelde geweldig: alsof ik in een film over mezelf speelde. Ik betrapte mezelf daardoor wel op een vreselijke gedachte: als ik terug zou kunnen gaan in de tijd en ik zou sommige dingen ongedaan kunnen maken, waardoor mijn leven makkelijker maar anders zou zijn geworden dan het nu is, zou ik dat dan doen? De therapeut zei toen zoiets moois. ‘Waarom zou je dat denken?’, zei ze. ‘Het is een zinloze vraag. De vraag is onderdeel van het probleem.’
‘Als je leven geweldig is, is het onmogelijk te ontleden wat het geweldig heeft gemaakt. Misschien heeft die vreselijke gebeurtenis eraan bijgedragen, misschien ook niet.’
‘Ik weet ook niet precies waardoor ik die zenuwinzinkingen heb gekregen. Tijdens de bevalling die leidde tot een ervan ging er van alles mis. Door de medicatie begon ik te hallucineren en daarna kreeg ik een vreselijke dokter die ongevraagd mijn vliezen brak. Maar ik werd óók moeder, ik werd óók een ander mens. Misschien kwam het wel daardoor, misschien ben ik kwetsbaar voor veranderingen in mijn identiteit.
‘Dat speelde namelijk ook bij Tom Hanks. Toen ik hem interviewde, vertelde hij me dat hij mijn boek zo goed had gevonden. Op dat moment brak ik. Ik was niet langer wie ik dacht dat ik was, namelijk een journalist die net haar eerste roman had geschreven. Tom Hanks hoorde geen aardige dingen tegen me te zeggen, hij hoorde zich te ergeren aan mijn vragen en een gesprek van twee uur na negentig minuten af te kappen.’
Zo’n compliment is toch mooi?
‘Zeker, ik zeg ook niet dat het vervelend is. Maar mijn zelfbeeld kwam daardoor op zijn kop te staan. Misschien zou dat niet voor iedereen zo voelen, maar wel voor mij.’
Je zei net dat je altijd wanhopig op zoek bent naar erkenning. Hoe is het om dat nu voortdurend te krijgen, zelfs van Tom Hanks?
‘Het stelt niet echt gerust. Toen mijn boek goed werd ontvangen, was ik al bang dat ik het verhaal kapot zou maken door er een tv-serie van te maken. En toen die serie een succes werd, maakte ik me zorgen om mijn tweede boek, dat ongetwijfeld waardeloos ging worden. Altijd als iemand iets aardigs zegt, denk ik: ach, die mensen weten niet dat mijn carrière straks voorbij is.’ (Brodesser-Akner werkt nu voor Apple TV+ aan de serieverfilming van Het compromis van Long Island.)
In het profiel dat Brodesser-Akner over hem schreef, kwam Tom Hanks zeer sympathiek naar voren. Maar hij is dan ook Tom Hanks. Voor de rest van de geportretteerde beroemdheden geldt hetzelfde als voor haar personages: hun minder fraaie eigenschappen verzwijgt ze niet.
Neem haar verhaal uit 2014 over Nicki Minaj, waarin ze uitgebreid beschrijft welke vragen ze haar graag had willen stellen – als de zangeres niet tijdens het interview in slaap was gevallen.
Vind je dat je ook weleens te gemeen schrijft over mensen die veel tijd voor je vrijmaken?
‘Ik vind mijn profielen niet gemeen, maar grappig. Lezers denken soms dat ik beroemdheden belachelijk maak, maar vaak heeft dat alleen maar met de eigen vooroordelen van die lezers te maken. Als mensen het onaardig vinden als ik schrijf dat Kris Jenner in hyperbolen praat, hebben zij blijkbaar iets tegen mensen die in hyperbolen praten. Kris Jenner vond het geweldig.
‘Maar in gesprek met haar vertegenwoordig ik wel de lezer. Ik heb een hekel aan profielen waarbij je het gevoel krijgt dat de interviewer en de geïnterviewde het zo goed kunnen vinden samen en een front tegen de lezer vormen. Wat de beroemdheid van me vindt, maakt me niet uit. Ik leg verantwoording af aan de lezer.’
Gedraag je je anders tegen beroemdheden?
‘Zeker. Als mijn kinderen zouden zien hoe ik me tijdens interviews gedraag – ik luister geïnteresseerd en onderbreek ze nooit – zouden ze nooit meer met me willen praten.’
Uit je verhaal over Taylor Swift maakte ik op dat je twijfelt over de waarde van de celebrity profile. Waarom?
‘Ik twijfel niet aan de waarde van het genre. Als iemand een profiel krijgt, betekent het dat wij, het publiek, ervoor hebben gekozen om die persoon daar beroemd genoeg voor te maken. Weinig dingen zijn zo democratisch als roem. En het is voor iedereen van belang om te begrijpen waarom we houden waar we van houden.
‘Ik twijfel eraan of ik wel een waarheidsgetrouw beeld van die mensen kan schetsen. Toen ik tijdens het draaien van de Fleishman-serie ging eten met Jesse Eisenberg en de andere acteurs, kwam ik erachter dat ze totáál anders waren dan wanneer ik ze zou hebben geïnterviewd. Een interview is zoiets kunstmatigs. Dat is ook niet gek. Die mensen zijn beroemd geworden omdat ze kunnen zingen of acteren, niet omdat ze aan een wildvreemde vrouw goede verhalen over zichzelf kunnen vertellen.’
Haar telefoon gaat. ‘Sorry, dit is mijn zoon.’ Ze neemt op. ‘Hoi.’ Korte stilte en een korte zucht. ‘Heb je al in de kast van papa gekeken? Ik wil dat iedereen aangekleed is als ik thuiskom. En ik kom er nu aan. Oké, bye.’
Taffy Brodesser-Akner: Het compromis van Long Island. Uit het Engels vertaald door Frank Lekens en Petra C. van der Eerden. Prometheus; 448 pagina’s; € 25,99.
Geselecteerd door de redactie
Lees hier alle artikelen over dit thema
Source: Volkskrant