Diny Kerstens-Strijbosch is 100 jaar. Hoe kijkt deze altruïstische vrouw terug op de eeuw die achter haar ligt?
Diny Kerstens-Strijbosch is een vitale, hartelijke vrouw die je als onwetende voorbijganger niet veel ouder zou schatten dan 75. Op de keukentafel van de 100-jarige staat een opengeklapte laptop, waarop ze dagelijks haar mailbox checkt op berichten van haar dochter, kleinkinderen en familie in Australië. Ze kijkt graag naar Netflix-series als The Crown, documentaires en tv-spelletjes, en leest zo’n vijf boeken per week. Een boek noemt ze ‘vriend van de eenzaamheid’.
Hoe gaat het met u?
‘Heel goed. Ik woon nu achttien jaar in dit appartement in Sint-Oedenrode. Daarvoor heb ik altijd in Erp gewoond, zo’n twaalf kilometer verderop. Ik vond het verschrikkelijk daar na 81 jaar weg te gaan. Mijn dochter vond het beter dat ik op mijn leeftijd bij haar in de buurt zou komen wonen. Ik heb één dag gehuild, daarna was het over. Ik keek om mij heen en dacht: dit is een mooi appartement en met mijn dierbaarste meubelen om mij heen voel ik mij thuis. Ik maakte nieuwe vrienden op de bridgeclub en met de buren. Die zijn helaas allemaal overleden. Mijn dochter en kleinkinderen komen vaak langs en nemen mij mee voor uitstapjes – oma hoort er nog helemaal bij.’
Had u als meisje een toekomstdroom?
‘Ik wilde graag verpleegkundige worden, maar dat kon niet. ‘Och meisje, dat had ik ook zo graag gewild, maar ik ben het ook niet geworden’, zei mijn moeder. Ze had een zwakke gezondheid en veel last van migraine. Na de lagere school moest ik thuisblijven om haar te helpen in huis. Mijn vijf broers mochten wel doorleren. Zo ging dat in die tijd.
‘Eenmaal thuis, taalde ik niet meer naar verpleegkundige worden. Ik had het goed. Het was een warm en gezellig gezin, met lieve ouders. We deden vaak spelletjes met zijn allen, en dan stond er een grote grijze pan warme chocolademelk op tafel. Ik stopte alle sokken, deed de afwas, stofte, dweilde, schrobde de stoep en harkte de tuin. Ook hielp ik mijn vader in onze moestuin met asperges steken, spinazie, rabarber, boontjes, aardappels, appels en peren oogsten – we hadden alles. Mijn moeder kookte altijd, dat kon ze heel goed.
‘Ik kon met mijn beide ouders goed opschieten, maar mijn vader was mijn lieveling. Hij was een lieve man. Hij had een schoenmakerij, met een winkel aan huis; maakte, verkocht en repareerde schoenen. Op school was ik de enige die niet op klompen liep. Sommige kinderen waren jaloers en gingen expres op mijn zwarte lakschoenen staan. Hun jaloezie begreep ik wel. Als mijn vader klaar was met werken, ging hij zich eerst wassen en omkleden en dan vroeg hij mij: ‘Ga je mee?’ Dan gingen we samen wandelen door het dorp.’
Zijn jullie als gezin op vakantie geweest?
‘In de grote vakantie gingen we één dag eropuit, voor 35 cent met de tram naar familie in Helmond. Dat was elk jaar een feest. Ik herinner me dat we ook een keer naar een speeltuin in Grave zijn geweest, op een platte wagen met een paard ervoor. Ik heb een ontzettend leuke jeugd gehad.’
Kunt u nog terugverlangen naar die tijd?
‘Oh nee, want als je het door de ogen van nu bekijkt, was er eigenlijk niks te doen. We waren veel thuis. Je ging nergens naartoe want er viel niets te beleven, behalve met de buurkinderen liedjes zingen op de brug en op zondag van die ene cent die we kregen snoep kopen – vier toffees kreeg je ervoor. Sporten, muziekles en uitgaan zoals jongeren tegenwoordig doen, dat had je niet. Ook voor volwassenen was er niks. Mijn ouders zaten bij mooi weer op straat, met de overburen te kletsen. Voor het slapengaan deden ze met elkaar een rozenoetje – tien weesgegroetjes achter elkaar opzeggen. O, wat waren ze gelovig in die tijd.’
Hoelang bent u thuis blijven wonen om uw moeder te helpen?
‘Best lang, totdat ik 37 was. Ik heb mijn moeder verzorgd totdat ze stierf en bleef alleen achter met mijn vader, mijn broers waren allemaal al getrouwd. Ik had wel af en toe vriendjes, maar die zagen mijn broers niet zitten – ik was gevoelig voor hun kritiek. Ook Wim werd verliefd op mij, hij was twaalf jaar ouder en zag dat ik het moeilijk vond om de stap te zetten uit huis te gaan. Ik was erg gehecht aan mijn ouders en wilde mijn vader na de dood van mijn moeder niet alleen laten. Wim had geduld, hij heeft jaren op mij gewacht, want móést mij kennelijk hebben. Op een gegeven moment vond ik dat ik een beslissing moest nemen – hij hield duidelijk van mij. Ik vroeg Wim: ‘Kan mijn vader mee?’ Dat vond hij geen probleem. Ik was 37 toen we trouwden, en mijn vader kwam bij ons wonen. Een jaar later werd onze dochter geboren.’
Het was geen doorsnee gezinsleven, vertelde uw dochter.
‘Nee, want naast mijn vader kwam ook mijn broer Fons, die priester was, een tijd bij ons wonen, mijn dochter was toen 4 jaar. In die periode heb ik heel wat kroketjes gebakken en liters bouillon getrokken, want mijn broer kreeg vaak bezoek van paters en bisschoppen, voor wie ik driegangenmenu’s maakte op keurig gedekte tafels. Ook de bisschop van Congo heb ik ontvangen. Ik bakte meestal biefstuk voor ze, dat was snel klaar. Er was één keer een econoom bij, die zei na afloop: ‘Ze komen allemaal copieus bij u dineren, maar geen een betaalt ervoor, hier heeft u 100 gulden.’ ’s Avonds kon ik nog een keer gaan koken voor mijn dochter, man en vader. Ik heb het allemaal met groot plezier gedaan.
‘Mijn broer was als missionaris naar Congo gegaan, maar werd samen met een vroedvrouw, miss Davis, in 1964 ontvoerd door rebellen in Oost-Congo. Hij is gemarteld en voor een vuurpeloton gezet. Miss Davis overleefde het niet, mijn broer zag haar op de grond liggen, met doorgesneden hals. Bijna drie jaar lang was Fons vermist. We dachten allemaal dat hij dood was, totdat na 33 maanden de pastoor uit Erp kwam vertellen dat mijn broer was bevrijd door paratroepen van het Belgische leger. Ik ging door mijn knieën. Hij moest nog drie dagen lopen eer hij het oerwoud uit was.
‘Ik heb Fons opgehaald van het vliegveld in Brussel, hij zag er onverzorgd en sterk vermagerd uit, maar liep nog heel statig. Hij was 47, maar leek wel 70. Nadat ze hem drie weken in een klooster hadden gefatsoeneerd, heb ik hem in huis genomen. In een auto reed hij Erp binnen en werd ingehaald door dorpelingen en de harmonie langs de kant van de weg. De kerkklokken luidden.
‘Mijn broer had een trauma opgelopen, maar liet weinig los over wat hij had meegemaakt. Hij wilde altijd zeker weten of er voldoende water in huis was – hij had tijdens zijn ontvoering zo’n dorst gehad. Na 1,5 jaar ging hij in Duitsland wonen en werken en kwam elke maand vier dagen bij ons logeren.
‘Na acht jaar huwelijk stierf mijn man aan blaaskanker, ik heb hem thuis verpleegd. Hij wilde niet naar het ziekenhuis, en dat wilde ik ook niet. Ik was blij dat mijn vader bij ons in huis woonde, want hij deed de boodschappen. Ook na het overlijden van Wim was mijn vader een grote steun. Als ik het moeilijk had, zei hij altijd: ‘Slaap een nachtje en morgen lijkt alles anders.’ Dat is vaak ook zo.
‘Mijn vader is heel oud geworden, 92 jaar, zijn laatste twee jaar was hij dementerend en kon midden in de nacht weglopen, een keer stond hij op de kerkdeur te rammelen. In die tijd kreeg ik hulp van mijn broers, ze stonden altijd klaar. Mijn dochter was nog maar 7 jaar toen haar vader overleed, ze kan zich hem niet goed meer herinneren doordat hij vaak ziek in bed lag.’
Hoe was het voor u toen u na al het zorgen alleen kwam te staan, uw dochter het huis uit ging en uw vader stierf?
‘Ik was niet gewend alleen thuis te zijn. In het begin was ik bang en liet ik de hele avond en nacht de lampen branden. Dat gaf mij een gevoel van veiligheid, alleen dan kon ik rustig slapen. De buren hadden geen idee en zeiden: ‘Bij Diny kun je altijd langskomen!’’
Hoe kijkt u terug op uw onbaatzuchtige, zorgende leven?
‘Mijn leven is dienend geweest. Ik was gelukkig. Soms denk ik: hoe zou mijn leven zijn geweest als ik jonger was getrouwd? Dan had mijn vader niet zo’n mooie oude dag gehad. Ik zorgde graag voor hem. Als ik hem in bad had gedaan, zei hij altijd: ‘Bedankt meisje.’
‘Misschien had ik meer mijn eigen leven kunnen leiden. Als er bezoek was, zat mijn vader er altijd bij – niet dat hij zich ermee bemoeide hoor, maar Wim, mijn dochter en ik zijn nauwelijks samen geweest. Ze hebben er allebei nooit iets over gezegd. Het was gewoon zo.
‘Ik vind niet dat ik mij heb opgeofferd. Ik heb veel plezier beleefd aan het zorgen voor mijn ouders, broer, man en dochter.
‘Zal ik een eitje voor je bakken? Ik heb nog één snee brood, dan doe ik er ook een plak kaas op. Je kunt straks niet met een lege maag vertrekken!’
geboren: 21 september 1924 in Erp
woont: zelfstandig, in Sint-Oedenrode
familie: een dochter en drie kleinkinderen
beroep: huisvrouw
weduwe sinds 1971
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant