Waarheen met de landbouw? In zijn boek Boter, kaas en havermelk duidt politicoloog Joris Lohman de dilemma’s en probeert hij ‘verwarde eters’ houvast te geven. ‘Landbouw is per definitie niet duurzaam.’
is economieredacteur van de Volkskrant. Hij schrijft onder meer over landbouw en voedsel.
De discussie over duurzaamheid is volgens de Amerikaanse schrijver Charles Mann een strijd tussen tovenaars en profeten. De profeten prediken over de dreigende ondergang van de aarde. Ze pleiten voor minder: minder economische groei, minder consumptie, minder gesleep met spullen over de wereld. De tovenaars daarentegen zijn techoptimisten, die innovatie zien als een magisch middel tegen alle problemen.
Politicoloog Joris Lohman schaarde zich lange tijd aan de zijde van de profeten. Hij was lid van de slowfoodbeweging, die pleit voor lokaal, onbewerkt voedsel en die zich afzet tegen industriële landbouw en fastfood. Maar dat denken heeft hij achter zich gelaten, hij is geen profeet meer. ‘Voortschrijdend inzicht’, verklaart Lohman in een modern café in Amsterdam-Oost.
Met zijn bedrijf Food Hub, een opleidings- en adviesbureau in de voedselsector, kwam Lohman (38) de afgelopen jaren op talloze boerenbedrijven. ‘Dan zie je dat een aantal van de basisaannamen die het profetenwereldbeeld vormen, niet kloppen of te kort door de bocht zijn.’ Een tovenaar is hij evenmin. ‘Het overdreven optimisme dat technologie al onze problemen oplost, is ook gewoon gelul.’
Lohman wil de stammenstrijd achter zich laten. In zijn boek Boter, kaas en havermelk bundelt hij alle kennis over het voedselsysteem die hij de afgelopen jaren heeft opgedaan. Zonder voorkeur voor een van beide kampen beschrijft hij de geschiedenis van de landbouw, verklaart hij termen als ‘biologisch’ en ‘regeneratief’, en schetst hij de dilemma’s rond een duurzamer voedselsysteem.
U vindt de strijd tussen tovenaars en profeten contraproductief. Waarom?
‘De uitdagingen in ons voedselsysteem zijn zo groot dat we alles tegelijk zullen moeten doen. We discussiëren al decennia over de voor- en nadelen van intensieve landbouw. Dat leidt tot vertraging. Terwijl de wetenschap op veel vlakken duidelijk is. We hoeven geen magische nieuwe vormen van landbouw uit te vinden – gelukkig maar. Op een aantal vlakken zijn we al op de goede weg. We gaan, in ieder geval in Europa, naar minder inputs zoals kunstmest en bestrijdingsmiddelen, duurzamer, gezonder. Er zijn vrijwel geen ontkenners meer.’
Als in Nederland krimp van de veehouderij ter sprake komt, staan de snelwegen vol met tractoren.
‘Veel mensen denken: ‘Boeren zijn tegen krimp, dus ze zijn anti-duurzaamheid.’ Maar daar zit iets heel anders achter: bestaanszekerheid. Als je een stal half leeghaalt, is die boer klaar met zijn bedrijf. De veehouderij is inderdaad een groot probleem in Nederland. Maar de discussie daarover gijzelt die over de toekomst van landbouw en voedsel. Als we de veehouderij hier inkrimpen, stijgt de wereldwijde CO2-uitstoot misschien wel omdat productie elders minder efficiënt is. Maar dat is geen argument om niks te doen, de veehouderij legt ook op andere manieren druk op onze leefomgeving.’
Op de omslag van het boek staat: ‘Handboek voor de verwarde eter’. Komt u veel verwarde eters tegen?
‘Ik ben zelf eigenlijk ook nog steeds een verwarde eter. Toen ik niks van voedsel wist, was ik verward. Maar hoe meer je leert, hoe ingewikkelder het wordt. Eten is een soort identiteitsding geworden. Tegelijkertijd zie je de transitie steeds meer terug in de schappen van de supermarkt, met de opkomst van allerlei keurmerken waar geen touw aan vast te knopen is. Dan krijg je de kritiek van programma’s als de Keuringsdienst van Waarde, dat we worden belazerd met al die vage claims.
‘Er is in het voedselschap geen gestandaardiseerde aanpak van wat duurzaamheid is. Gelukkig zijn er wel een paar vuistregels waar je van uit kunt gaan.’
In het boek zet Lohman die vuistregels op een rij. Een aantal zal voor de enigszins geïnformeerde eter bekend klinken: eet meer plantaardige en minder dierlijke producten, kies voor onbewerkt voedsel en seizoensproducten, verspil zo min mogelijk.
In andere adviezen rekent Lohman af met denkbeelden over duurzaamheid die in veel kringen gemeengoed zijn. Dat biologische landbouw duurzamer is, bijvoorbeeld. ‘Dat ligt er helemaal aan hoe je ernaar kijkt’, schrijft hij. In de biologische landbouw liggen de opbrengsten per hectare voor veel producten lager dan bij gangbare landbouw. Er is dus meer land nodig voor dezelfde hoeveelheid voedsel. Dat gaat vaak ten koste van biodiversiteit. Daar staat tegenover dat biologische systemen lokaal minder negatieve impact hebben op de biodiversiteit vanwege het lagere gebruik van meststoffen en pesticiden.
Lohman: ‘Ik wilde uitleggen wat landbouw is en hoe het werkt. Want ik weet hoe veel van mijn vrienden erover denken: ‘Er is gezeik met stikstof, boeren, de BBB.’ Dan zien ze iets over een regeneratieve boer met een voedselbos en zeggen: ‘Daar ben jij toch voor?’’
Wat zegt u dan?
‘Het is te simplistisch om te zeggen dat biologisch of regeneratief de oplossing is. Ik heb veel respect voor de boeren die zo werken, zij lopen voorop. Maar ik ben er niet voor om dat te gebruiken als een duizenddingendoekje voor de voedseltransitie.
‘Het woord ‘regeneratief’ bijvoorbeeld heeft een soort magische klank. ‘De oude landbouw is slecht en uitputtend, met regeneratie herstelt alles.’ Zo werkt het helaas niet, je moet altijd ergens de voedingsstoffen vandaan halen.
‘Het doorprikken van dat soort ideeën schept ruimte om te zeggen dat er eigenlijk een schaal is van meer naar minder duurzame landbouw. Daar zijn veel boeren mee bezig. Het is ook een fijner verhaal dan zeggen: ‘We zijn verloren, onze redding hangt af van de tien voedselbossen in Nederland.’
‘Die boodschap lucht op. Mensen hoeven niet per se naar een lokale bioboer. Ook in de supermarkt, waar we toch het overgrote deel van onze boodschappen halen, kunnen we veel betere keuzen maken.’
Toch verwacht u weinig van consumenten in de transitie naar een beter voedselsysteem. Waarom?
‘Daarvoor moet de consument voldoende kennis en geld hebben, en voedsel belangrijk genoeg vinden. Maar de consument is verward en heeft ook een stijgende energierekening en andere interesses.
‘Tegelijkertijd wordt dat ook gebruikt. Ik ben bij talloze bijeenkomsten geweest waar boeren lekker boos zitten te zijn op de consument die niet wil betalen. Maar de consument snapt het niet omdat we het niet goed uitleggen en heeft misschien het geld niet.
‘Wat je eigenlijk moet doen, is dat bedrijven binnen de voedselketen afspraken maken over de ondergrens. Ik zie daarin steeds meer stappen, aangejaagd door Europese wetgeving. Allemaal heel langzaam, maar het is niet terug te draaien. Ik ben daarom optimistisch dat we langzamerhand tot een gezonder en duurzamer voedselsysteem komen.’
U bent kritisch op biologisch, maar adviseert alsnog biologische versproducten uit Europa te kopen waar mogelijk.
‘Ik heb met dat advies geworsteld. Ik kreeg het niet op papier om daar nog iets harder over te zijn. Dat heeft er ook mee te maken dat het niet bon ton is. Ik verwacht nog steeds dat ik erop aangevallen zal worden, in de hoek van de agro-industrie geplaatst word.
‘Er zijn situaties waarin het ene systeem beter presteert dan het andere en vice versa. Als je me nu om advies zou vragen, zou ik zeggen: koop biologisch als je wil, maar verwacht niet dat je daarmee de wereldproblemen oplost. Zo kan je beter een conventioneel geteelde peer uit de Betuwe kopen dan een bio-avocado uit Peru.’
U beschrijft in uw boek de milieuschade van de veehouderij. Tegelijkertijd constateert u dat de vleesconsumptie niet daalt en dat waarschijnlijk ook niet gaat doen. Waarom geen steviger pleidooi voor plantaardig eten?
‘Ik denk dat dat niet mijn rol is. Het is ook al zo vaak gezegd. Door de gevolgen te beschrijven hoop ik wel een deurtje open te zetten in de hoofden van lezers. Ik denk dat dat beter werkt. Ik ben ook meer van het met zijn allen iets minder dan helemaal stoppen.
‘Als je puur naar CO2-uitstoot kijkt, is het simpel: we moeten naar nul vlees en zuivel. Opgelost. Maar ik vind dat soort vegan exercities altijd heel theoretisch. Ik heb gezocht naar redenen om te geloven dat de vleesconsumptie gaat afnemen, maar dat gaat gewoon niet gebeuren.
‘We moeten minderen, maar we hoeven het niet af te zweren. In het boek haal ik ook adviezen aan waarin de veehouderij wel een rol heeft in de kringloop, voor de verwerking van reststromen en de productie van mest voor de akkerbouw.
‘Ook daar kun je kanttekeningen bij plaatsen. Landbouw is per definitie niet duurzaam, dat gaat het ook nooit worden. We kunnen alleen proberen binnen de grenzen te blijven van wat de planeet aan kan.’
Vanwaar dan toch uw optimisme?
‘Ik ben in mijn werk ongelooflijk veel mensen tegengekomen die met oplossingen bezig zijn. Ook gangbare boeren. Ik was laatst bij een varkenshouder van wie ik me afvraag hoe houdbaar zijn model is. Ook hij is enorm gepassioneerd bezig zijn uitstoot te verminderen. Daar word ik blijer van dan zeggen: het is allemaal te laat.’
Joris Lohman: Boter, kaas en havermelk: Weet wat je eet voor een betere wereld. Spectrum. 272 pagina’s, € 21,99.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant