Na haar bestsellerdebuut liet Lize Spit haar lezers achter met de vraag hoe autobiografisch haar werk nou was. Groeide ze zelf ook op in zo’n godvergeten kutdorp? Waren haar ouders ook zulke liefdeloze alcoholisten? De Vlaamse auteur geeft nu antwoord in Autobiografie van mijn lichaam.
is redacteur van Volkskrant Magazine, ze maakt podcasts en schrijft geregeld essays en interviews.
Lize Spit staat in de deuropening van haar Brusselse appartement en kijkt ongerust om zich heen. Ze kan haar poes niet vinden, die heeft zich verstopt tijdens de fotoshoot, eerder deze zonnige herfstdag. ‘Dit gebeurt wel vaker hoor. Ik ben niet megabezorgd’, verontschuldigt de Vlaamse bestsellerauteur zich. ‘Ik ben alleen bang dat ze een plekje heeft gevonden om alleen te sterven. Wacht, er is nog één plek waar ik kan kijken.’ Ze verdwijnt in de gang van haar ruime, in licht badende woning. Dan klinkt het vanuit haar slaapkamer blij: ‘Ze is terecht!’
Je oudste zus Sara verzekerde me aan de telefoon dat jullie huisdieren inmiddels gezond oud worden. Maar dat was in jouw jeugd anders. In Autobiografie van mijn lichaam beschrijf je het ene na het andere sterfgeval.
‘Dat klopt. We hebben thuis weleens negen katten tegelijk gehad, altijd overleden ze snel; ze vielen in een waterput of werden aangereden op de drukke weg langs ons huis.’
Ik telde opmerkelijk veel dode cavia’s.
‘Ja, haha. Ik heb twee zussen en één broer, en elk kind had recht op een persoonlijk huisdier. We kochten die in een aftandse dierenwinkel, waar de dieren soms al halfdood waren eer ze bij ons kwamen.’
Denk je dat jouw cavia’s onderliggend lijden hadden? Wat verklaart het hoge sterftecijfer?
‘Er waren verschillende doodsoorzaken. Sommige cavia’s werden doodgebeten door de wezels uit het veld. Er is ook een cavia die vast kwam te zitten tussen de spijlen van het hok: dat was een gruwelijk beeld. Voor Autobiografie van mijn lichaam heb ik fragmenten uit mijn kinderdagboeken geselecteerd. Daarin schreef ik ook over al die dode cavia’s. Ik schrok toen ik alles teruglas, zo angstig en alleen was ik als kind.’
Uit die fragmenten blijkt hoe bang jij was om je ouders te verliezen. Je schreef: ‘Ons mama is weg. Ze heeft denk ik ruzie gemaakt met papa en is dan weggegaan. Ik ben kei-ongerust en droevig. Wie weet is ze dood.’ Maakte je je echt zo zorgen?
‘Ik heb vaak gevreesd voor het leven van mijn beide ouders. Mijn moeder zei: ‘Als ik jullie niet had, dan was ik er niet meer.’ Mijn vader wist precies hoe je je eigen polsen moest doorsnijden, daar had hij een keertje stoer over gepraat. Als ik ’s morgens als eerste wakker werd, ging ik met kloppend hart de trap af, bang om het lijk van een van mijn ouders tegen te komen. Ik was altijd op ze gericht: gingen ze weer drinken? Hing er een ruzie in de lucht? Toen ik als student naar Brussel verhuisde, was ik voortdurend overprikkeld. Als je gewend bent om voortdurend te letten op signalen van gevaar, dan is een grote stad overweldigend.’
Jouw redacteur Marscha Holman vertelde dat je altijd de hele sociale omgeving scant. Op de zomerkampen van Das Mag weet je altijd wie zich niet op zijn gemak voelt, wie zich buitengesloten voelt. Is dat diezelfde alertheid?
‘O ja! Ik weet ook altijd wie er bij wie in het krijt staat en ik kan goed zien wanneer iemand liegt. Ik houd precies bij wat iedereen heeft gedronken. Ik zou willen dat ik die gevoeligheid niet had, want er gaat zoveel energie naartoe.’
Als auteur word je geprezen om je feilloze oog voor menselijke interactie, is dat niet te danken aan diezelfde langgerekte voelsprieten?
Resoluut: ‘Het is fantastisch dat ik kan schrijven. Ik heb mijn angsten weten te sublimeren in mijn werk.’
Twee jaar heeft Lize Spit (35) gedaan over het schrijven van haar vierde boek, Autobiografie van mijn lichaam, een memoir over haar jeugd met twee drinkende ouders, en haar pogingen een brug te slaan naar haar moeder, als die terminaal ziek blijkt – ze overleed in januari dit jaar aan de gevolgen van slokdarmkanker. Ze schreef het in een staat die grenst aan manie, vertelt ze. Spit begon aantekeningen te maken toen haar moeder net ziek werd, drie dagen na haar overlijden reed ze alleen naar haar studio in Oostende, om daar verder te schrijven.
Autobiografie van mijn lichaam is een soms expliciet verslag van de aftakeling van haar moeders lichaam. Spit analyseert daarnaast de verstoorde relatie tot haar eigen lijf. Waarom is er zoveel zelfafwijzing? Ze is veel ziek geweest, en kreeg op haar 12de de diagnose diabetes. Deze ontregelde suikerspiegel heeft sporen achtergelaten op haar lichaam. Daarnaast gaat ze ook gebukt onder een permanent ontregeld lichaamsbeeld. Ze wil zichzelf al van kinds af aan verhullen. Zelfs de knot op haar hoofd, Spits handelsmerk, dient om af te leiden van dat lichaam. ‘Zodra ik de dot maak, ben ik geen lichaam met een hoofd meer, maar een hoofd met een lichaampje’, schrijft ze. ‘De dot streept een stuk van mijn massa weg.’ Haar echtgenoot, schrijver en tweevoudig Libris-winnaar Rob van Essen (61) moedigt haar aan om meer van zichzelf te laten zien – ze ontmoetten elkaar in 2018 op een zomerschrijfkamp van hun uitgeverij Das Mag en trouwden vorig jaar. ‘Ik zou willen dat ze T-shirts met korte mouwen durft te dragen, het is work in progress’, vertelt hij aan de telefoon. Volgens hem is schrijven voor Spit een noodzaak. ‘Ze heeft zich op die manier aan haar haren uit het moeras van haar jeugd getrokken.’
Spit geldt inmiddels als een van de belangrijkste literaire stemmen binnen het Nederlandse taalgebied. Wrange jeugdherinneringen kwamen eerder voorbij in Spits literaire oeuvre, steeds gemaskeerd als fictie. Zoals in haar verpletterende debuutroman Het smelt (2016), waarin een jonge vrouw wraak neemt op een heel dorp. Het debuut verkocht meer dan 250 duizend exemplaren, Het smelt werd in meer dan zestien talen uitgebracht en vorig jaar verfilmd. Spit werd gelauwerd met onder meer De Bronzen Uil voor beste literaire debuut. In 2020 publiceerde ze haar tweede bestseller Ik ben er niet, en vorig jaar bewees Spit zich als novelleschrijver met het Boekenweekgeschenk De eerlijke vinder.
Sinds dat succesvolle startschot is daar steeds de vraag van lezers en journalisten: hoe autobiografisch is het werk van Lize Spit? Was Viersel, waarnaar het dorp in Het smelt is gemodelleerd, werkelijk zo’n godvergeten kutdorp? Waren haar ouders in het echt ook zulke liefdeloze alcoholisten?
Nu geeft de schrijver op eigen wijze antwoord, in een autobiografie die aankomt als een mokerslag. Al is het maar vanwege dat feilloze gevoel voor taal dat Spit aan de dag legt, of vanwege haar verbeeldingsvermogen dat zich lijkt uit te strekken tot een universum ver weg, waarin kinderen wél worden begrepen en wél worden gezien. De dreun zit ’m ook in de liefde die het kind Lize aan de dag legt voor haar twee beschadigde ouders.
In haar mintgroene keuken serveert Spit vandaag zelfgebakken appeltaart en cappuccino, later zal ze nog boterhammen aanbieden en borrelnootjes. Ze is klein van stuk en praat zachtjes maar gedecideerd, erop gebrand elke vraag zorgvuldig te beantwoorden.
Toen jij in 2017 werd geïnterviewd voor Volkskrant Magazine, zei je: ‘Autobiografisch schrijven, dat is als een bakker die afbakbroodjes opwarmt.’ Wat is er veranderd?
‘Dat is mooi, dat je mij dat nu in mijn gezicht wrijft. Autobiografisch schrijven is natuurlijk wel degelijk een kunst. Maar het is makkelijker dan fictie schrijven. Een groot deel van het werk van een schrijver is denken, en over dit boek heb ik al heel mijn leven nagedacht. Ik heb gekozen voor deze vorm omdat ik zocht naar eerlijkheid. Ik wilde mijzelf niet meer verschuilen achter fictie, maar een keer kunnen zeggen: hier vallen de schrijver en de mens samen.’
Jouw oudste zus Sara vindt het spannend, dit boek, vertelde ze aan de telefoon. Ze is bang dat haar stem wordt overgenomen.
‘Ze had me van tevoren gewaarschuwd: ‘Ik vind dat je er niet zomaar van uit moet gaan dat je dit verhaal mag vertellen, want het is ook ons verhaal.’ Mijn oudste zus is in haar leven veel meer de confrontatie aangegaan met mijn ouders, ze dwong mijn moeder op een gegeven moment tot een keuze: het is ik, of het is de drank. Toen koos mijn moeder voor de drank, alhoewel ik niet weet of je echt van een keuze kunt spreken. Nu vond ze dat ik haar te streng had neergezet, te veel als de antagonist van de milde Lize. Mijn broer had weer andere kritiek, hij zei: ‘Lize, komaan, dit is toch geen boek, niemand gaat dit toch lezen?’ Hij kon zich niet voorstellen dat een buitenstaander interesse zou hebben in ons gezinsleven. ‘Je uitgever wil je niet kwetsen’, zei hij. ‘Ze doen net alsof het een goed boek is.’’
Bracht hij je aan het twijfelen?
‘Ik heb de volgende dag wel mijn uitgever gebeld en gezegd: zijn jullie er zeker van dat dit écht een boek is?’
Jouw boek begint met een onheilspellende mail van je moeder, met als onderwerp ‘slokdarm’. Was het haar gewoonte om jullie te mailen als ze iets belangrijks te bespreken had?
‘Ja. Ze klapte vaak dicht en mijn vader pakte haar ook altijd op haar woorden als ze ruziemaakten. Ik denk dat ze haar kinderen is gaan mailen uit angst dat haar woorden anders uit hun verband werden gerukt. Ze wilde het ons ook alle vier tegelijk laten weten, dat vond ze denk ik het eerlijkst. Maar ze kon zich niet verplaatsen in hoe het voor ons was om zo’n mail te ontvangen. Ik denk dat ze ten diepste niet besefte dat wij van haar hielden.’
Nadat blijkt dat je moeder een uitgezaaide vorm van slokdarmkanker heeft, word je ’s nachts overvallen door herinneringen aan haar, beelden van een zorgzame moeder die haar kinderen meeneemt naar de hobbywinkel voor strijkparels, die jurken naait voor haar dochters. Kon je opeens bij je liefde voor haar komen?
‘Ja. Ik heb jarenlang afstand van haar genomen, ik wilde niet dat ze dichterbij kwam, want ik was bang voor haar onvoorspelbaarheid, en voor haar afwijzing; mijn moeder kon heel negatief zijn. Om die afstand vol te houden moest ik voor mezelf een sterk beeld scheppen van de dronken moeder, de depressieve moeder, de negatieve moeder. Ik was altijd bang voor de spijt die ik zou voelen als ik haar in mijn armen zou sluiten en zou beseffen dat ze eigenlijk niet zo slecht is als ik mij had ingebeeld. Toen ik haar mailtje over de kankerdiagnose kreeg, besefte ik wat mijn grootste angst was: om haar te verliezen. Nu dat hoe dan ook ging gebeuren, wilde ik die afstand niet meer. Ik kon weer het goede in haar zien.’
Kregen jij en je moeder door haar diagnose een tweede kans?
‘Zo voelde het aanvankelijk wel. Ik dacht: nu gaan we praten, nu gaan we elkaar vinden! Maar in het anderhalf jaar dat ik voor haar heb gezorgd, bleken we toch nog steeds diezelfde moeder en dochter, met dezelfde tekortkomingen.’
In je boek beschrijf je hoe je ouders, eerst je moeder, later je vader, worstelden met alcoholisme. Die dreiging zorgde voor onmenselijke spanning in het gezin. Heeft die ervaring met constante dreiging jou ertoe gebracht om boeken te schrijven die lezen als thrillers?
‘Ik had daar nog niet over nagedacht, maar dat zou zomaar kunnen. Ik was als kind altijd beducht op de ergste scenario’s en voelde me machteloos omdat ik niet wist wat er ging gebeuren. Het bedenken van een spannend plot is een manier om weer aan zet te zijn, de regie te nemen. Er wordt mij ook vaak de vraag gesteld: waar komt al dat geweld vandaan in jouw boeken? Welnu, ik heb zo’n impliciet gewelddadige jeugd gehad, ik wilde dat in gruwelijkheid overtreffen in mijn werk.’
Herkenbaar voor de lezers van Het smelt is de herinnering aan jouw vader die jou laat zien dat hij een strop voor zichzelf heeft geknoopt. Waarom deed hij dat?
‘Ik was 17 toen dat gebeurde. Mijn vader zei: ‘Het feit dat ik deze strop aan jou laat zien is een goed teken, dat wil zeggen dat ik het niet ga doen.’ Zijn idee was: als ik erover praat, dan geef ik het zelfmoordplan op. Ik zie het nu als een wanhoopsdaad: alle vier de kinderen waren inmiddels uit huis, we kwamen zelden meer thuis omdat we ons daar niet veilig voelden. Ik denk dat mijn vader dat als een enorme afwijzing ervoer, hij verloor in die tijd ook zijn werk en had niemand om mee te praten.’
Je beschrijft hoe je ouders elkaar tijdens hun huwelijk in een wurggreep hielden. Ze leken ook steeds uit op wraak.
‘Ja, toen we na de dood van mijn moeder haar huis opruimden, vonden we een oude inlogcode voor de datingsite Parship. Haar wachtwoord was: ‘Koekjeeigendeeg’. Ze lacht: ‘Dat is toch als een parel vinden?’
‘Mijn ouders konden elkaar ongelooflijk veel pijn doen. Mijn moeder door hem buiten te sluiten, te drinken en daarover te liegen. En mijn vader kon haar enorm kleineren en jennen. Het beeld dat me het meest bijstaat is uit mijn tienertijd, toen ze elk in hun eigen stoel zaten, vaak beiden dronken. En ik die daar dan bij thuiskomst geruisloos aan voorbij probeerde te schieten, op weg naar mijn eigen kamer.’
In de puberteit kom je tot een schokkende ontdekking: je vader blijkt onvruchtbaar, alle vier de kinderen zijn verwekt dankzij een spermadonor. Hoe kwam dit geheim naar buiten?
‘Mijn broer studeerde biochemie en moest als opdracht een stamboom opstellen aan de hand van de bloedgroepen van zijn voorouders, maar de bloedgroep van mijn ouders kon onmogelijk resulteren in de zijne. Toen hebben mijn ouders de vlucht naar voren genomen en het hem verteld. Ik hoorde het pas later, mijn vader heeft mij dit geheim in een dronken bui toevertrouwd.’
Welke invloed had dit familiegeheim op hem?
‘Ik denk dat mijn vader bang was dat wij hem niet als echte vader meer zouden zien. Hij voelde zich minderwaardig, denk ik, hij zag zijn mannelijkheid aangetast. Onvruchtbaarheid was in die tijd een enorm taboe, mijn ouders hebben het niet eens aan hun eigen ouders verteld. Ik denk dat mijn moeder de emotionele impact van dit geheim op mijn vader heeft onderschat, en ik kan me ook niet voorstellen dat ze er onderling goed over hebben gepraat. Mijn vader kan er overigens gerust op zijn, ik ben nooit anders gaan denken over hem, voor mij is je vader toch de man die jou opvoedt, daar verandert deze kennis niets aan.’
Je zus Sara vertelde dat jullie geen van allen de behoefte hebben om contact te zoeken met jullie biologische vader. Waarom niet?
‘Ik denk dat wij als kinderen zo bang zijn geweest om mijn vader te kwetsen, dat we ons nooit hebben durven afvragen: wat vinden we hier nu eigenlijk van? Het is geen ding voor mij, alhoewel ik me soms afvraag: ligt dat dan aan het feit dat ik zo loyaal ben en mijn vader niet wil kwetsen? En ik vind het vervelend dat ik jarenlang medische formulieren fout heb ingevuld, dat ik niet weet of ik meer risico loop op bepaalde ziekten.’
Wat vindt je vader ervan dat je dit geheim hebt verwerkt in je boek?
‘Ik wil niet te veel op mijn vader ingaan. Hij heeft het boek recent gelezen en we hebben daar een goed gesprek over gehad. Maar het boek kan ook een rouwproces bij hem losmaken, dus misschien is dit niet zijn laatste reactie.’
Als jouw moeder ernstig ziek wordt, besluit ze te scheiden van jouw vader. De motor lijkt een hevige verliefdheid op Walter, een treinmachinist die filmpjes van zijn reizen op YouTube zet. Had je die verliefdheid en die breuk zien aankomen?
‘Absoluut niet! Mijn moeder had zoveel drogredenen voor zichzelf om in die relatie te blijven. ‘Ik heb niet genoeg geld om te scheiden’, zei ze, ‘ik wil nog naar het theater kunnen en voorstellingen zien’. Nadat we uit huis gingen heeft ook zij een moeilijke periode gehad. Maar uiteindelijk bloeide ze weer op; ze vond werk in een bibliotheek en werd vrijwilliger bij een zomerkamp. Daar ontmoette ze Walter. Ik denk dat het besef van haar sterfelijkheid mijn moeder het laatste zetje gaf om de scheiding door te zetten.’
Jouw vader reageert verbitterd, terwijl hij zelf vaak had gedreigd met een scheiding. Hij sluit zijn mails af met een venijnig: ‘Vriendelijke groeten, Fred, de ex.’
‘Ik ben in mijn boek een beetje streng voor hem, ik denk dat hij oprecht verdrietig was. Mijn vader verloor niet alleen zijn levenspartner, mijn moeder zou ook sterven als de geliefde van een ander, dat vond hij erg moeilijk.’
Je neemt jezelf tijdens de ziekte van je moeder een aantal dingen voor. Zo noteer je: ‘Dochter zijn > schrijver zijn.’ Wat bedoelde je daarmee?
‘Dat dochter zijn belangrijk en groter is dan schrijver zijn. Het was eigenlijk best een onvriendelijke zet die ik heb gedaan in Het smelt. Het dorp is herkenbaar, de moederfiguur is herkenbaar, ik schrijf over flessen drank die zijn verstopt in huis. Natuurlijk zaten er ook veel verzinsels bij, maar het gevaarlijke van fictie is dat alles voor waarheid wordt aangenomen. Ik vond op haar computer een Amerikaanse spotprent waarop een dochter haar boek ‘My miserable life’ zit te signeren; haar ouders in de rij verzuchten: ‘Als we wisten dat ze schrijver zou worden, waren we wel betere ouders geweest.’ Mijn moeder geneerde zich in haar leven sowieso al snel, ik denk dat Het smelt echt een klap voor haar was.’
Hebben jullie hierover gepraat?
‘Nee, nooit! Ik heb het haar wel laten lezen en toen belde ze me de volgende dag huilend, ze had mijn boek in één ruk uitgelezen. Het enige wat ze zei was: ‘Ik denk dat je een advocaat nodig hebt voor de mensen in het dorp.’ En: ‘Er staan heel veel schrijffouten in.’ En ze begon erover dat we toch vaak naar de dierentuin gingen, waarom ik niet over de goede dingen had geschreven. Ik zei: ‘Maar mama, dat weet ik toch? Dit is niet mijn jeugd die ik beschrijf, dit is een roman.’ Maar zij dacht: zo kijkt Lize naar haar jeugd.’
Had ze daarin niet gelijk?
‘Ja... ja, zeker. Ik had misschien ook meer schoonheid in Het smelt moeten stoppen. Ik heb mijn moeder te vaak gerustgesteld over die jeugd. Of benadrukt hoe dankbaar ik toch ook was. Ik zelf ben al vroeg opgesplitst in de schrijver en de dochter. Die dochter durfde de strijd nooit aan, de schrijver wel. Ook in interviews was ik veel eerlijker over mijn jeugd dan tegen mijn ouders. Ze knipten de interviews altijd uit, maar ik hoopte dat ze versnipperden in mijn moeders handen, zodat ze niet kon lezen wat ik over haar had gezegd. Ik had eerlijker naar haar moeten zijn, als ze vroeg waarom we nooit langskwamen met onze liefjes. Maar ik durfde mijn ouders niet af te vallen.’
Jouw boek is ook een onderzoek naar een negatief lichaamsbeeld. Hoe hangt dat volgens jou samen met jeugdtrauma’s?
‘Veilige hechting zit niet alleen in de relatie tot je ouders, maar gaat ook over de hechting met je lichaam. Kinderen die emotioneel zijn verwaarloosd, gaan zichzelf wegcijferen, ze verbergen niet alleen hun verlangens en gevoelens, ze willen ook in fysiek opzicht onzichtbaar zijn. Ik heb zoveel angst ervaren als kind, dat ik mijn lichaam heb uitgezet. Zo voelde ik de doodsangst niet, maar ik sloot ook alle plezierige sensaties af.’
Ik kan me voorstellen dat zo’n ernstige ziekte als diabetes ook impact heeft op hoe je je lichaam ervaart.
‘Ik wilde daar eerst helemaal niet over schrijven. Ik verdring mijn diabetes het liefst, ik schaam me ervoor. Ik kan die ruimte niet innemen, en dat is precies het probleem. Als ik in een hypo raak, dan probeer ik dat nog steeds stiekem op te lossen. Ik ben net als mijn moeder, die wilde, zelfs toen ze ernstig ziek was, niemand tot last zijn. Ik moet leren om tot last te zijn.’
Rob vertelde dat als jij van huis gaat, hij altijd vraagt: heb je je suiker bij je?
‘Ik vind dat lief...’
Maar?
‘Ik mopper daar ook over! Ik vind dat vaderlijk. Hij is mijn vader niet. Maar hij heeft gelijk, want ik ben weleens in situaties geweest dat ik om eten moest bedelen op straat om niet flauw te vallen.’
Als hij gelijk heeft, waarom irriteert het jou dan toch?
‘Ik denk omdat ik toch kwaad ben dat ik die ziekte heb, en het feit dat ik die alleen moet dragen. Ik vond het als kind al moeilijk te beseffen dat je de enige bent die dit lichaam heeft. En mijn ziekte versterkt dat gevoel van eenzaamheid.’
Rob vertelde met trots dat jij dankzij hem nu weer broeken draagt.
Lacht: ‘Ja! Een ex heeft weleens gezegd: daar heb je een te dikke kont voor. Nu ben ik 15 kilo zwaarder, en durf ik het wel. Rob heeft mij stapje voor stapje meer van mezelf en mijn lichaam leren houden. Maar er is nog een lange weg te gaan.’
Je draagt nog steeds geen shirts met korte mouwen, begreep ik.
Geschrokken: ‘O nee! Alleen in de sportschool durf ik een hemdje aan. Ik kan makkelijk naar het hoofd van een ander reizen, en dan stel ik me de walging voor die ze hebben bij de aanblik van mijn blote armen. Mijn ouders konden opmerkingen maken dat ik olifantenpoten had; daardoor ben ik oprecht gaan geloven dat ik een olifantgestel heb. Ik zou eigenlijk een badpak moeten dragen naar mijn boekpresentatie, om over die schaamte heen te komen.’
Dat negatieve zelfbeeld werkt ook door op je seksleven, beschrijf je. Je vindt het moeilijk om de controle los te laten, om bloot te zijn.
‘Ik was als kind doodsbang voor de blik van mijn vader op mijn lichaam, ik vertrouwde hem niet. Ik herinner me nog goed dat als ik de grasmaaier hoorde, ik dacht: nu kan ik in bad gaan. Maar als dan die grasmaaier stopte, raakte ik in paniek en dekte ik mezelf snel toe met washandjes. Ik was voortdurend angstig om lelijk gevonden te worden. En precies dat gevoel kan me bekruipen als ik naakt in bed seks heb met iemand die niet meer praat, die een lichaam wordt. Ik herinner me hoe vaak ik heb moeten huilen na de seks, omdat die ervaring zo eenzaam was.’
Heeft Rob die eenzaamheid weg kunnen nemen?
‘Ja. Hij kan een lichaam zijn, maar hij blijft ook praten in bed. Hij gebruikt de taal en dat is voor mij een enorme verbetering ten opzichte van eerdere geliefden. Bij Rob was er vanaf het begin veel meer wederzijds begrip; hij heeft natuurlijk ook zijn onzekerheden, hij was bang om als oudere man teleur te stellen.’
Voordat jullie een relatie kregen, mailden jullie uitgebreid over de dingen waarvoor jullie je schaamden. Hij schrijft jou over zijn Peyronie. Ik moest dat even opzoeken, maar dat is een penis die scheef staat in opgewonden stand. Je sluit jouw daaropvolgende mail af met naar links wijkende x-jes.
‘Hij heeft zelf al eens geschreven over Peyronie in een column, ik dacht: dan kan ik het ook wel opschrijven in mijn boek. In die mailtjes maakten we de balans op van ons eigen lichaam. Zo van: voordat je met mij begint, weet wel dat ik deze en deze tekortkomingen heb. We gaven aan elkaar toe dat we niet bepaald in de Champions League speelden, maar meer op provinciaal niveau, in de eerste of tweede divisie, de spanning ging er zo van af.
‘Het moeilijke aan de fysieke relatie is dat je eraan moet blijven werken. Ik voel mijn lichaam soms weken en maanden niet, en dan moet ik er niet aan denken om ook maar iets seksueels te doen.’
Jouw vriendin schrijver Bregje Hofstede vertelde aan de telefoon hoe hecht jullie zijn, dat jij en Rob elkaar veel aanraken.
‘Ja, dat klopt. Ik loop nooit aan hem voorbij zonder even een hand op zijn schouder te leggen. Rob en ik hebben samen allerlei rituelen: we vullen bijvoorbeeld graag cryptogrammen in, die intimiteit zit ’m dan in het hardop associëren en durven stomme woorden te opperen. We spelen elke avond Rummikub. Soms dansen we als twee pinguïns door de kamer. Onze lichamen kunnen elkaar op allerlei manieren vinden; ik heb dat echt geleerd.’
Rob voelt zich soms schuldig over jullie leeftijdsverschil van 25 jaar, vertelde hij. Over het feit dat jij hem waarschijnlijk zult overleven.
‘Dat is de consequentie van onze liefde. Hij zorgt in het hier en nu erg goed voor mij; mocht die balans veranderen, dan gun ik hem mijn zorg. Ik probeer er niet over na te denken. Alhoewel: ik ben wel blij dat er een lift in dit gebouw is, want de oude dag is niet eindeloos ver weg. En ik heb hem weleens geadviseerd om te stoppen met een schrijfopdracht die hij niet leuk vond. Ik wil in de tijd die wij hebben zijn gelukkigste versie opeisen. Ik wil hem zien schrijven hier aan tafel of zitten lezen daar.’ Ze wijst naar een blauwe stoel bij het raam. ‘Dat is zijn zetel. Rob had vroeger reisangst, hij kan nog steeds een hele dag opzien tegen een treinreis. Hij is gelukkig als hij geen verplichtingen heeft.’
Je had een kinderwens, schrijf je, en daar heb je nu afscheid van genomen. Heeft dat ook te maken met het opeisen van gelukkige tijd?
‘Het is een combinatie van dingen. We kunnen samen proberen zwanger te worden, maar dan is Rob 79 tegen de tijd dat ons kind 18 is. Dat is een getal waar ik van schrik. Als ik zwanger wil worden, dan moet dat in samenspraak met een ziekenhuis. Ik word 36, door die leeftijd komt er nog een risico bij. Al die zaken samen hebben mij doen besluiten: misschien is het goed zo, misschien moet ik koesteren wat ik heb. Maar dat was een rouwproces, want ik had ooit een grote kinderwens, ik ben erg boos geweest op dat verlies. Ik probeer nu te accepteren wat mijn omstandigheden zijn, ik wil niet te hard verlangen naar iets wat er niet is.’
Je moeder is nu tien maanden geleden overleden. Mis je haar?
Denkt na. ‘Ik vraag me soms af: op welke manier missen mensen elkaar? Is dat niet omdat er een leegte achterblijft in dat dagelijkse leven? Er was in mijn leven zo weinig ruimte voor haar. Ik denk dat daarin het grootste verdriet zit voor mij, die afstand tussen ons die nooit is overbrugd. Over drie weken ben ik jarig en dit jaar krijg ik geen kaartje. Dat gaat pijn doen.’
Wat schreef ze op die kaartjes?
‘Gelukkige verjaardag van mama.’ Papa ondertekende vaak ook. Het laatste jaar schreef ze: ‘Dikke knuffel, maak er iets moois van.’ Ik vind het moeilijk dat ik in al die interviews steeds praat over alcoholverslaving, ik doe haar daarmee onrecht aan, want ze was natuurlijk veel meer dan die dronken, afstandelijke moeder.’
Ik lees jouw boek als een getuigenis van onvoorwaardelijke liefde, die van een kind naar een ouder.
‘Misschien vinden sommige mensen dat wel schrikwekkend, dat ze door mijn boek ineens beseffen: zoveel houdt mijn kind dus van mij! Dat is uiteindelijk de verantwoordelijkheid die een ouder heeft. Je moet heel voorzichtig omspringen met die gigantische hoeveelheid liefde die je krijgt.’
12 november 1988 Geboren in Viersel, België.
2005-2009 Studeert Audiovisuele kunsten aan Royal Institute for Theatre, Cinema and Sound in Brussel, behaalt een master Schrijven.
2013 Winnaar Write Now! (verhalenwedstrijd voor jonge schrijvers).
2015-2017 Docent Schrijven aan LUCA School of Arts (richting Beeldverhaal).
2016 Debuut Het smelt, 250.000 exemplaren verkocht in Nederland en Vlaanderen.
2016-2018 Wekelijkse column in De Morgen.
2017 De Bronzen Uil voor Het smelt.
2017 Boekhandelsprijs voor Het smelt.
2017 Hebban Debuutprijs voor Het smelt.
2017 Het smelt is NRC Boek van het jaar.
2017-2020 Het smelt verschijnt in 16 verschillende landen.
2020 Tweede roman Ik ben er niet.
2020-2024 Ik ben er niet verschijnt in 4 landen.
2021-heden Wisselcolumn met Bregje Hofstede in De Morgen.
2021-heden Docent Literair Schrijven aan RITCS.
2023 Schrijft het Boekenweekgeschenk, De eerlijke vinder.
2023 Trouwt met haar partner, auteur Rob van Essen.
2023 De verfilming van Het smelt gaat in première op het Sundance filmfestival.
2024 Nieuwe boek Autobiografie van mijn lichaam verschijnt.
Lize Spit woont met haar echtgenoot Rob van Essen en hun kat ‘Poes’ in Brussel.
Fotografie: Jouk Oosterhof
Haar en make-up: Elke Binnemans voor Sisley Paris
Postproductie: Jan Hibma
Assistant-fotografie: Laura van Mosselveld
Geselecteerd door de redactie
Lees hier alle artikelen over dit thema
Source: Volkskrant