Home

Het Stedelijk Museum heeft weer een beeldentuin, nu binnen. Passen de statige beelden nog bij hun visie?

Zaterdag opent voor het publiek de beeldenhal, die vroeger een tuin was. Het weerzien is warm, maar de beelden op hun sokkels brengen ook de statigheid terug waarmee het museum juist wel klaar leek te zijn.

schrijft voor de Volkskrant over beeldende kunst.

Het was vanaf de jaren zestig lange tijd een van de redenen – voor sommigen de belangrijkste – om het Stedelijk Museum in Amsterdam te bezoeken: de beeldentuin, rond het terras en pierenbadje aan de achterzijde van het gebouw. Je sprak er in de zomer af, zat met je voeten in het water en nam een slok van je glaasje wijn of flesje prik.

Velen liepen daarna door, de museumzalen in; anderen keerden huiswaarts, even voldaan als na een bezoekje aan het echte werk, de kunstwerken binnen. Begrijpelijk. Want ook het parkje, aan wat nu het Museumplein is, stond tjokvol met sculpturen. En niet van de minste kunstenaars.

In het pierenbadje ratelde een roestige mobile van Jean Tinguely. Aan de rand ervan lag een rondborstige, bronzen dame te zonnen van Henri Laurens. Op het dak van het restaurant stond de witte ‘knoop’ van Shinkichi Tajiri. Verderop had Carel Visser met vier kubussen een totempaal gestapeld.

Precies dezelfde plek

Oude tijden lijken inmiddels te herleven. Zaterdag opent voor het publiek de hernieuwde binnentuin, indoor welteverstaan, maar wel precies op dezelfde plek waar zich vroeger de tuin bevond, in wat nu het entreegebied is van het in 2012 gerenoveerde en heropende museum.

De door bureau Benthem Crouwel ontworpen lichte architectuur – de ‘badkuip’ – heeft in de loop der jaren de nodige veranderingen ondergaan. Er stonden onhandige toegangspoortjes en al dan niet verrijdbare kassa’s; bezoekers konden boeken, tijdschriften en artistiek verantwoorde pretartikelen kopen in een winkel die steeds verder uitdijde; er werd geëxperimenteerd met zitjes en koffiebalies; aan het plafond hing ineens een scherm voor videokunst uit de collectie; achterin bevond zich de garderobe. En dat alles in steeds wisselende combinaties.

En nu? De afgelopen weken is alles opgeschoond en strakgetrokken. De veredelde boekhandel is tegen de achterwand geplakt, de garderobe ondergronds gegaan, de kassabalie veranderd in een roestvrijstalen ‘pay wall’, die als een ‘space divider’ moet dienen, zoals directeur Rein Wolfs graag in het Engels uitlegt, tussen de publieke en gratis toegankelijke ruimte ervoor en de betaalde erachter.

Baadster ligt er nog steeds

Belangrijk gevolg daarvan: er is visueel plaats gemaakt voor een ‘sculpture hall’, eh, de beeldentuin. Een nieuwe, waarin overigens nog veel werk herinnert aan hoe het vroeger was, buiten. Zo ligt Henri Laurens’ voluptueuze baadster nog steeds te zonnen, maar nu onder lamplicht; staat de totempaal van Carel Visser nog fier overeind; valt de knoop van Shinkichi Tajiri op precies dezelfde plek te bewonderen; net als de liggende vrouw van Henry Moore.

Aan het vroegere assortiment zijn enkele nieuwe werken toegevoegd. Zoals de schitterende ‘volleybalspeelster’ van Paulina Olowska, Rebecca Warrens beschilderde bronzen rondborstige vrouw en de stalen ‘duikplank’ van Anne Imhof.

Als buitenbeentje en eyecatcher tussen de veelal metalen sculpturen heeft het Stedelijk een (dode) zebra op sterk water van Damien Hirst bemachtigd; een bruikleen uit de collectie van de Don Quixote Foundation, de stichting die ook financieel heeft bijgedragen aan de herinrichting.

Blijft de vraag of dit inpandige beeldenpark, als een terugkeer van de oude versie, wel dé manier is om je te profileren als museum dat niet alleen de moderne kunst omarmt, maar ook hedendaags wil zijn, zoals Wolfs benadrukt. Eigentijds dus. Een museum dat het ongewisse van vernieuwende kunst laat zien.

Klassieke statigheid

Wat blijkt: maar liefst twaalf van de vijftien beelden zijn vóór 2000 gemaakt, vervaardigd in een materiaal dat tegen een stootje kan. En tegen de regen. Buiten. Leek in 2017 met het ophangen van het videoscherm de reuring van de museumzalen ook bij de entree te zijn geïntroduceerd, met donkere beelden op witte sokkels is de klassieke statigheid weer terug.

Wat in de jaren zestig een prikkelende noviteit was – koffiedrinken, afspreken en verpozen tussen artistiek brons – is met de herplaatsing, zestig jaar later, niet langer het toppunt van opwinding en actualiteit. En niet het meest enerverende visitekaartje dat het museum aan de buitenwereld af kan geven.

Tijdens de perspresentatie afgelopen week viel herhaaldelijk het woord ‘functionaliteit’. Niet alleen uit de mond van directeur Wolfs, ook uit die van architect Paul Cournet, medeverantwoordelijk voor de herinrichting. Beiden memoreerden dat esthetiek wel een rol in de keuze van deze beeldengroep heeft gespeeld, maar dat de inrichting vooral een kwestie was van ‘functie’, ‘bruikbaarheid’ en ‘systematiek’.

Het zijn woorden die architect Mels Crouwel had kunnen gebruiken, de bedenker en ontwerper van de badkuip, die zo veel overeenkomsten vertoont met de passagiershal van Schiphol Plaza die ook door zijn bureau is ontworpen. Een hal die in zijn functie, bruikbaarheid en systematiek op de entreeruimte van het Stedelijk lijkt, als het erom gaat hoe je een mensenmassa zo efficiënt en veilig mogelijk door een open ruimte kan leiden.

In die zin staan de sculpturen tussen espressomachine en zitmeubilair in de Don Quixote-beeldentuin nu ook zo opgesteld: als bezoekers die weinig schade kunnen aanrichten.

Op zaterdag 16/ 11 is het Stedelijk Museum in Amsterdam gratis te bezoeken, niet alleen de heringerichte entree, ook de zalen. Er zijn workshops en rondleidingen en is er een optreden van rapper Sef.

Klaar? Vergeet de doorleessuggesties niet.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next