Als Ester Naomi Perquin de oogst aan dichtbundels van de afgelopen jaren bekijkt, lijkt het alsof steeds meer jonge dichters zichzelf zien als activisten die zo letterlijk mogelijk problemen benoemen. Nu vraagt ze zich af: ben ik te oud geworden voor vernieuwing?
is boekenrecensent voor de Volkskrant.
Ester Naomi Perquin (1980) gaf als voormalig Dichter des Vaderlands wel vaker een beginnerscursus poëzie. Meestal schoven dan enthousiaste vijftigers en zestigers aan die het voorstelrondje begonnen met: ‘Nou, ik ben dus Ria de Vries, ik kom uit Amstelveen, ik ben boekhouder en heb twee kinderen en een hond. Ik lees heel graag en ik schrijf ook. Maar poëzie vind ik altijd nogal ingewikkeld, dus ik hoop dat ik hier een beetje kan leren hoe je een gedicht moet lezen.’
Vorig jaar gaf ze weer zo’n cursus, maar was haar publiek opeens beduidend jonger. Misschien kwam het omdat de cursus niet langer ‘Inleiding tot de dichtkunst’ heette, maar ‘The Art Of Poetry’, misschien was er een andere reden.
Feit was in ieder geval dat het voorstelrondje ditmaal begon met: ‘Hi, ik ben Fender. He / him. Momenteel heb ik een break van mijn opleiding want ik volg sinds kort traumatherapie, maar ik studeer dus social work. Daar mis ik soms wel personal space en dat wil ik hier zeg maar wel claimen’. Een tweede jongen vroeg Perquin of ze ook in het Engels gaan schrijven ‘want in het Nederlands kan ik mijn emoties niet echt uiten’. En nummer drie, een meisje, zei: ‘Ik zie deze cursus als een mooie stap in mijn journey to selflove.’
Bovenstaand voorbeeld komt uit de Kees Fens-lezing die Perquin op 20 november uitspreekt in de Amsterdamse Rode Hoed. Dat is een jaarlijkse lezing ter nagedachtenis aan de legendarische literaire criticus en columnist van de Volkskrant, die net als Perquin geen genoeg kon krijgen van de poëzie.
Althans, dat dacht Perquin, maar vrijwel aan het begin van haar lezing biecht ze op dat ze vorig jaar opeens twijfelde of ze die hele Nederlandse poëziewereld niet voor een tijdje vaarwel moest zeggen. ‘Eigenlijk was ik van plan een jaar vrijaf te nemen van bijna álles wat met poëzie te maken had. Ik was het een beetje zat.’
Waarom was dat?
‘Het begon mij allemaal een beetje te benauwen. Al die optredens en festivals en het feit dat je elkaar voortdurend tegenkomt en elkaars bundels koopt. Maar de belangrijkste reden was eerlijk gezegd dat ik veel te veel las. Ik programmeer de Nacht van de Poëzie, waardoor ik eigenlijk het hele jaar bezig ben met wat er allemaal verschijnt. En voor mijn column in De Groene Amsterdammer las ik elke week ook nog zo’n dertig gedichten.
‘Dat is te veel. Een gedicht is namelijk een soort bouillonblokje: heel erg ingedikt. Het is niet verdund met iets, zoals een roman of een verhaal kan zijn, en daarom heel intens van smaak. Als kind vond ik bouillonblokjes precies daarom heerlijk. Ze smaken een beetje naar tranen. Maar niemand die bij zijn volle verstand is, eet in een keer een heel pak bouillonblokjes leeg. En bij poëzie deed ik dat dus wel, bundel na bundel, waardoor ik op gegeven moment een vorm van cynisme bij mezelf opmerkte. Dan sloeg ik weer een nieuwe bundel open en dacht ik al na twee gedichten: ‘ach ja, het gaat weer eens over de eigen identiteit.’
Perquin kon geen gedicht meer lezen zonder er een stroming in te zien, of juist een tegenbeweging op een eerdere stroming. En hoe vaker ze een jonge dichter hoorde zeggen dat hij of zij de poëzie radicaal omver wilde werpen, of zei: ‘ik wil poëzie schrijven die niet op poëzie lijkt’, hoe groter de drang om met haar hoofd tegen de muur te bonken. ‘En niet omdat ik het die persoon niet gunde of de poging niet waardeerde, maar omdat ik alleen maar dacht: dit is een herhaling. Er is werkelijk niets zo traditioneel als de wil om te vernieuwen.’
Langzaamaan veranderde ze, in haar eigen woorden, in ‘een cynische oude lul (m/v)’. Als ze bijvoorbeeld naar de Nederlandse bundeloogst van de afgelopen jaren keek, zag ze niet langer de mooie gedichten, maar vooral jonge dichters die hun werk zagen als vehikel om iets persoonlijks te vertellen, alsof de dichtbundel hun dagboek was. Ook viel het haar op dat steeds minder dichters bezig leken met een versluiering van de realiteit, maar juist een groeiende explicitering tentoonstelden, alsof het activisten waren die problemen zo letterlijk mogelijk moeten benoemen.
Mede door dat gevoel, dat nauwelijks meer te onderdrukken bleek, stopte Perquin vorig jaar, na negen jaar, met haar wekelijkse column in De Groene Amsterdammer (‘Zij gaat zich na de zomer richten op het schrijven van langere stukken over onder meer macht en machtsmisbruik’, aldus het naschrift bij haar laatste column). Ze stortte ze zich op proza en begon aan een roman over haar vroegere werk als gevangenisbewaarder, en over haar vader, die vanwege een hersenbloeding opgesloten raakte in zijn eigen lichaam.
En toch zitten we een paar maanden later al tegenover elkaar omdat jij een lezing geeft over poëzie, waarin je onder meer vertelt over je ervaringen als cursusleider poëzie voor beginners. Kon je het toch niet helemaal loslaten?
‘Mijn echte probleem, zo merkte ik al vrij snel, was niet de poëzie die aan het veranderen was. Het was mijn leeshouding. Als er een dichter is die een bepaald thema brandschoon, vers en voor het eerst onder woorden brengt, en de lezer denkt: dit heb ik al dertig keer gelezen. Is dat dan de schuld van de dichter, of juist van de lezer die oud en moe begint te worden?’
Nou?
‘Van de lezer, natuurlijk. Het is een gevoel dat in elk beroep optreedt vanaf een bepaalde leeftijd. Kijk bijvoorbeeld naar modestudenten. Die verzinnen iets waarvan zij denken: dit is flitsend, dit is rebels. Dit is een statement tegen fast fashion. Dat idealisme wordt niet opeens minder waard omdat de docent op de eerste rij toevallig al veertig jaar in het vak zit en daarom denkt: ‘daar gaan we weer’.
‘Het zijn gevoelens die horen bij het ouder worden en die je niet kunt ontlopen, maar je kunt wel een keuze maken in wie je daarop aankijkt. Zeg je, als je bijvoorbeeld cynisch wordt van X: het is hier zo stom geworden, het is de schuld van alle anderen. Of denk je: misschien ligt het wel aan mijn eigen veranderende leeshouding. Misschien hang ik hier al zoveel jaar rond en is dat de reden dat ik een bepaalde moeheid ervaar?
‘Daarom probeer ik het tegenwoordig wat beter te doseren. Ik lees minder fanatiek en weet ook dat ik het tijdens bepaalde stemmingen van moedeloosheid of cynisme beter helemaal kan laten. Ik zie het als een vorm van hygiëne die ik zo lang mogelijk vol moet zien te houden. Anders word ik inderdaad die cynische ouwe lul die nooit meer ergens van kan genieten en de schuld daarvoor neerlegt bij de nieuwe generatie.’
Voorkom het om, in de woorden van haar 18-jarige zoon, iemand te worden ‘die zeg maar achterover gaat hangen in zijn eigen opvattingen en niet meer overeind kan komen’. Wees niet iemand ‘die een potentieel weids uitzicht terugbrengt tot een klein, overzichtelijk veldje’, of ‘iemand die om de lusthof van het eigen wereldbeeld een schutting plaatst en dan wegzakt in de tuinstoel der privileges’.
‘De beginnerscursus voor twintigers heeft mij daar ook bij geholpen’, zegt Perquin. ‘Neem bijvoorbeeld zo’n voorstelrondje. Ik registreer mijn eigen ongemak natuurlijk direct, maar in plaats van in te breken en iets cynisch te zeggen, kun je het beter parkeren om later te onderzoeken waar dat ongemak precies vandaan kwam. Op het moment zelf kun je beter gewoon kijken. Wat gebeurt hier nu precies? Wat is de dynamiek?’
Toch trek je in je lezing wel degelijk een grens, namelijk bij het langzaam verdwijnende onderscheid tussen de maker en zijn gedicht. Dat vind je geen goede ontwikkeling bij jonge dichters.
‘Ik liet de cursisten een gedrocht van een tekst lezen van een anonieme dichter en vroeg ze kritiek te leveren, maar ik kreeg ze op geen enkele manier aangemoedigd het gedicht te slachten. Ze wisten niet wie het gedicht had geschreven, kenden zijn of haar achtergrond niet, en dus lieten ze het uit een soort respect met rust.
‘Ik probeerde ze duidelijk te maken dat het een tekst is en dat een tekst helemaal niet bij voorbaat respect verdient. Een gedicht bloedt niet als je er een mes in steekt, het lijdt geen pijn en heeft geen therapie nodig als jij er klaar mee bent. Een gedicht is een ontmoeting tussen mens en taal, zei ik.
‘Maar deze groep ervaarde het als een ontmoeting tussen mens en mens. Daar ben ik het echt mee oneens. Op het moment dat een gedicht af is, komt het los van de dichter. Het is geen dagboek, dat voor altijd aan de schrijver verbonden blijft. Een gedicht is van de lezer.’
Tenzij de nieuwe generatie dichters hun poëze zo persoonlijk maakt dat zij het zelf ervaren als dagboek?
‘Daar zit natuurlijk de crux. Een deel van de jonge debutanten ervaart schrijven wel degelijk als persoonlijke uiting en vatten alles wat ze lezen dus ook persoonlijk op. Kijk, ik vind het fantastisch hoe ongelooflijk respectvol de nieuwe generatie met elkaar omgaat. Daar is heel veel goed aan. Ik werkte vroeger bijvoorbeeld in een gevangenis en weet daarom dat wanneer je bij de politie je eerste lijk vond, het de norm was op taart te trakteren. Er was geen enkele ruimte voor schok, trauma, angst of verdriet. Het draaide om lachen en zingen.
‘Op menselijk niveau is het een enorme vooruitgang dat die tijd voorbij is. Maar op het moment dat je kunst met diezelfde voorzichtige omgangsvormen gaat beschouwen, zul je het ook nooit tegen jezelf kunnen aandrukken, laat staan dat je er eens lekker bovenop gaat liggen, bonkend van hartstocht. Het is namelijk niet van jou, het is van de maker, en dus doe je dat niet. Terwijl ik het juist zo belangrijk vind dat mensen wel degelijk bonkend van hartstocht op een gedicht duiken.
‘Toen ik 15 of 16 was, las ik bijvoorbeeld Lex Barbarorum van Hendrik Marsman. ‘Geef mij een mes/ ik wil deze zwarte zieke plek/ uit mijn lichaam wegsnijden./ ik heb mij langzaam recht overeind gezet./ ik heb gehoord, dat ik heb gezegd/ in een huiverend, donker beven:/ ik erken maar één wet:/ léven./ allen, die wegkwijnen aan een verdriet/ verraden het en dat wìl ik niet.’
‘Ik was 16, dus dat gedicht sprak mij enorm aan. Ik zag het als een voornemen voor hoe je moest leven en niemand betwijfelde die interpretatie, want ik las het niet op school, maar gewoon thuis. De tekst en de betekenis waren daardoor van mij. Ik heb het zelfs in mijn dagboek geplakt.
‘Maar als iemand op dat moment tegen mij had gezegd: nee, nee, je begrijpt het verkeerd. Marsman heeft het geschreven tijdens een periode in zijn leven dat hij net met dat onderwerp bezig was, dan was dat nooit gebeurd. Dan was de tekst van Marsman gebleven en had het nooit zo’n invloed gehad op mijn leven. Terwijl ik alle twintigers die hier zitten juist dat gevoel gun: dat ze naar huis gaan met op zijn minst een paar regels die ze zich hebben toegeëigend, en waar ze de rest van hun leven aan blijven terugdenken. Die van hen zijn.’
Dichter Ester Naomi Perquin geeft op woensdag 20 november de jaarlijkse Kees Fens-lezing in de Rode Hoed te Amsterdam. Aanvang 15.30 uur, inloop vanaf 15 uur. Gratis kaarten zijn verkrijgbaar via rodehoed.nl
Ester Naomi Perquin (1980, Utrecht) debuteerde in 2007 als dichter met de bundel Servetten halfstok. Sindsdien volgde, naast nog een aantal andere bundels, zo ongeveer iedere Nederlandse poëzieprijs die er bestaat, van de J.C. Bloemprijs voor haar tweede bundel Namens de ander (2009), tot de VSB Poëzieprijs voor Celinspecties (2012) en de Herman de Coninckprijs voor Meervoudig afwezig (2017). Daarnaast was ze onder meer Dichter des Vaderlands tussen 2017 en 2019, stadsdichter van Rotterdam, jarenlang columnist voor De Groene Amsterdammer en meervoudig presentator van de Nacht van de Poëzie. Momenteel werkt ze aan een roman.
Geselecteerd door de redactie
Lees hier alle artikelen over dit thema
Source: Volkskrant