Suzanne Raes vatte haar drakenfascinatie in twee films, die niet rechtstreeks, en uiteindelijk ook niet, over draken gaan. Haar Downton Abbey-achtige familieportret Where Dragons Live gaat in première op Idfa.
is filmredacteur van de Volkskrant.
Kunnen we de twee nieuwe documentaires van Suzanne Raes ‘de drakenfilms’ noemen? Of toch niet?
Haar producent Ilja Roomans denkt van niet, waarschuwt de filmmaker die zich buiten op het terras laat interviewen, op een warme herfstdag in de hoofdstad. ‘Hou nou eens op met dat ‘drakenfilms’, zegt ze steeds tegen me.’
Bioscoopbezoekers kiezen hun documentaires toch vooral uit op het onderwerp. En draken, weet ook Raes (55), leggen het daarbij af tegen meer wereldse zaken. Bij de diverse film- en omroepfondsen, waar ze ruim tien jaar geleden al een eerste subsidieaanvraag deed voor haar drakenfilmplan, staarde men de ervaren regisseur (Dicht bij Vermeer, De Dijk - Hou me vast) meewarig aan. ‘Waarom niet over eenhoorns?’, was in de reactie van het NPO-fonds te lezen. Raes: ‘Ik heb nog nooit zoveel afwijzingen gekregen.’
Downton Abbey, die Engelse hitserie over de kasteelbewonende klasse, dát is wel een geschikte wervende (en niet onterechte) referentie voor Where Dragons Live, de documentaire van Raes die vrijdagavond in première gaat op Idfa. ‘Ja, of Harry Potter’, oppert de filmmaker. In de film volgen we beeldend kunstenaar Harriet Impey en haar drie broers, die kort na het overlijden van hun veeleisende moeder (neurowetenschapper Jane Mellanby) het nabij Oxford gelegen familiehuis uitruimen. Een spookachtig vervallen bouwsel, ooit aangeschaft met geld uit de verkoop van het middeleeuwse schilderij Sint Joris en de Draak. Volgestouwd met curiosa, inclusief de op sterk water gezette huisvaraan – vader bezat een serieuze drakenfetisj.
Middels de fraai door het kasteel en kasteeltuin dolende camera, oude 8mm-opnamen en herinneringen, ook van twee welbespraakte kleinkinderen, weeft Where Dragons Live een bitterzoet portret van een bevoorrecht en excentriek gezin. Over angsten gaat het: verborgen kamers, (te) hoge verwachtingen van de ouders voor hun kroost. Harriet mocht, anders dan haar broers, níét naar de Dragon School (de voorschool van Oxford, die écht zo heet), omdat ze volgens haar moeder te huilerig was.
Tijdens de eerste draaiperiode kampeerden Raes en haar cameraman Victor Horstink een tijd lang óp het kasteel – het was tijdens de pandemie. ‘De politie kwam ’s avonds langs, om te controleren of we wel binnen bleven. Gelukkig lag de vriezer daar vol eten, allemaal achtergelaten door Mellanby.’
Raes kende Harriet Impey al voor het overlijden van haar moeder, de Engelse beeldend kunstenaar (die ook draken tekent) woont en werkt in Nederland. ‘Van het eerste beeldmateriaal hebben we een soort trailer gemaakt, op basis daarvan is de film pas volledig gefinancierd. De draken vormden nog wel een rode draad, het hele kasteel zit er vol mee, van die hagedissen in weckflessen tot een enorme kast vol drakenliteratuur. Maar het is ook een verhaal over rouwverwerking en kinderangsten geworden, over dat gezin.’
Aanvankelijk zou de geschiedenis van de familie Impey slechts één verhaallijn zijn in de beoogde raamvertelling. De drakencultus in Japan zou een ander bestanddeel vormen, maar ook die in het Limburgse Beesel, waar al eeuwenlang het draaksteken wordt opgevoerd: een tegenwoordig groots zevenjaarlijks amateurtoneelspektakel, inclusief een waarlijk vuurspuwende mechanische draak. Raes volgde de totstandkoming van nabij voor Geluif in ’t goeje, Tweede Kerstdag te zien bij de NPO.
Ook deze documentaire wordt tekortgedaan met het lemma ‘drakenfilm’. Raes portretteert de dorpsgemeenschap, waarbij de aanstaande toneelopvoering als kapstok dient voor allerlei actuele sociale kwesties, van de omgang met verouderde rolpatronen (wie speelt de prinses, wie de stoere ridder?) tot het inburgeren van ‘vreemdelingen’.
Beesel liep uit voor de première, afgelopen september op het Nederlands Film Festival in Utrecht (drie bussen vol vanuit Limburg). ‘Toen we daar begonnen te draaien heb ik gezegd: dit wordt allemaal onderdeel van één grote drakenfilm. Tot ik moest bekennen dat ik het niet bij elkaar kreeg. De films groeiden uit elkaar, namen elk een andere afslag.’
Er klinkt enige spijt door als Raes het zegt. Alsof dat ene grootse drakendocumentaire-epos toch nog in haar hoofd zit. ‘Weet je wat het is? Als je één kind krijgt, komt iedereen kijken. Maar als je twee kinderen heel kort na elkaar krijgt, is dat toch ongebruikelijk. Ik was heel bang dat die twee films elkaar in de weg zouden gaan zitten. Terwijl ik aan beide films echt lang heb gewerkt, zeker vijf jaar. Ik had ook al een begroting voor het Aziatische deel van het oorspronkelijke filmidee, met allerlei reizen die ik wilde gaan maken. En toen brak de pandemie uit. We konden ook alleen nog maar filmen in een Limburgs dorpje en een kasteel in Oxford. Achteraf was dat ook ons geluk, weet ik nu.’
Where Dragons Live ging vorige zomer al in wereldpremière op het internationale documentairefilmfestival van Sheffield. ‘Ik wilde ook echt een internationale film maken. De editor David Arthur is Schots, en zoals veel Schotten heel erg gekant tegen de Engelse upperclass. Hij zei, voordat hij het ruwe beeldmateriaal had gezien: als het je lukt ervoor te zorgen dat ík van die zus en broers ga houden, dan doe je iets goeds. En dat lukte me.’
De film werd vooraf getest in theaters in Groot-Brittannië en Nederland. ‘Daar bleek ook wel uit dat het klassenverschil daar anders wordt beleefd. Bij ons is het toch vooral iets sprookjesachtigs. Wij zien de romantiek, terwijl daar ook weerzin bestaat tegen dat milieu. Zelf werd ik ook wel echt verliefd op de locatie: dat landhuis, die tuin. Maar uiteindelijk wil je niet dat het een soort Gert-Jan Dröge in Engeland wordt. Gluren bij de buren of zo, lekker naar rijke mensen kijken. Ik wilde dat het ook een herkenbaar verhaal werd.
‘Victor Horstink, de cameraman, filmde alles op een rustige, observerende manier. Het verbaasde ons hoe eloquent die kleinkinderen waren. Hoe scherp ze de familieverhoudingen zagen ook. Of als dat jongetje zegt: het universum is oneindig, dus ergens móéten er wel draken bestaan. Dat vind ik zo’n mooie sluitende redenering.’
Raes’ eigen bekering tot de draak dateert van zo’n twintig jaar geleden. ‘Mijn oudste zoon, toen 5 jaar, was totaal gefascineerd door draken. Zoals andere kinderen dat kunnen hebben met auto’s.’ Het begon met de aanschaf van heel veel kinderboeken over of met draken. Op vakantie een drakengrot bezoeken: de eerste grottekeningen van Sint Joris en de Draak, in Cappadocië.
‘Als je er eenmaal op let, kom je ze overal tegen. Alle grote beschavingen kennen wel een draakachtig mythisch figuur. Dus ik heb een drakenplankje ingeruimd in mijn boekenkast. Overal op de wereld zijn ook wel grote tanden of botten gevonden, zoals van de tyrannosaurus. Het is niet zo gek dat mensen daar een monster bij hebben bedacht – een rationele verklaring.
‘Maar er zijn ook theorieën die gaan over het oudste stukje van ons brein, waar de projecties van onze oerangsten zijn opgeslagen: vuur, klauwen, slangen. En dat mensen uit alle beschavingen daar monsters uit hebben gesmeed, om verhalen te kunnen vertellen. Net als mijn films gaan draken óók nooit over draken: de draak is een projectie van angst. De kinderangst in Where Dragons Live. Of de angst voor verandering binnen een gemeenschap, zoals in Geluif in ’t goeje. Beide films hebben iets sprookjesachtigs. Een upper class-sprookje, en een Limburgs sprookje.’
Komt er nog een derde film? ‘Dat hebben meerdere mensen tegen me gezegd: maak er nou nog eentje, dan heb je een drieluik. Het kan. Ha, ik zou er ook nog tíén kunnen maken. In Azië is de draak ook heel erg verbonden met natuurverschijnselen, zoals overstromingen en aardbevingen. Misschien dat ik nu ook wat makkelijker financiering vind, nu die twee films er zijn. Óf ze denken: heb je haar weer met die draken.’
Raes lacht. ‘Oja, had ik al gezegd dat dit ook het jaar van de draak is?’
Where Dragons Live is te zien op Idfa en vanaf 28/11 in de bioscoop. Geluif in ’t Goeje, 26/12, NPO 2.
Suzanne Raes regisseerde eerder onder meer de documentaires Dicht bij Vermeer (2023), Hart van de democratie (2020), Jochem Myjer - nog eentje dan (2020), Gantz: How I Lost my Beetle (2019), 0,03 seconde (2017), Boudewijn de Groot - kom nader (2015), De tegenprestatie (2015, Gouden Kalf beste korte documentaire), Hou me vast - De Dijk (2011), The Rainbow Warriors of Waiheke Island (2009).
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant