Hij vernieuwde in de jaren vijftig de bigband sound en maakte in de jaren tachtig van Michael Jackson een wereldster. Maar ook Ray Charles, Donna Summer en Frank Sinatra hebben veel aan de producer te danken.
Zonder de zondag op 91-jarige leeftijd overleden Quincy Jones had de pop-, jazz of zelfs de complete muziekwereld er beslist anders uitgezien. Zelfs als hij in de jaren tachtig niet als producer betrokken was bij de drie albums waarmee Michael Jackson de grootste popster ter wereld werd, dan nog zal hij de geschiedenis ingaan als een van de belangrijkste arrangeurs, componisten, bandleiders en producers die de vorige eeuw heeft voortgebracht.
Behalve die van Michael Jackson, met wie hij de albums Off The Wall (1979), Thriller (1982) en Bad (1987) opnam, zijn ook de carrières van Ray Charles en Frank Sinatra onlosmakelijk met Jones verbonden.
Over de auteur
Gijsbert Kamer is sinds 1992 muziekjournalist. Hij schrijft voor de Volkskrant recensies, interviews en beschouwingen over pop en jazz.
Daarnaast componeerde hij filmmuziek, was hij begin jaren negentig producent voor populaire tv-series als The Fresh Prince of Bel-Air en was nauwelijks iets in de entertainmentindustrie waar Jones geen aandeel in had. Zo was hij in 1993 mede-oprichter van het in hiphop en r&b gespecialiseerde tijdschrift Vibe.
Het begon allemaal, zo vertelde hij in diverse interviews, toen hij, opgegroeid in de achterbuurt van Chicago als 11-jarige op zoek naar eten ergens inbrak waar hij een piano zag staan. Hij raakte de toetsen aan en wist het zeker: hier, in de muziek, lag zijn roeping. Wanneer hij even later naar Seattle verhuist vraagt hij trompettist Clark Terry om muziekles en zal in diezelfde stad op 14-jarige leeftijd Ray Charles ontmoeten met wie tot aan diens dood bevriend zou blijven.
Zijn muzikale talenten moeten eind jaren veertig al welhaast overschaduwd zijn door die op sociaal vlak. Niet alleen krijgt en grijpt hij zijn kansen op diverse hoog aangeschreven muziek-opleidingen, hij legt op de juiste momenten ook de juiste contacten. In 1951 vraagt Lionel Hampton hem voor zijn orkest waarmee hij ook naar Europa reist, en in 1956 vraagt trompettist Dizzy Gillespie hem voor musical director in zijn band.
Europa bevalt hem veel beter dan het gesegregeerde Amerika. In Parijs mag hij zich wel toewijden aan het schrijven voor strijkersarrangementen, iets dat in zijn eigen land alleen aan witte componisten is voorbehouden. Hij gaat in Parijs voor Barclay Records werken en neemt het aanbod aan om het orkest te gaan leiden voor een musical, Free And Easy. Het wordt een flop, maar Jones wil zijn dertig-koppige bigband niet ontbinden. Hij zoekt elders in Europa naar optredens maar zal uiteindelijk in 1961 met torenhoge schulden naar de VS terugkeren.
Hij gaat in New York voor het label Mercury werken aan een nieuwe jazzartiesten-stal, maar ziet dat popmuziek op dat moment meer potentie heeft. Hij ontdekt de zangeres Lesley Gore en bezorgt haar in 1963 een nummer 1-hit met It’s My Party.
Jones heeft dan zelf al een stel goed ontvangen bigband-albums uitgebracht maar zal zijn aandacht steeds meer naar het filmsoundtracks en popmuziek verleggen.
Hij componeerde muziek voor onder meer In Cold Blood en In The Heat of The Night en tv-series als Sanford and Son. Zijn muzikale interesses verschuiven begin jaren zeventig meer richting funk en soul, zoals te horen op het genre-overschrijdende album Body Heat (1974). Bijna was dit zijn zwanenzang geweest want in datzelfde jaar kreeg Jones een hersenbloeding. Trompetspelen mocht hij niet meer, maar het produceren en arrangeren pikte hij langzaam weer op. In 1978 kreeg hij de muzikale supervisie over de soundtrack van de film The Wiz met Diana Ross en Michael Jackson.
Op die set ontmoetten Jones en Jackson elkaar voor het eerst en Jones wil graag verder met Jackson die op dat moment zoekende is naar de juiste vorm als solo-artiest. Jackson moet platenmaatschappij Epic echt overhalen met de te jazzy bevonden Jones in zee te gaan.
Het eerste resultaat, het album Off The Wall is met hits als Don’t Stop ‘Til You Get Enough al een groot succes, maar alle verkooprecords worden gebroken met het album Thriller (1982) dankzij klassiekers als Billie Jean, Beat It, Human Nature en Wanna Be Startin’ Somethin’.
Maar Jones scoort in die jaren behalve met Jackson ook met de Brothers Johnson (Stomp!), George Benson (Give Me the Night) en Donna Summer (State Of Independence), en had onder eigen naam veel succes met het soulvolle album The Dude (1981). Zijn betrokkenheid als arrangeur en producer bij USA For Africa’s We Are The World betekende in in 1985 een ander hoogtepunt in zijn loopbaan. Eigenlijk kon niemand in de popmuziek van de jaren tachtig om hem heen, al zou hij zich na zijn album Back On The Block (1989) waarop jazz (Miles Davis) en hiphop (Ice-T) elkaar ontmoetten, meer op tv en andere media gaan richten. Maar hij bleef altijd nieuwsgierig naar nieuwe muziek en artiesten, en wierp zich tot hoge leeftijd op als mentor voor jong talent, zoals Jacob Collier. Wie Jones voor een optreden wilde boeken moest ook zijn protegé’s een plekje geven.
Die eisen kon hij met zijn enorme legacy makkelijk stellen. Iedereen kent zijn muziek. Van het uitbundige Soul Bossa Nova en Chump Change (hier beter bekend als de tune van het radio-programma Langs de Lijn tot zijn werk met Frank Sinatra (zijn met Count Basie gemaakte Fly Me To The Moon of het live-album Sinatra At The Sands). Hij vernieuwde in de jaren vijftig de bigband sound en zijn producties maakten in de jaren tachtig van Michael Jackson een wereldster. Maar altijd is hij zich blijven richten op de toekomst. Terugblikken dat was iets voor anderen. Quincy Jones is zijn hele leven vooruit blijven kijken.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant