Voor de slachtoffers van de razzia van Rotterdam en Schiedam in november 1944 was na de oorlog weinig aandacht – Rotterdam was druk met de wederopbouw. Tachtig jaar later heeft Ron Schuurmans over ruim duizend van hen minibiografieën geschreven.
is regioverslaggever van de Volkskrant in de provincie Zuid-Holland.
‘Wie de verhalen achter elkaar leest, krijgt een goed beeld van wat het betekende om razziaslachtoffer te zijn’, zegt Ron Schuurmans vanuit zijn krappe werkkamer in Spijkenisse, waarin hij zich zeven dagen per week terugtrekt. ‘Ik vind het belangrijk dat in ieder geval het verhaal van die ruim duizend mannen nu bekend is. Zodat familieleden, nabestaanden en andere belangstellenden eindelijk horen wat er is gebeurd.’
Voor de slachtoffers van de razzia van Rotterdam en Schiedam van 10 en 11 november 1944 was lange tijd geen aandacht. De wederopbouw van de stad ging voor. Pas in november vorig jaar kwam er een herdenkingsmonument voor de ongeveer 52 duizend inwoners die door de Duitse bezetter onder het mom van de Arbeitseinsatz werden opgepakt, afgevoerd en tewerkgesteld.
Dankzij het werk van Ron Schuurmans krijgen de slachtoffers nu, tachtig jaar later, een gezicht. Twee jaar lang onderzocht hij dagboeken, brieven en andere egodocumenten van Rotterdammers en Schiedammers die te werk werden gesteld in Duitsland en Oost-Nederland. Dat leidde tot 1.360 minibiografieën, die hun verhaal en hun plaats in de geschiedenis, vereeuwigen. Stadsarchief Rotterdam zorgde ervoor dat ze te bekijken zijn via Oorlogsbronnen.nl, een online mega-archief over de Tweede Wereldoorlog.
De Duitsers besloten tot de razzia omdat zij vreesden dat de mannen in de leeftijd van 17 tot 40 jaar verzet zouden kunnen plegen op het moment dat de geallieerden voor de deur stonden. Ook kwam het de bezetter goed uit om de Nederlandse arbeiders in te zetten in de oorlogseconomie. Zij moesten loopgraven maken, spoorbanen repareren en tankwallen opwerpen.
Duizenden gezinnen bleven achter zonder kostwinner en moesten zich door het zwaarste oorlogsjaar zien te redden. Zo’n vier- tot vijfhonderd mannen keerden nooit meer terug uit het oosten. Zij stierven aan uitputting, ziekten en door luchtaanvallen. Vele anderen raakten getraumatiseerd.
Schuurmans heeft de afgelopen jaren monnikenwerk verricht. Voor één minibiografie moest de 69-jarige gepensioneerde zich soms door een dagboek van 180 bladzijden ploegen. Hij werkt het liefst ’s nachts. In de zomer gaat hij pas naar bed als de zon alweer is opgekomen. ‘Ik doe natuurlijk weleens boodschapjes en mijn vrouw en ik gaan weleens een weekendje weg, maar voor de rest ben ik altijd hier aan het werk’, zegt hij met een onmiskenbaar Rotterdamse tongval.
Schuurmans voornaamste drijfveer? Chauvinisme, geeft hij eerlijk toe. ‘Het gaat hier wel over Rotterdammers, hè.’ Eerder deed hij onderzoek naar de slachtoffers van het bombardement op Rotterdam (14 mei 1940): samen met een collega kwam hij tot liefst zeshonderd nieuwe namen.
Schuurmans werkte vroeger onder meer bij de sociale dienst in Spijkenisse en bekwaamde zich in zijn vrije tijd in genealogie (stamboomonderzoek) en paleografie (bestudering van oude handschriften). Voor dit onderzoek achterhaalde Schuurmans en passant ook de auteur van 51 dagboeken die in het stadsarchief lagen.
Een onmenselijke behandeling. Dat is volgens Schuurmans wat de weggevoerde mannen vanaf minuut één kregen te verduren. Hij wijst naar zijn computerscherm, waarop een door hem gemaakte stamboom verschijnt. ‘Zie je deze twee Schiedamse broers, Bep en Jan Eijkenbroek? Doodgeschoten. Ze zaten ondergedoken, maar werden verraden. Ze moesten mee van de Duitsers, maar keerden toch nog even terug om brood en dekens te halen. Wat er daarna gebeurde, is nooit helemaal opgehelderd. Een Duitse SD’er haalde ineens de trekker over. En dat was het dan.’
De reis naar het oosten vormde na de aanhouding de volgende beproeving. De razziaslachtoffers moesten hele stukken lopen en werden daarna vaak met de trein vervoerd. ‘Dan werden ze gewoon in het ruim gedouwd. Het was donker en koud, in sommige wagons lag nog paardenmest.’ Er was geen mogelijkheid om naar het toilet te gaan. ‘En dan waren er ook nog mensen bij die zich niet lekker voelden.’
Rotterdammer Jo Kievit beschreef in zijn dagboek dat na een reis van 63 uur de mannen ‘ongewassen en ongeschoren, stom en wezenloos voor zich uitkijkend, misschien wel het meest leken op een transport van geesteszieken’.
Aangekomen op de werkkampen werden ze vaak gedwongen om de hele dag buiten in de kou te werken. Rotterdammer Bram de Lange moest ’s nachts bij min 30 graden in een kolenbunker in de weer om de locomotieven van kolen te voorzien. ‘Ik had onvoldoende kleding en mijn handen vroren vast aan de stalen kiepkarren’, schreef hij.
Schuurmans: ‘Ze hadden ook vaak slecht schoeisel, dat het snel begaf. Dan kregen ze een stel klompen, waardoor ze hun voeten kapotliepen.’ Ze konden zich niet scheren, hun tanden niet poetsen en droegen wekenlang hetzelfde ondergoed. ‘Je kunt je voorstellen: ze stonken als een bunzing.’
Als ze al niet ziek werden of stierven aan uitputting en slechte voeding, was er ook nog het risico om het leven te komen bij een luchtaanval van de geallieerden. Ook vonden er in sommige kampen seksuele misstanden plaats. ‘Iedere dag was een strijd van leven en dood’, schreef Rotterdammer Jacob Polak in zijn dagboek.
Uit alle egodocumenten die Schuurmans heeft gelezen, spreekt volgens hem ‘een onbedwingbaar verlangen naar huis’. ‘Veel mannen waren bang dat ze het niet zouden overleven en hun geliefden nooit meer zouden zien.’ Dat thuis de Hongerwinter was uitgebroken, was in de werkkampen bekend. ‘Als ik mijn dochter wil bellen en ze reageert na een paar uur niet, word ik al ongerust. Kun je nagaan: die mannen hoorden soms zes, zeven maanden niets, helemaal niets.’
Schuurmans vader Henk werd ook tewerkgesteld, nabij Stuttgart. Hij sprak na de oorlog eigenlijk nooit over de dwangarbeid die hij had moeten verrichten. Ja, in algemeenheden dan. ‘Die moffen hebben mijn jeugd verpest’, zei hij weleens. Of hij schepte op over de leuke en stoere dingen die hij had meegemaakt. Schuurmans doet na hoe zijn vader stiekem aan een fruitboom schudde, als de Duitse bewakers even niet opletten. ‘Zo hadden ze toch wat te eten.’
In menig dagboek las Schuurmans dat de mannen soms eten moesten ‘organiseren’. ‘Klaarblijkelijk was dat de term voor het jatten van voedsel, bij een boer of elders.’ Ook zijn vader vertelde er vaak over, maar zijn moeder Mies had niet zo veel op met zijn sterke verhalen. ‘Als hij daarover begon, zei ze: ‘Henk, schei toch eens uit.’’
Zijn vader hield een dagboek bij. Erg spannend om te lezen was dat niet. Hij beschreef zijn werkzaamheden, wat hij at, hoe het weer was. ‘Niet de nare dingen. Het was verboden om een dagboek bij te houden, dus ze keken wel uit om ook de verschrikkingen op te schrijven. Als ze werden ontdekt, konden ze daar nog extra mee in de problemen komen.’
Schuurmans kwam er tijdens eerder onderzoek achter dat zijn vader ook gruwelijkheden moet hebben meegemaakt. Uit contact met een kamergenoot van toen bleek dat ze in zijn werkgebied moesten toekijken hoe andere mannen werden terechtgesteld. Russen die hadden geprobeerd om te vluchten, werden publiekelijk opgehangen. Schuurmans: ‘Russen en Polen werden nog slechter behandeld dan de Nederlanders. Die werden echt gezien als een minderwaardig volk.’
Op 20 april, de verjaardag van Hitler, werd Henk Schuurmans eindelijk bevrijd. ‘Dat vond hij wel een mooi cadeau.’
Niet alle Rotterdamse dwangarbeiders hoefden bij terugkomst in hun stad te rekenen op een hartverwarmend onthaal. Schuurmans: ‘Als ze hun verhaal probeerden te vertellen, was de reactie vaak: ‘Maar waarom ben je dan gegaan?’ Alsof het een vrije keuze was.’
Het Rotterdam van toen was verwoest door de bombardementen. ‘En ook nog eens geplunderd door de Duitsers, tot en met de trams aan toe. De meeste bomen waren gekapt om brandhout te verkrijgen. Wat een trieste stad moet dat zijn geweest, hè?’
Schuurmans haalt een vaalgeel papier, een document van het Bureau Gezinshulp, tevoorschijn uit zijn dossier. Het is een brief die de vrouwen, die in hun eentje het gezin door de Hongerwinter hadden geloodst, kregen vlak voordat hun man zou terugkomen. ‘Daarin werd min of meer gezegd: u heeft het misschien voor uw kiezen gekregen, maar uw man heeft het pas echt zwaar gehad. Dus als hij terugkomt, praat er niet te veel over en probeer er vooral voor uw man te zijn.’
En dat was het dan. ‘Hoewel de razzia een enorme invloed had op de maatschappij en het gezinsleven, is die lange tijd buiten het nationale geheugen gebleven.’
Duizenden uren heeft Schuurmans zitten spitten in de verledens van al die Rotterdamse arbeiders. Toch vertelt hij met de 1.360 getuigenissen slechts het verhaal van zo’n 2 procent van de Rotterdamse razziaslachtoffers. Had hij niet net zo goed een boek kunnen schrijven?
‘Nee, dat geloof ik niet’, zegt Schuurmans. Hij tuurt even uit het raam. ‘Daar heb ik eigenlijk ook helemaal nooit over nagedacht.’ Krediet voor zijn werkzaamheden is nooit een drijfveer geweest. Met een lach: ‘Maar ik heb wel een paar schouderklopjes gehad.’
Wanneer op 10 november 1944 de razzia plaatsvindt, is Hendrik ambtenaar op de afdeling sport en recreatie en heimelijk actief in het verzet. Hij wordt opgepakt en weggevoerd naar Ohrbeck, een werkopvoedingskamp, onder andere bestemd voor mannen die zich hebben onttrokken aan gedwongen arbeid. Daar heersen levensbedreigende omstandigheden die lijken op die in de concentratiekampen. De Gestapo laat veel gevangenen werken voor de Klöcknerfabriek in Georgsmarienhütte, een belangrijk staalbedrijf voor de oorlogsindustrie.
Zwaar lichamelijk werk, honger, ziekten, afranselingen en treiterijen bepalen het dagelijks leven van de gevangenen. De Gestapo neemt ook verhoren af, waarbij martelingen niet worden geschuwd. Als gevolg van een ongeval en daaropvolgende mishandelingen door bewakers overlijdt Hendrik op 8 januari 1945. Zijn vrouw verliest niet alleen haar man, maar ook haar moeder, schoonmoeder en broer. Ze staat er alleen voor om vier jonge kinderen op te voeden.
Bij de razzia van 11 november 1944 wordt Leonardus opgepakt. Hij is dan 36 jaar en huisschilder. Met een groep van ongeveer 250 mannen moet hij urenlang in de regen staan bij verzamelplaats Nenijto, om vervolgens met een goederentrein te worden weggevoerd. In iedere wagon worden zestig mannen gepropt, die elk gedurende zes dagen en zeven nachten nauwelijks de trein kunnen verlaten. Ze krijgen amper eten en drinken.
Aangekomen in Neurenberg-Zollhaus moeten de mannen op een reusachtig spoorwegemplacement de gebombardeerde baanvakken herstellen. Het is zwaar werk. Op een dag zien ze een trein met uitgemergelde Hongaarse joden die worden bewaakt door weldoorvoede SS’ers. Ze zijn er getuige van hoe de lijken van de onderweg overleden joden worden overgebracht naar andere goederenwagons, die al tot de nok toe gevuld zijn met doden.
Op 11 april 1945 vindt een zwaar bombardement plaats in Neurenberg-Zollhaus. Verschillende Rotterdammers komen daarbij om het leven. Maar Leonardus overleeft, en een week later worden ze bevrijd. Vermoedelijk bereikt Leonardus begin juni 1945 Rotterdam. Hij overlijdt op 19 juli 1984 op 75-jarige leeftijd.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant