Ruim tien jaar na zijn dood ligt er nu een biografie van Hugo Brandt Corstius, taalkundige en vooral columnist, onder vele pseudoniemen. Elsbeth Etty’s boek is alleen als tijdsbeeld van de vrijmoedige jaren zeventig, tachtig en negentig al de moeite waard.
schrijft voor de Volkskrant over literatuur, non-fictie en onderwijs.
Vergeten is hij nog niet, Hugo Brandt Corstius (1935-2014), al was het maar omdat veel van zijn bewonderaars uit de jaren zeventig, tachtig en negentig van de vorige eeuw nog leven en vaak nog schrijven, en hij een voorbeeld was voor veel schrijvers en columnisten.
In menig links-intellectueel huishouden trok men elkaar de Volkskrant of Vrij Nederland uit handen om het nieuwe stukje te lezen van Piet Grijs, Battus, Raoul Chapkis, Jan Eter, Victor Baarn, Maaike Helder en Stoker, of een van de andere pseudoniemen waaronder de taalkundige Hugo Brandt Corstius schreef. Wie nam hij vandaag weer te grazen?
Het werd hoog tijd voor zijn biografie, ruim tien jaar na zijn dood. In 2015 was Liesbeth Koenen, taalkundige, wetenschapsjournalist en columnist, daar al mee begonnen. Ze nam het persoonlijke archief door, ordende de correspondentie en deed interviews.
Helaas werd zij ziek en overleed ze, in 2020. Ze was nog niet begonnen met schrijven; wel had ze in een podcast verslag gedaan van haar bevindingen. Elsbeth Etty, literair criticus en biograaf van Henriëtte Roland Holst en Willem Wilmink, nam het werk over en schreef de biografie. Daarbij maakte ze gebruik van Koenens interviews en documentatie, waarna ze haar eigen onderzoek deed; in het voor- en nawoord geeft ze terecht credits aan Koenen.
Etty’s boek geeft een goed overzicht van de duizelingwekkende hoeveelheid artikelen (meestal later gebundeld) van Brandt Corstius, die zijn schrijfcarrière in 1957 begon in het studentenblad Propria Cures en sindsdien onvermoeibaar ten strijde trok tegen de domheid en huichelachtigheid die hij overal ontwaarde, tegen racisme en seksisme. Hij kon aanvallen, kwetsen, onderuithalen, teisteren en beledigen als geen ander, op het meedogenloze af, en had een botte, kraakheldere, geestige schrijfstijl. Het is geen straf om hem terug te lezen.
Onder zijn echte naam was hij een taalkundige met banen aan de universiteiten van Amsterdam en Rotterdam; hij bestudeerde computertaal en de mogelijkheid van een vertaalcomputer. Een taalvirtuoos was hij ook, een briljant knutselaar met woorden, lettergrepen en letters; die waren er om te tellen, classificeren, spiegelen en om te draaien. Zijn verbluffende boek Opperlandse taal- en letterkunde (1981), of liever dat van Battus, werd een bestseller. ‘Battus’ was Grieks voor stotteren, hij stotterde zelf en stelde: ‘De Opperlander stottert met opzet.’
Naast zijn baan en die duizenden columns schreef Brandt Corstius ook vele boekbesprekingen en essays, onder andere voor NRC en Hollands Maandblad, en had hij rubrieken in Trouw, Het Parool en Onze Taal. Zijn concentratie en werkdrift moeten enorm geweest zijn. Zelf noemde hij zich ‘een asperge’, iemand met het syndroom van Asperger: extreem gefocust, onverstoorbaar, niet erg empathisch.
Hij schreef zichzelf definitief de geschiedenis in met de P.C. Hooftprijs 1984 voor beschouwend proza; niet door die te krijgen of te weigeren, maar omdat hij te gevaarlijk werd geacht voor die staatsprijs – hoger kun je als gevreesde columnist niet stijgen. Niet eerder was de voordracht van een kandidaat door een jury voor deze prijs niet gevolgd; nu wilde minister van Cultuur Elco Brinkman Brandt Corstius de prijs niet uitreiken omdat Brandt Corstius ‘het kwetsen tot instrument had gemaakt’.
Het ingrijpen van de minister veroorzaakte grote verontwaardiging en fel protest – ‘censuur!’ – maar niemand ontkende dat Brandt Corstius onbekommerd publiekelijk kwetste, waarbij hij niet terugdeinsde voor verwijzingen naar Hitler, Goebbels en de gaskamers. Over Onno Ruding, de minister van Financiën die de toestroom naar de bijstand wilde beperken, had hij als Piet Grijs geschreven dat deze uit zou zijn op ‘de Endlösung’ van bijstandsgerechtigden, hij zou ‘de Eichmann van onze tijd’ zijn.
Uiteindelijk kreeg en accepteerde Brandt Corstius de prijs in 1988 wél, maar het was een andere prijs; besloten was om de staatsprijs af te schaffen en voort te zetten als prijs van een onafhankelijke stichting. En zo schreef Brandt Corstius weer geschiedenis, als eerste schrijver die een staatsprijs om zeep had gebracht.
De biografie die Elsbeth Etty over Brandt Corstius schreef, is alleen al als tijdsbeeld van de vrijmoedige jaren zeventig, tachtig en negentig de moeite waard. Het waren gouden tijden voor de columnisten, voor de journalistiek en de polemiek. Iedereen die links was las Vrij Nederland en de Volkskrant, en vaak nog andere kranten en tijdschriften. De emoties liepen hoog op, er vielen scheldwoorden en beledigingen, het debat ontspoorde vaak en de lezer smulde.
Brandt Corstius vocht zijn vetes soms decennia uit via zijn columns, met politici (ook oud-studiegenoot Frits Bolkestein moest het ontgelden, hij was volgens Brandt Corstius ‘een racist’, die ‘aanstuurde op een rassenoorlog’), maar ook met collega-columnisten. Zoals Renate Rubinstein, die hij aanviel op haar verdediging van de omstreden Friedrich Weinreb en van de plaatsing van kruisraketten, op haar houding tegenover het feminisme en meer ‘rechtse’ standpunten en Theo van Gogh, die hij een antisemiet noemde.
Ook met schrijver W. F. Hermans, die net zo’n grote bewonderaar van Multatuli was als Brandt Corstius, voerde hij een pennenstrijd; Hermans noemde zelfs een essaybundel Malle Hugo (1994). ‘Veelnaam’, zoals Rubinstein hem noemde, en zijn vijanden leken op elkaar: eigenzinnig, tegendraads, zichzelf herhalend, en vooral overtuigd van het eigen eikenhouten gelijk. Ze leefden op bij conflicten en wisten bij al die vijandschappen een uitstekend humeur te behouden.
Hoewel Etty zich inhoudelijk niet mengt in de conflicten die zij beschrijft, houdt ze zich niet helemaal afzijdig. Als Brandt Corstius ‘vergeet’ om in zijn proefschrift Gerard Kok te bedanken, een collega op wiens werk hij zwaar leunde, schrijft ze: ‘Zo ambitieus was Hugo dat hij er geen been in zag met andermans veren te pronken’.
Ook klinkt verbijstering door over de opvoeding die hij zijn drie kinderen gaf. Na de dood van zijn eerste vrouw Tatje, in 1981, was hij alleenstaande vader. Hij was altijd aan het werk, de kinderen mochten hem niet storen en werden vaak aan hun lot overgelaten. Na hun eindexamen – hun vader was inmiddels getrouwd met Ina Rilke – schopte hij ze meteen de deur uit.
Opzienbarende onthullingen doet Etty ook, vooral over het liefdesleven van Brandt Corstius. Liesbeth Koenen was erachter gekomen dat hij, naast vriendinnetjes, tussen 1954 tot 1960 een liefdesrelatie heeft gehad met Hans van den Bergh, de latere toneelcriticus en hoogleraar Letterkunde, die met hem in het dispuut Breero van het Amsterdams Studenten Corps zat. ‘Toot’ was zijn bijnaam.
Hun relatie was blijkens hun brieven hartstochtelijk – Hugo verlangt naar ‘dat zweverige, zwaarteloze geluk’ – en moest strikt geheim blijven. Hugo’s psychiater meende dat ‘mijn homoseksualiteit in feite alleen maar een vrouwenfobie zal blijken’. Beide mannen zouden trouwen en kinderen krijgen, Hugo had vaak relaties met meerdere vrouwen tegelijk – hij was nu eenmaal niet monogaam – maar ‘Toot’ bleef altijd een goede vriend.
Dat gold niet voor die andere jeugdliefde, Renate Rubinstein, voor de Propria Cures-redacteur zijn droomvrouw. Net als alle andere mannen van de redactie was hij wanhopig verliefd op haar. Eventjes hadden ze een relatie. Hij wilde met haar trouwen (‘ik bied je mijn liefde en maandsalaris’), maar zij hield hem aan het lijntje en wees hem uiteindelijk af, waarna hij in een crisis raakte, haar stalkte en met zelfmoord dreigde. Piet Grijs zou haar verbeten bestrijden.
Etty bewaart een mooi evenwicht tussen het werk en het privéleven van Brandt Corstius, en maakt aannemelijk dat juist deze man dít in al zijn versnippering consistente oeuvre maakte. Het einde van dit schrijversleven is tragisch, en liefdevol beschreven. De hyperintelligente, scherpzinnige taalvirtuoos leed op het eind van zijn leven aan een vorm van Alzheimer waarbij vooral het taalvermogen werd aangetast – wrede ironie van het toeval. ‘Jij moet mij vermoorden, ik kan me niet meer uitdrukken’, waren de laatste woorden die hij tegen zijn vrouw sprak.
Elsbeth Etty: Ik heb nog nooit gelogen – Hugo Brandt Corstius 1935-2014. Querido; 576 pagina’s; € 34,99.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant