Home

‘Inconsequent gedrag hoort bij idealisme, omarm het’

Toen hij inzag dat de kerk meer met zichzelf bezig is dan met leed en onrecht in het hier en nu, besloot Johannes van den Akker zijn geloof naar ‘de randen van de maatschappij’ te brengen. Resultaat: een klooster in Amsterdam en Idealenscholen door het land.

schrijft voor de Volkskrant over zingeving.

Voor iemand die zich een ‘van-negen-tot-vijfidealist’ noemt en niet meer dan vier dagen werkt, is Johannes van den Akkers lijst met ideële bezigheden indrukwekkend lang. Als medeoprichter van het adviesbedrijfje Hoe Dan Wel helpt hij organisaties en ondernemers hun idealen te verwezenlijken. Bij de mede door hem begonnen Idealenschool steunt hij iedereen die ‘iets goeds’ wil doen.

Ook is Van den Akker abt van het Kleiklooster, een christelijke leefgemeenschap in de Amsterdamse Bijlmer met zo’n vijftien bewoners, bestaand uit alleenstaande moeders met kinderen, zijn vrouw en hun vijf kinderen. Van bierbrouwerij Kleiburg, die aan het klooster is gelieerd, is hij eveneens de spil. En dan is hij nog voorzitter van de VRL, de Vereniging Religieuze Leefgemeenschappen.

Over deze serie
In Het Ideaal interviewt Fokke Obbema mensen die hun leven aan een ideaal wijden.

De rode draad van al deze bezigheden is ‘eenvoudigweg het goede willen doen’. De 40-jarige Johannes van den Akker wil dat in alle dimensies van zijn bestaan: ‘Mijn ideaal moet mijn hele leven doordesemen. Wat ik zeg en wat ik denk, hoe ik werk en hoe ik leef, het is voor mij allemaal met elkaar verbonden door het verlangen naar het goede. Maar dan wel voor zover dat binnen mijn bereik ligt; ik ben een pragmatisch idealist.

‘De hele wereld ga ik niet veranderen. En het lukt me ook lang niet altijd het goede te doen. Maar dat is niet erg. Omarm de inconsequenties, zeg ik vaak tegen mezelf en anderen. Zolang je maar stappen in de goede richting zet.’

Zijn leven is gekleurd door een diepgewortelde overtuiging: mooie woorden zijn niets waard zonder bijbehorende daden. Die gedachte vormt zich bij hem in de jaren tachtig en negentig, opgroeiend in het Groningse boerendorp Roodeschool. Zijn ouders gelden er als ‘import’ – zijn vader is leraar op een gereformeerde basisschool in een naburig dorp. Zijn moeder wijdt zich aan vrijwilligerswerk en aan haar zes kinderen, van wie Johannes de vijfde is en de enige zoon.

Binnen de conservatieve boerengemeenschap valt het op dat het gezin geen auto bezit – voor Johannes een aansprekend bewijs dat een overtuiging ook praktische gevolgen kan hebben: ‘Dat mijn ouders afzagen van autobezit, vloeide voort uit hun diepe liefde voor de natuur.’

De gereformeerde boeren uit het dorp verbonden geen consequenties aan hun religieuze opvattingen, zag hij: ‘Zondag ging het over respect voor de Schepping, maandag strooiden ze gif over de aarde.’ Zijn kritische levenshouding leidt tijdens zijn studie theologie tot toenemende afstand van de gereformeerde kerk ‘die zich meer met een Koninkrijk Gods in de verre toekomst bezighoudt, dan met het leed en onrecht in het hier en nu’.

U begon met een studie bouwkunde in Delft, stapte over naar theologie en botste vervolgens met de kerk. Hoe is dat zo gelopen?

‘Bij bouwkunde draaide het erg om de beste zijn – je moest je tekeningen aan de groep presenteren en er dan mooie praatjes bij houden. Ik vond het lastig mezelf zo op de voorgrond te plaatsen, voor mij was het te veel een ego-studie. Ik miste de sociale dimensie; hoe je van betekenis kunt zijn voor anderen speelde er geen enkele rol.

‘Tijdens die studie kreeg ik een brief van mijn dominee uit Groningen, die vroeg of theologie niet iets voor me was. Aanvankelijk stoorde me dat, maar na anderhalf jaar heb ik toch de switch gemaakt. Vanwege mijn bezwaren tegen bouwkunde, maar ook omdat ik via theologie dacht de kerk te kunnen veranderen.’

Waarom wilde u dat?

‘Ik wilde dat de kerk zich veel nadrukkelijker tegen ongelijkheid en onrecht in de wereld zou keren, in plaats van zich druk te maken over vragen als: welke psalmen mogen we zingen in de kerk? Als student schreef ik een kritisch opiniestuk voor het Nederlands Dagblad, waarin ik betoogde dat de kerk veel te veel met zichzelf bezig was.

‘De energie ging vooral in de zondagsdienst zitten, niet in de vraag: wat doen we in de buitenwereld? Dat zie je ook terug in de geldstroom: 90 procent voor het gebouw en de dominee, dus voor de kerk, maar 10 procent voor maatschappelijk relevante zaken. Dat zou minstens fiftyfifty moeten zijn.’

Leidde die kritische houding tot een breuk?

‘Voor mij is het geloof altijd belangrijk gebleven, als blik op de wereld. Het stelt me in staat te bepalen waarvoor ik op aarde ben, biedt me een kader waarbinnen ik al mijn vragen kan stellen. Ik heb er moeite mee wanneer het geloof alleen wordt gebruikt voor een goed gevoel op zondag — je eigen zielenheil fixen, zonder dat je iets wilt veranderen in de wereld.

‘Alleen maar hopen op een Koninkrijk Gods dat ooit misschien komt, vind ik een veel te smalle benadering. In de kerk kom je die veel tegen, daarom heb ik moeite met het instituut. Mijn vrouw en ik zijn terechtgekomen bij Stroom, een Amsterdamse kerkplanting van de vrijgemaakte, gereformeerde kerk die zich daarvan heeft losgemaakt. Daar voelen we ons bij thuis.

‘Mijn aanvankelijke plan om dominee te worden en de kerk te veranderen heb ik laten varen. In plaats daarvan ben ik met mijn geloof de randen van de maatschappij gaan opzoeken. Daar wordt de relevantie ervan getest, niet als je onder gelijkgestemden blijft. Met alleen maar met mooie woorden kom je aan de randen niet weg – je moet er met daden je bestaansrecht bewijzen.’

Kunt u dat concreter maken?

‘Waar ik erg blij van word, is anderen helpen in beweging te komen. Dat gebeurt bij de Idealenschool die mijn werkpartner Suzan Doodeman en ik hebben opgezet. Het is een praktijkschool voor idealen – we begeleiden mensen die hun persoonlijke ideaal vorm willen geven. We zijn vorig jaar begonnen, en nu al draait hij in verschillende gemeentes, zoals Amsterdam, Groningen, en Utrecht.

‘ In zes sessies reiken we mensen een methode aan om hun ideaal handen en voeten te geven. Daarna komen ze meestal daadwerkelijk in actie. Bijvoorbeeld een jongen die bij ons kwam, omdat hij iets aan telefoonverslaving wilde doen. We zijn hem gaan helpen, en nu organiseert hij smartphone-vrije weekenden en geeft hij trainingen.

‘Ja, we vragen daarvoor geld. Ik geloof niet in gratis — mensen moeten er iets voor over hebben, dan zijn ze meer gemotiveerd. Bovendien kunnen we zo onze docenten betalen. Maar we houden de drempel zo laag mogelijk — het lesgeld voor onze avondschool hebben we onlangs verlaagd van 485 naar 250 euro. Dat gaat ten koste van wat we zelf verdienen, maar die prijs betalen we graag. Nu het zo blijkt aan te spreken, willen we de Idealenschool in Nederland zo groot mogelijk maken.’

Tegen welke problemen lopen beginnende idealisten aan?

‘Wanneer je je eerste stappen in kaart brengt, kunnen die erg klein lijken – er is dan een discrepantie met je grote ideaal. Ga je bijvoorbeeld één dag per week op scholen voorlichting geven over het klimaatprobleem, dan kun je gemakkelijk denken: dit stelt helemaal niks voor, de aarde gaat hierdoor echt niet afkoelen. Dat kan demotiverend werken.

‘Iedere stap is per definitie klein, leggen we dan uit, maar gezamenlijk zijn ze wel degelijk van betekenis. Verder vinden mensen het soms moeilijk hun ideaal praktisch een plek te geven – samen een weekschema opstellen kan dan al helpen. In mijn ogen lopen er in Nederland heel veel mensen met idealen rond, alleen weten ze dat soms niet van zichzelf.

‘Een idealist wordt nogal eens geassocieerd met iemand die zich aan de A12 vastlijmt, maar zo opvallend hoeft het natuurlijk niet te zijn. Vuil prikken op straat is ook idealistisch. Of in een buurthuis achter een naaimachine gaan zitten om kleding van anderen te repareren.

‘We zien dat mensen bang zijn voor kritiek als ‘het stelt niets voor wat je doet’ of: ‘Je bent niet consequent door iets voor het klimaat te doen, want je vliegt nog steeds’. Daar stellen wij tegenover: inconsequent gedrag hoort erbij, omarm het.’

U bent ook abt van het Kleiklooster. Hoe past dat bij uw idealen?

‘Voor mij gaat dat om het concreet maken van christelijke waarden als barmhartigheid, gastvrijheid en gerechtigheid. Aanvankelijk dacht ik daarvoor aan een buurthuis, maar een leefgemeenschap is krachtiger, want daaraan verbinden meerdere mensen zich voor langere tijd. We hebben gekozen voor een klooster, omdat dat ook een plek van geloof is. Zo is er iedere avond een gebed in onze kapel (een omgebouwde slaapkamer, red.) waarbij het iedereen vrij staat eraan mee te doen.

‘Bovendien is het een klooster, omdat het gastvrij voor iedereen is, ongeacht of je wel of niet gelovig bent. We bieden opvang aan mensen zonder huis, vaak alleenstaande moeders met kinderen.

‘Bijkomend voordeel is dat mijn kinderen dit soort maatschappelijke problemen meekrijgen, wat ze inzicht in de wereld geeft. Ook ervaren ze dat de christelijke waarden die ik belangrijk vind, praktische betekenis hebben.’

Bestaat niet het risico dat uw principes belangrijker worden dan het kind?

‘Daarvoor moet je inderdaad oppassen, het is permanent zoeken naar het evenwicht. Voordat we begonnen, maakte ik een rondgang langs abts van kloosters. Die waarschuwden me voor een loyaliteitsprobleem, omdat binnen onze leefgemeenschap zich nog een gemeenschap bevindt, namelijk ons gezin.

‘Dat klopt: soms willen de kinderen bijvoorbeeld iets met alleen het gezin ondernemen. Daar luisteren we naar, zoals we uiteindelijk ook naar ze hebben geluisterd toen we enkele vrijdagmiddagen moeders met kinderen op de stoep hadden staan. We hebben toen geïmproviseerd door de kinderen uit hun slaapkamers te halen en die mensen onderdak in ons huis te geven.

‘Maar dat leidde tot protest van onze kinderen. Die vonden het oneerlijk dat zij hun slaapkamer aan wildvreemden moesten afstaan, terwijl wij als ouders in onze eigen slaapkamer bleven. Daarin moest ik ze gelijk geven.

‘Een veilig en goed gezinsleven vormt een grens aan wat je voor anderen kunt betekenen. Maar tegenover dit soort problemen staat veel positiefs. Mijn kinderen leven veel minder dan andere kinderen in een bubbel – ze leren om te gaan met andere culturen en wat tolerantie inhoudt.’

Wat hoopt u nog te bereiken?

‘Met het Kleiklooster wil ik nog zeker tien jaar doorgaan. Ik zou graag meer opvangplekken creëren – nu moeten we vaak ‘nee’ verkopen, dat blijf ik iedere keer lastig vinden. Verder hoop ik op meer van dit soort gemeenschappen van tolerantie en solidariteit, dat zou goed zijn voor de wereld. Vandaar ook de Vereniging Religieuze Leefgemeenschappen waarbij ook een training hoort. De leden hebben er veel ervaring mee, dus zij kunnen aardig wat inzichten delen.

‘Wat de Idealenschool betreft, hoop ik dat er eentje in iedere gemeente in Nederland komt. Het is eigenlijk verwonderlijk dat zo’n soort initiatief niet al veel langer bestaat. Cursisten komen er vanzelf op af, er zijn zo veel mensen die met idealen rondlopen. Ik ben niet positief gestemd over waar de wereld heen gaat, maar wel over het feit dat zovelen daar oog voor hebben en bereid zijn in actie te komen.’

Boektip: Tot in de hemel, Richard Powers

‘Na het lezen van dit boek voel je echt verdriet als er ergens een boom wordt gekapt. Maar deze roman gaat over nog veel meer dan de bomenwereld: over activisme, eigenaarschap in deze wereld, het streven naar eindeloze economische groei en de kortzichtigheid daarvan. Maar vooral fascinatie voor de ons zo onbekende bomen. Geweldig!’

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next