Home

Op het filmfestival in Dharamsala geven onafhankelijke makers elkaar steun en moed

‘Het voelt alsof ik terugkeer uit een andere wereld”, verzucht een jonge Indiase vrouw – paarsgeverfd lang haar, stevige stappers, een grote wollen sjaal om de schouders geslagen. „Drie films in één keer achter elkaar kijken, allemaal zo verschillend… en dan is het festival pas begonnen!” Het is donderdagavond, nog geen acht uur. In de Indiase Himalaya is het dan al donker. Ze kijkt naar beneden, waar de lichtjes van de Noord-Indiase bergstad Dharamsala te zien zijn. „Dít is trouwens ook een wereld op zich.”

Ritu Sharma en haar vriend Arib bezoeken het jaarlijkse Dharamshala International Film Festival (DIFF). Dharamsala en het aangelegen McLeod Ganj zijn bekend als hoofdkwartier van de Tibetaanse gemeenschap, die na de Chinese inlijving van Tibet in 1959 van de Indiase overheid toestemming kreeg zich daar te vestigen. Onder aanvoering van de dalai lama streken de bannelingen er neer. Die mystiek en tragiek, en de Himalaya, trekken al jaren toeristen en kunstenaars.

Vidhika Ruhal, 23 uit New Delhi

Ze zijn met z’n achttienen: zestien studenten van de opleiding Film Studies van de universiteit van Delhi, met twee docenten. De meeste klasgenoten zijn aspirant-filmmakers, maar Ruhal kijkt liever „naar de mensen die naar films kijken. Als een socioloog. Cinema is altijd een belangrijk onderdeel geweest van onze cultuur, maar dat sociale aspect is bijna verdwenen.” De vermaarde single screens, filmhuizen waar één titel draait waardoor de film een collectieve ervaring wordt, hebben in heel India plaatsgemaakt voor multiplexes met meer schermen en vertoningen tegelijkertijd. „Je hebt weinig andere keus dan Bollywoodblockbusters. Hoogstens worden Amerikaanse onafhankelijke producties gepromoot.”

Op DIFF vinden de studenten wél Indie-projecten van Indiase of Aziatische bodem. En kijken ze dus samen. „Niet iedereen vindt hetzelfde leuk of interessant, maar dat levert juist boeiende gesprekken op als we ’s avonds in het hostel samen dineren.”

De Tibetaanse taal- en kostschool (Tibetan Children’s Village, TVC) is de festivallocatie: het auditorium doet dienst als hoofdzaal. De blokkenschema’s van filmvertoningen en panelgesprekken hangen naast grote muurschilderingen waarop de leerlingen boeddhistische levenslessen meekrijgen. Over het basketbalveld hangen gebedsvlaggen en lampjessnoeren, er zijn twee opblaasbare zalen met scherm opgericht. Leerlingen in blauw-groene uniforms knallen op vrijdagmiddag, tijdens de lespauze, met groot plezier tegen de springkasteelachtige wanden – de scènes van het dromerige Viet & Nam, een liefdesverhaal over twee Koreaanse mijnwerkers, trillen mee. De klas krijgt een standje.

Indieproducties

Doel van het festival is Indiase en internationale onafhankelijke films een steuntje in de rug te geven, in het immense land dat bekendstaat als filmgek. In India maken de ‘-woods’ de dienst uit: de studio-industrie per taal en locatie, zoals Bollywood (in het Hindi), Tollywood (in het Bengaals) en Sandalwood (Kannada). Het zijn vaak grootschalige en uitbundige producties. Indieproducties hebben het lastiger.

Zo gooide Santosh in Cannes hoge ogen, de film komt binnenkort in Amerikaanse bioscopen. In India is nog geen distributeur gevonden, vertelt hoofdrolspeelster Shahana Goswami na vertoning van de politiefilm, die raakt aan de problematiek rond seksisme en misbruik in het Indiase kastesysteem. „We hebben in India zulke filmfestivals nodig, zodat filmmakers van elkaars bestaan afweten. ‘Wat heb jij gemaakt? En hoe kreeg je dat voor elkaar?’ Daar haal je inspiratie uit, en put de moed uit dat het kán. Het is heerlijk hier dat soort gesprekken op te vangen.” In de kleine eettentjes van McLeod Ganj gonzen de gesprekken over de filmindustrie, vergeten verhalen en budgetten.

Naast Santosh keken veel jonge, Indiase bezoekers ook uit naar Cannes-hit All We Imagine As Light en de coming-of-agefilm Girls Will Be Girls.

Deze editie liggen de selectie en de locatie dicht bij elkaar: veel vertoonde producties werden in Noord-India geschoten, of gemaakt of geschreven door Tibetaanse, Nepalese of andere Aziatische filmmakers. Andere films, zowel de documentaires als speelfilms, delen een thematische inslag en gaan over immigratie, je ergens thuis voelen. Dat onderwerp is permanent van belang in Dharamsala, waar de leus ‘Free Tibet’ op elke straathoek te lezen is en veel bewoners hechten aan hun status als banneling.

Jigme Tandin Wangchuk, 28 uit Thimpu

Wangchuk is op werkbezoek voor het Bhutan Film Institute. Dat organiseerde dit jaar voor het eerst een nationaal filmfestival in hoofdstad Thimphu. „De staat begrijpt dat we film kunnen gebruiken om Bhutan aan de wereld te laten zien. Het is soft power”, vertelt hij. Zijn belangrijkste les van DIFF: houd het simpel. „Het instituut stuurde andere collega’s naar Cannes en de VS. Daar is alles luxueus, glamoureus. Hier gaat het om de verhalen, en je kunt praktische oplossingen vinden voor de screenings.” Het stelt hem gerust. „In ons land is een filmfestival óók op z’n plaats.”

De documentaire Agent of Happiness, over een ambtenaar die de enquête voor de Bruto Nationaal Geluk-index van Bhutan afneemt, krijgt op zondagavond een ingelaste tweede vertoning. Wangchuk is „trots” dat een film zijn thuisland en unieke binnenlandse beleid tentoonspreidt. Dat de documentaire ook deels de blinde vlekken ervan blootlegt en maatschappelijke ongemakkelijkheden als stateloosheid, burgerschap en immigratie ter sprake komen, benoemt hij zelf minder.

Ballingschap

Op zaterdagochtend is het auditorium helemaal vol. Statelessness is volgens de makers de eerste anthologiefilm in het Tibetaans, en toont een collectie van verhalen die gaan over de Tibetaanse diaspora: familiezaken regelen op afstand, vrienden die elkaar na een verblijf in het buitenland terugvinden, het verlies van culturele tradities en begrafenisrituelen improviseren „We vertellen veel verhalen over waar we vandaan komen. Maar het is belangrijk dat we onderzoeken hoe Tibetanen in ballingschap zich voelen”, aldus Tenzing Sonam, festivaldirecteur van DIFF en ook betrokken bij Statelessness.

Hoewel in Dharamsala de herinnering aan Tibet in leven wordt gehouden, heeft de gemeenschap te maken met „een tweede exodus”: jongeren trekken nog verder weg, naar het Westen. „Want wat is het nut van altijd een banneling te zijn?”, vraagt Tenzing in het panelgesprek na de filmvertoning.

„We wisten niets over dit festival, maar het viel samen met ons bezoek”, zegt een Tibetaans-Amerikaanse vrouw. Haar twee zussen knikken. Ze vertelt verder: „Ik vond het interessant om te kijken naar producties van Tibetaanse makers. Dit zijn verhalen die wij kennen, maar eigenlijk nog nooit op het grote scherm hebben gezien. Ook niet toen we opgroeiden als migrantenkinderen.” Wat hen dan wel naar Dharamsala bracht? Een van de andere vrouwen houdt het kort: „Familiezaken”. Haar blik is nog strak op de aftiteling van Statelessness gericht. „Het kwam allemaal wat dichtbij, persoonlijk, laten we het zo zeggen”, zegt de eerste zus.

Sagar Wagh, 33 uit Mumbai

Als „echte cinefiel” is er niets bijzonderder dan filmmakers aan het werk te zien en te horen spreken over hun werk, zegt Sagar Wagh. De accountant reisde een dag lang „vanuit Bollywood-territorium”, zegt hij grinnikend. „Het is ook heerlijk om uit de stad te zijn. We hebben hier alle tijd, je kunt verdwijnen in de films. Ik kijk bijvoorbeeld nooit animatiefilms, maar door het programma van korte films ben ik echt een aantal keer verrast.” Wagh staat al een uur in de rij voor Shambala, een Tibetaans-Nepalees drama van tweeënhalf uur. „Het wordt nog een hele klus om straks uit te zoeken welke films ik niet heb kunnen zien, en uit te zoeken of die wel ergens anders te vinden zijn.”

Source: NRC

Previous

Next