Home

Ruud Lubbers wilde altijd de beste zijn – tegen verliezen was hij dan ook niet bestand

‘De ware Lubbers is ongrijpbaar’, schrijven Johan van Merriënboer en Lennart Steenbergen aan het eind van Een slag anders, hun biografie van oud-premier Ruud Lubbers. Dat valt mee; uit het boek rijst het beeld op van een workaholic die altijd wilde uitblinken.

recenseert voor de Volkskrant boeken over politiek en openbaar bestuur.

Als je in de jaren tachtig als politiek verslaggever een praatje stond te maken met minister-president Ruud Lubbers, wist je eigenlijk nooit waar je aan toe was. Energiek ging hij het gesprek aan, maar al te vaak was zijn bijdrage eerder voer voor schriftgeleerden. Je dacht: wie van ons is nu in de war? Er klonk geen twijfel in de woorden van de premier. Maar iets klopte niet, vermoedelijk had het antwoord niets te maken met je vraag, maar het was moeilijk daar de vinger op te leggen.

Ruud Lubbers wendde bij die ontmoetingen steevast geïnteresseerde aandacht voor – altijd gebruikte hij wel een keer het warme woord ‘mieters’. Soms legde hij vol camaraderie een hand op je schouder, maar tegelijkertijd kon het je niet ontgaan dat zijn ogen alweer schichtig op zoek waren naar een volgende vluchtigheid. Altijd onrust, altijd onderweg. En nooit aankomen. Wat was dat toch?

‘De ware Lubbers is ongrijpbaar’, schrijven de historici Johan van Merriënboer en Lennart Steenbergen aan het eind van Een slag anders, hun biografie van Lubbers. Het tweetal is verbonden aan het Documentatiecentrum Parlementaire Geschiedenis van de Nijmeegse Radboud Universiteit.

Magere slotsom

‘Ongrijpbaar.’ Vinden zij dus ook al. Maar heb je voor zo’n conclusie nou vier jaar studie en achthonderd pagina’s nodig? Qua omvang en nauwgezetheid pretendeert het boek de definitieve biografie te zijn, na alles wat in de loop der jaren al is verschenen over het politieke dier Lubbers (1939-2018). Dan is ‘ongrijpbaar’ aan de magere kant als slotsom op vragen als ‘hoe kon de CDA’er Lubbers twaalf jaar aan de macht blijven, hoe kreeg en hield hij greep op de mensen om hem heen en hoe verhield de publieke figuur zich tot Lubbers-privé?

Over dat privé-bestaan van hun protagonist zijn de auteurs opmerkelijk vrijmoedig. Ruud Lubbers gold als een beau garçon; een zonde waard, zoals katholieke vrouwen vroeger zouden zeggen. Op het jongensinternaat in Nijmegen bestonden geen meisjes of vrouwen, ‘behalve de heilige maagd Maria’, maar dat gemis is nadien goedgemaakt.

De auteurs noteren: ‘Lubbers werd zelden betrapt op opmerkingen over het gezin als hoeksteen van de samenleving.’ Zijn erotische aspiraties worden vrij gedetailleerd behandeld. Zijn die interessant voor een politieke biografie? Van Merriënboer en Steenbergen menen stellig van wel: ‘Politiek leiderschap draait immers om macht en iemands privéleven zegt toch het nodige over (…) ambities, geldingsdrang, betrouwbaarheid, geloofwaardigheid, moed, toewijding enzovoort.’

Geen archief achtergelaten

Terug naar het echte thema: Ruud als raadsel. De auteurs hebben veel overhoop gehaald om greep te krijgen op de man. Daarbij moesten ze het niet hebben van Lubbers zelf. Hij heeft geen archief achtergelaten: ‘Brieven werden meteen verscheurd als hij een zaak had afgehandeld. (…) Vermoedelijk legde Lubbers weinig tot niets vast om zoveel mogelijk politieke manoeuvreerruimte te behouden.’

Er bleef desondanks een berg aan materiaal over: notulen van de ministerraad, dagboekaantekeningen van politici, ambtelijke notities, partijstukken, archieven van buitenlandse regeringsleiders, interviews met Lubbers, redevoeringen van hem, een paar honderd boeken, een karrevracht aan krantenartikelen en wel vijftig vraaggesprekken met figuren rondom de CDA-leider.

Het geeft alles bijeen inkleuring aan de grote politieke momenten in het tijdperk-Lubbers, van de totstandkoming van het CDA in 1980, zijn bezweringsstrategie in zes jaar strijd over kruisraketten, zijn oppermachtige positie als beweeglijke minister-president van drie kabinetten tot de ontluisterende ervaringen in zijn nadagen, toen hij geen voorzitter van de Europese Commissie mocht worden en geen secretaris-generaal van de Navo, en naar huis werd gestuurd als Hoge Commissaris voor de Vluchtelingen.

Pragmatisch zakenman

Hoe ondoorgrondelijk is Lubbers aan het eind van het relaas? Valt best mee. De auteurs schreven een mooi leesboek dat goed laat zien hoe in de politiek toewijding en zelfs plichtsbetrachting hand in hand kunnen gaan met opportunisme en intrige. Lubbers kon verheven in de ruimte zwetsen met christelijk-esoterische teksten, maar, zo schrijven de auteurs, ‘hij was geen ideoloog, maar een pragmatisch, resultaatgericht zakenman’. Lubbers etaleerde zichzelf graag als een man van het midden, van het compromis en van verzoening. Van Merriënboer en Steenbergen noteren: ‘Onder het mom van verzoening wilde hij natuurlijk gewoon zijn zin krijgen.’

Een sleutelzin staat al aan het begin van het boek in een hoofdstuk over de jongensjaren. Die bracht Ruud Lubbers voor een belangrijk deel door op de kostschool van het Nijmeegse Canisius College. Onder de knoet van de paters jezuïeten was het een leerschool vol eenzaamheid en beproevingen. ‘Wie het doorstond, werd voor zijn leven gevormd’, heeft Lubbers zelf over die middelbareschoolperiode gezegd. En wat was dan de kern van die vorming voor de jonge Ruud? Van Merriënboer en Steenbergen geven een kristalhelder antwoord: ‘Lubbers was opgeleid om de beste te zijn.’

Zo eenvoudig was het dus in de loopbaan van de CDA-coryfee. Altijd en overal laten zien dat je de beste bent. Hij was een workaholic, een onmisbare voorwaarde voor wie wil uitblinken. Zijn werkdrift kon hilarische vormen aannemen. Al op 34-jarige leeftijd werd hij minister van Economische Zaken in het kabinet-Den Uyl (1973-1977). Thuis moesten de schuifdeuren naar de voorkamer dicht en werd de kinderen een zwijgplicht opgelegd, omdat papa zich in het belendende vertrek over de staatsstukken moest buigen. Toen echtgenote Ria het zat was, liet ze in de tuin een houten huisje bouwen, compleet met douche, elektrische verwarming en slaapbank. Opgeruimd stond netjes.

Het heft in handen

Van minister-president Lubbers werd dikwijls gezegd dat hij meer oplossingen had dan er problemen waren. Hij schudde invalshoeken en compromissen uit zijn mouw als een goochelaar zijn speelkaarten. Waar zijn opvolger Rutte netelige zaken graag liet sudderen tussen kibbelende bewindslieden, nam Lubbers steevast het heft in handen.

Hij noemde dat zachtmoedig ‘even meedenken’ en bedolf intussen de onder toezicht geplaatste ministers onder een stortvloed aan varianten. Wel 24 oplossingen droeg Lubbers aan in de slepende strijd in de jaren tachtig over wel of geen nieuwe atoomwapens. Zo waren er onder meer de invlieg- of crisisvariant, de onderhandelingsvariant, de Texelse variant, de schapenvariant, de schiet-in-de-voetvariant, de konijn-uit-de-hoedvariant, en de lege hulzenvariant, allemaal uit de koker van Ruud.

Briljante mensen kunnen zichzelf lelijk in de weg zitten. Wie het als zijn roeping beschouwt altijd de beste te zijn, kan per definitie slecht tegen zijn verlies. Er waren momenten in Lubbers’ carrière dat hij niet de beste was of dat die kwaliteit niet werd erkend. Daartegen was zijn karakter niet bestand. Dan werd Lubbers bokkig, beet hij zich vast in een geconstrueerd gelijk en maakte hij tot eigen schade en schande kwesties groter en grotesker. Van Merriënboer en Steenbergen leveren een aantal fraaie illustraties van dit karakterdefect.

Gefronste wenkbrauwen

In de troonrede van 1988 las koningin Beatrix voor dat het land schoner was geworden. ‘Dat geldt met name voor lucht en water’, had het kabinet genoteerd. Gefronste wenkbrauwen. En de zure regen dan, en de stervende bossen en de zalm die weg was uit de Rijn?

De Kamer veegde Lubbers de mantel uit voor zoveel misleiding. Nou, antwoordde hij, kijk er Van Dale maar op na, met name betekent zoveel als ‘op het vlak van’. Onzin. ‘Met name’, betekende bij Van Dale ‘inzonderheid’. Ach, vluchtte de premier vooruit, wat spijtig nou, ik heb bij het schrijven van de troonrede een oude druk van de Van Dale gebruikt. We zullen terstond een nieuwe druk aanschaffen. Later gaf hij de schuld aan de koningin. Die zou hebben aangedrongen op ‘een optimistische noot’ in de troonrede en Lubbers zou het, uit goedheid, maar hebben laten staan.

Te kinderachtig voor woorden? Zeker, maar het was wel een patroon. Begin 1992 lekte via de Telegraaf bijvoorbeeld uit dat Lubbers en Van den Broek, de minister van Buitenlandse Zaken, op uitnodiging van het apartheidsbewind naar Zuid-Afrika zouden gaan. Ophef in de Kamer en in het land. Lubbers beweerde dat hij van niets wist, Van den Broek had niet met hem overlegd. In feite stond de reis, zo bleek, al een tijd in Lubbers’ agenda. Als een draaitol ongrijpbaar is, was Lubbers op dat soort momenten inderdaad ongrijpbaar en toonde het wonderkind in de politiek zich opeens een kleuter.

Johan van Merriënboer en Lennart Steenbergen: Ruud Lubbers – Een slag anders. Boom; 800 pagina’s; € 49,90.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next