Werken met vluchtelingen, eerst als activist op Lesbos en nu voor het COA in Amsterdam, heeft haar vriendschappen gekost. Maar die prijs is het Jet Beers waard: ‘Ik voel me bevoorrecht dat ik deze mensen mag helpen.’
schrijft voor de Volkskrant over zingeving.
Wanneer ze na haar hbo-studie sociaal werk in 2020 als barvrouw in een Amsterdams café werkt, scrolt ze naar het Instagramaccount van Because We Carry. Die hulporganisatie is op zoek naar mensen om te werken op Lesbos, het Griekse eiland dat een brandhaard in de vluchtelingencrisis is. De dan 23-jarige Jet Beers voelt zich direct ertoe aangetrokken. Het ‘niet lullen, maar poetsen’-motto dat Because We Carry heeft omarmd, spreekt haar aan, ‘als nuchtere West-Friezin’.
Wanneer ze aan een stamgast vertelt dat ze zich gaat aanmelden, reageert die sceptisch: ‘Weet je dat wel zeker, naar zo’n vluchtelingenkamp? Straks kom je er niet levend uit. Pas maar op, zo’n witte meid, met al die mannen om je heen.’ Ik zei tegen hem: ‘Ik vertel je later wel hoe het was’, en dacht: ik ga hem zijn ongelijk bewijzen, met zijn angstverhalen.’
Over deze serie
In Het Ideaal interviewt Fokke Obbema mensen die hun leven aan een ideaal wijden.
Onverschrokkenheid heeft ze al eerder aan de dag gelegd, wanneer ze als 20-jarige voor een studiestage naar townships in Zuid-Afrika afreist: ‘Toen werd ik ook honderd keer gewaarschuwd door mensen in mijn omgeving, maar dat heb ik allemaal in de wind geslagen. Mijn ouders steunden me, ze zeiden: doe maar, prima, we komen wel een keertje kijken.’
Haar vader, een ondernemer in airconditioning, en haar moeder, die met verstandelijk gehandicapten werkt, kunnen haar met hun grote vertrouwen weleens het gebrek aan angst hebben gegeven, vermoedt ze. Ze omschrijft hen als ‘echte dorpsmensen, die zich inzetten om hun dorp beter en mooier te maken. Het sociale heb ik echt van hen meegekregen.’
Het dorp in kwestie is Heerhugowaard-Noord, een gemeenschap van zo’n vijftienhonderd mensen in de kop van Noord-Holland en ‘vrijwel geheel wit’. Heerhugowaard kent wel een asielzoekerscentrum, maar dat is gevestigd in ‘een oude gevangenis op een guur industrieterrein’ en daardoor uit het zicht van de meeste inwoners. ‘Toen ik ging studeren, ben ik er een keer op afgestapt. Samen met een studiegenootje, twee witte meisjes van 18. We werden er hartelijk ontvangen en zijn er sportwedstrijdjes gaan organiseren. Er ging een wereld voor me open.’
Op Lesbos is dat eens te meer het geval – tijdens haar verblijf van twee jaar wordt ze naar eigen zeggen ‘snel volwassen’. Ze ontmoet er de uit Syrië gevluchte Ali, die voor de Nederlandse ngo Movement On The Ground werkt. Binnen een half jaar wonen ze samen. Inmiddels is het stel in Amsterdam beland, waar Beers een baan bij opvangorganisatie COA heeft. Midden in de Jordaan begeleidt ze een project met 44 minderjarige asielzoekers, hoofdzakelijk jongens: ‘We brengen culturen samen. Dat lukt best aardig. De oude Jordanezen en onze jongens delen een liefde voor bingo. Dat blijkt te verbinden – bingo!’
Wat is uw ideaal?
‘Ik wil de wereld iets mooier maken. Waar ik niets van begrijp, is dat de ene mens zichzelf hoger plaatst dan een ander, bijvoorbeeld dan iemand die gevlucht is, of in de bijstand zit of gehandicapt is. Wat ik hoop is dat we elkaar ooit niet meer beoordelen op uiterlijk, afkomst of wat dan ook, maar dat we elkaar puur als mensen zien. Dat een azc een gebouw voor mensen is, ongeacht hun afkomst. Maar goed, dat is erg idealistisch. Voor nu hoop ik vooral dat mensen naar elkaar luisteren en elkaar leren kennen.’
Daar schort het aan?
‘Er is natuurlijk een sterk beeld van dreiging opgeroepen – het beeld van vluchtelingen als gelukszoekers die overlast veroorzaken en banen inpikken. Ik begrijp wel dat mensen in Heerhugowaard, waar ik nog vaak kom, angstig worden wanneer ze dat te horen krijgen van politici en media. Dus vind ik het belangrijk dat daartegenover het verhaal staat van hoe het er in de dagelijkse werkelijkheid aan toegaat. Ik wil dat graag uitdragen.’
Uw eerste werkervaringen met vluchtelingen waren op Lesbos. Hoe was dat?
‘We maakten met een team van zes vrouwen enorm lange dagen in een vluchtelingenkamp, twaalf uur was doodnormaal. Maar het voelde niet alsof je aan het werk was. Mijn herinnering is er vooral een van een familiegevoel, we zetten ons met zijn allen zó hard in om er iets beters van te maken, hulpverleners en vluchtelingen samen. Er werd met zoveel liefde en passie gewerkt. Die onderlinge solidariteit vond ik het mooiste van het werk. Er waren mensen die tegen me zeiden: het zal wel zwaar zijn, hè? Welnee, ik ging er elke dag vol energie heen.’
Wat deed u daar?
‘We begonnen de dag met het uitdelen van ontbijt en allerlei noodhulp, zoals slaapzakken, kruiken, thee. We stonden zwangeren bij, organiseerden activiteiten in het kamp. We werden fantastisch geholpen door vrouwen die zelf waren gevlucht. Ik herinner me vooral Asma, een Afghaanse gesluierde vrouw, moeder van twee kinderen. Iedere dag kwam ze bij ons om te werken, groenten uit te delen, zwangeren te helpen. Supercool was ze, eigenlijk verdient zij dit interview. Ze staat voor mij op een voetstuk, zo’n mooie inspirerende vrouw.
‘Waar ik het moeilijk mee had, waren de lage opmerkingen die ik te horen kreeg wanneer ik even terug was in Heerhugowaard. Ik had het af en toe nodig om mijn familie en vrienden te zien, maar dan kreeg ik ook te maken met vooroordelen over een andere cultuur en een ander geloof. Ik kon dat totaal niet begrijpen en ging er telkens met een gestrekt been in.’
Wat moet ik me daarbij voorstellen?
‘Ik beschuldigde mensen van racisme en riep vaak: ‘Waarom vraag je dat?’, wanneer ze met vooroordelen kwamen. Toen ik Ali voor het eerst meenam, viel het op feestjes echt stil. Kreeg ik de vraag: ‘Moet je nu een hoofddoekje dragen?’ Dat vond ik pittig. Je moet je voorstellen dat ik vanuit het heetst van de strijd op Lesbos plots in Heerhugowaard aankwam. Uitleggen wat je hebt meegemaakt, is dan sowieso bijna niet te doen. Ik werd moe van alle discussies. Later ging ik er niet meer zo hard in, omdat ik kon zien waar het vandaan kwam. Ik stelde vragen en kon beter nuances zien. Ik leerde mijn eigen verhaal ertegenover te zetten.’
Hoe pakte u dat aan?
‘Wat helpt, is het persoonlijk te maken. Achter iedere vluchteling zit een menselijk verhaal. Als ik vertel over Asma, hoe zij zich voor anderen inzette, dan breekt er vaak iets open. Of als ik vertel over Kara Tepe, het vluchtelingenkamp waar de meest kwetsbare mensen zaten: ik heb daar baby’s tot peuters zien opgroeien. Ik kende er bijna iedereen bij naam. Het moeilijkst voor mij was de sluiting ervan. Mensen moesten naar een slechter kamp. Dat was verschrikkelijk om te begeleiden. Ik zag mensen die waren opgebloeid weer wanhopig worden, ze hadden het gevoel terug bij af te zijn. Dat gevoel kreeg ik ook.’
Bent u daarom weggegaan?
‘Dat speelde wel een rol. Hoe hard je ook werkt, het is ontmoedigend te merken dat je telkens terug bij af komt. Ik kreeg het idee dat de Griekse autoriteiten en de EU het in de kampen niet beter wilden krijgen, anders was dat allang gebeurd. Toen ik dat besefte, wist ik: het is tijd om te gaan. Ik kon niet meer de energie erin steken die de mensen verdienden. Daarbij kwam dat ik mezelf geen toekomst in Griekenland zag opbouwen. En het leek me fijn weer naar huis te gaan.’
U kwam in Nederland bij het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) terecht. Nogal een overgang.
‘Zeker. Bij een overheidsinstantie moet je niet te idealistisch zijn. Als de regering versobering van de opvang wil, moet je dat uitvoeren. Toch kan ik er mijn idealen goed kwijt. Van Lesbos heb ik meegenomen: we doen dit samen, we zetten onze schouders eronder. Dat slaat aan, er werken ook bij het COA mensen die de wereld mooier willen maken. Wat ik tof vind, is dat ik mijn netwerk uit mijn tijd bij Because We Carry kan gebruiken. Dan regel ik een partij winterjassen, bijvoorbeeld. Hoe doe je dat?, vragen collega’s verbaasd. Of ik kom met tassen vol kleren van vrienden uit Heerhugowaard, ook heel tof.’
Zit er een prijs aan uw idealisme?
‘(Stilte) Ik ben een strijd aangegaan. Daarbij ben ik mensen onderweg verloren. Mijn moeder zei altijd: ‘Op een gegeven moment kun je je vrienden op één hand tellen.’ Dat snap ik nu heel goed. Om elkaar te kunnen blijven zien, moet je elkaars verschillen accepteren. Maar soms blijken die te groot. Ik heb door dit werk mensen moeten loslaten, ben vriendschappen kwijtgeraakt. Dat proces is nog gaande. Dat vind ik het lastigste aan wat ik heb ondernomen.’
Staat daar ook waardering tegenover?
‘Jawel, er zijn ook vrienden die meeleven en dan dus opeens met zo’n tas met kleren aan komen. Wat ik erg ongemakkelijk vind, is wanneer mensen mijn werk nobel noemen. Alsof het zwaar en heftig is en ik me aan het opofferen ben. Ik voel me juist bevoorrecht dat ik deze mensen mag helpen. Op de Zuidas zou ik niet gelukkig worden. Dus ja, ik doe dit werk voor anderen, maar zeker ook voor mezelf. Ik krijg er veel voor terug.’
Kunt u dat concretiseren?
‘Ik word blij als ik tekenen zie dat onze jongens in de Jordaan onderdeel van de buurt aan het worden zijn. Voordat we van start gingen, kregen we veel kritische vragen, vooral van de groep oude Jordanezen. Op een buurtbijeenkomst werd er van alles geroepen: (met plat Amsterdams accent) ‘Waarom krijgen wij dit in onze buurt? Wat moeten we hier, met die criminaliteit en drugshandel?’ Ik heb ze toen uitgelegd dat de jongens minderjarig zijn, dus overdag naar school gaan en dat we bij dit soort projecten geen drugsproblemen hebben. Maar goed, de praktijk is de echte test.’
Hoe gaat het eerste half jaar?
‘We hebben nog niet alle buren mee, maar er zijn er flink wat heel betrokken: buurvrouwen die samen met de jongens koken, een buurman die ze met hun huiswerk helpt. De expats zien we niet, die zijn denk ik met zichzelf bezig. We hadden tante Rietje, een gepensioneerde marktkoopvrouw. Die was eerst behoorlijk kritisch, maar kwam later vrijwel dagelijks langs. Iedereen kan bij ons altijd binnenlopen, dat vinden we bij de cultuur van de Jordaan horen. De jongens helpen de rollator van ome Co, Rietjes man, naar boven tillen. Helaas is zij plots overleden. ‘Hoe moet het nu met ome Co?’, vroegen de jongens. Eentje stelde voor dat we, omdat we met 44 zijn, iedere dag iemand bij hem langs konden laten gaan.’
‘Doordat ze zo midden in de buurt zitten, krijgen ze veel mee van de samenleving. Dat is goed, daardoor gaat hun inburgering sneller. En omdat ze zo jong zijn, kunnen ze op school snel leren. Natuurlijk, het zijn jongens met een trauma, als gevolg van hun ervaringen in hun land of door hun vlucht naar Europa. Maar ik heb goede hoop voor ze. Eentje heeft als lasser gewerkt, die gaat zeker werk vinden. Volgens mij gaat deze generatie een goede toekomst in Nederland tegemoet.’
Boektip De veertig regels van liefde, Elif Shafak
‘Deze roman wist mij als geen ander duidelijk te maken waarom liefde en compassie essentieel zijn. De Turks-Franse schrijver Elif Shafak brengt oosterse en westerse wijsheid samen – de ‘veertig regels’ komen uit het soefisme. De belangrijkste boodschap: als we elkaars verschillen omarmen, ziet de wereld er zoveel vriendelijker uit.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant