Na het recente geweld tegen Israëlische voetbalsupporters in Amsterdam, waarschuwen bewindslieden en fractievoorzitters voor een falende integratie. Maar deze analyse mist de kern: Nederland heeft geen integratieprobleem, maar een uitsluitingsprobleem waar we collectief aan bijdragen.
Als vader van een kind met een Nederlandse moeder (blond haar, blauwe ogen) en zelf een Nederlander met een Marokkaanse achtergrond, zie ik dagelijks hoe segregatie en uitsluiting werken. Mijn 5-jarige Amsterdamse zoon groeit door co-ouderschap op in twee steden: in Haarlem zit hij op een ‘witte’ school waar bakfietsen het straatbeeld domineren en ik als Marokkaanse man opval tussen de ouders. In Almere traint hij bij een voetbalclub waar zijn team voornamelijk bestaat uit kinderen van kleur. Deze twee werkelijkheden komen zelden samen.
Dit microvoorbeeld illustreert een breder maatschappelijk probleem: we leven steeds meer in gescheiden bubbels. We ontmoeten nauwelijks nog mensen die anders denken of er anders uitzien dan wijzelf. In plaats daarvan praten we óver elkaar, gevoed door nieuwsbubbels die onze vooroordelen bevestigen. Deze zelfgekozen segregatie versterkt wederzijdse uitsluiting: wie zich buitengesloten voelt, sluit zich af van anderen.
Over de auteur
Abdelilah Ouaali is communicatieadviseur bij een reputatiebureau. Dit is een ingezonden bijdrage, die niet noodzakelijkerwijs het standpunt van de Volkskrant reflecteert. Lees hier meer over ons beleid aangaande opiniestukken.
Eerdere bijdragen in deze discussie vindt u onder aan dit artikel.
De patronen van uitsluiting zijn overal zichtbaar. Sommigen sluiten onbewust mensen met een andere huidskleur uit, anderen weren Joodse mensen vanwege de oorlog in het Midden-Oosten. De ‘woke-beweging’ wordt verweten de witte man uit te sluiten, terwijl conservatieven worden beschuldigd van het buitensluiten van de lhbti-gemeenschap. Deze uitsluitingsmechanismen komen voort uit angst of een gevoel van onrechtvaardigheid.
Het gevaarlijke aan deze ontwikkeling is dat groepen steeds homogener worden. Mensen trekken zich terug in kringen waar ze zich wel geaccepteerd voelen. Kijk maar naar een willekeurig feestje: hoe vaak ontmoet je daar nog mensen met fundamenteel andere opvattingen? En als ze er al zijn, voelen ze zich er wel thuis?
Natuurlijk moet onaangepast gedrag − of dit nu in een klas, sportteam, op de werkvloer of in een stad plaatsvindt − worden aangepakt. Deze mensen hebben coaching, begeleiding of soms zelfs straf nodig. Maar we kunnen niet elk incident aangrijpen om het thema integratie uit de mottenballen te vissen. De vraag die we onszelf moeten stellen is: hoe omarmen we de grote groep mensen met een biculturele achtergrond die wel meedoet?
Want we doen mee, we passen ons aan, maar behouden wel onze eigen identiteit. Vroeger probeerde ik die identiteit te verloochenen om erbij te horen, tot ik besefte dat het juist een kracht is waarmee ik kan bijdragen aan deze samenleving. We denken Nederlands, dromen Nederlands, juichen voor Oranje, eten pindakaas, vieren Sinterklaas, zijn direct, hebben een grote bek en vinden dat we te veel belasting betalen. Het enige wat we niet kunnen veranderen, is ons uiterlijk. Hoever moeten we nog gaan om erbij te horen?
De uitdaging voor onze multiculturele samenleving is om alle groepen binnenboord te houden. Dat vraagt om meer dan alleen economische en politieke stabiliteit − sociale cohesie is essentieel. Juist nu het publieke debat wordt gedomineerd door polarisatie en verharding, moeten we investeren in het insluiten van álle burgers. Er is behoefte aan moreel leiderschap dat verder kijkt dan simplistische verhalen over ‘integratieproblemen’. Dit vraagt om leiders die erkennen dat uitsluiting en systemische vooroordelen ten grondslag liggen aan veel maatschappelijke spanningen. In plaats van polarisatie te versterken, kiezen zij voor inclusie en sociale cohesie, zelfs als dit op korte termijn politiek minder aantrekkelijk is.
De minister-president zou hier concreet invulling aan kunnen geven door, net zoals eerder Mariëtte Hamer werd aangesteld als regeringscommissaris voor grensoverschrijdend gedrag, een vergelijkbare rol in te stellen voor het thema uitsluiting en inclusie. Iemand als de Joods-Nederlandse theatermaker Jaïr Stranders, met zijn verbindende kracht en diepe begrip van verschillende gemeenschappen, zou uitermate geschikt zijn voor deze positie.
Daarnaast is het belangrijk om ruimtes te creëren waar mensen elkaar echt kunnen ontmoeten en luisteren zonder direct in debat te gaan. Een goed voorbeeld hiervan is platform Nieuw Wij, dat interculturele en interreligieuze dialogen faciliteert door heel Nederland. Dit soort initiatieven bieden veilige plekken waar mensen in gesprek kunnen gaan over thema’s zoals discriminatie, identiteit en gedeelde waarden, en dragen bij aan het doorbreken van bubbels.
Natuurlijk zijn er altijd 'rotte appels' die niet willen meedoen aan een inclusieve samenleving. Maar wanneer we het gedrag van enkelen gebruiken om hele bevolkingsgroepen als probleem te bestempelen, versterken we alleen maar het gevoel van uitsluiting. Het is tijd dat we eerlijk in de spiegel kijken en erkennen dat de oplossing niet ligt in nog meer polariserend gepraat over integratie, maar in het actief doorbreken van de uitsluitingsmechanismen die we zelf in stand houden.
Wilt u reageren? Stuur dan een opiniebijdrage (max 700 woorden) naar opinie@volkskrant.nl of een brief (maximaal 200 woorden) naar brieven@volkskrant.nl
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant