Anny Oldenhave-Beuse is 100 jaar. Hoe kijkt deze verpleegkundige, die altijd is blijven werken, terug op de eeuw die achter haar ligt?
Anny Oldenhave-Beuse heeft een ontwapenende manier van vertellen en kan zich nog opwinden over zaken waar ze met de pet niet bij kan. De 100-jarige gepensioneerde verpleegkundige woont zelfstandig, met haar stokoude poes die naast haar op de eettafel op zijn brokjes kauwt. Bij een gezonde reflex tijdens een val in huis een halfjaar geleden – de val breken met haar handen – zijn de pezen in haar vingers gescheurd, waardoor Anny Oldenhave alleen nog knuisten kan vormen met haar handen. In het ziekenhuis vinden ze haar te oud voor een operatie, vertelt ze.
Geen operatie is extra wrang voor een vrouw die duizenden patiënten heeft verpleegd.
‘Ik zal het moeten accepteren. Met grote moeite kan ik een beker vasthouden om uit te drinken, bestek hanteren is ook lastig. Ik kan bijna niets meer met mijn handen. De was opvouwen gaat ook heel moeizaam en niet meer zo netjes. Ik wil zo graag mezelf kunnen redden. De dagen duren lang als je niet veel meer kunt doen. Ik lees veel, elke dag het Algemeen Dagblad, en kijk naar medische programma’s op televisie, om te zien wat er verandert in de zorg.’
Wie is momenteel de belangrijkste persoon in uw leven?
‘Mijn dochter! Ik voel me zo gelukkig met haar. Ik kan haar altijd bellen en bereiken als er iets is. Ze is een grote steun, zeker nu ik mijn vingers niet meer kan gebruiken en in alles afhankelijk ben geworden. Els komt elke dag langs met een maaltijd, die warm ik op in de magnetron, zelf koken lukt ook niet meer met die handen. Ook mentaal is mijn dochter een grote steun, we kunnen overal over praten. Ik ben veel bezig met mijn twee zoons. De oudste is 2,5 jaar geleden overleden aan nierfalen en de jongste heeft het moeilijk door een huwelijk van 30 jaar waarin heel nare dingen zijn gebeurd. Ik heb niets in de gaten gehad, want van de buitenkant leek er niks aan de hand. Ik wil hem helpen, maar voel mij machteloos. Als moeder blijf je altijd bezorgd, dat gaat nooit over.’
Uw dochter vertelde dat u heel zuinig bent.
‘Onnodige dingen heb ik niet nodig. Ik draag tweedehandskleding en doe daar heel lang mee. Op mijn 95ste verjaardag wilde ik graag een wit tasje bij mijn jurk. Ik ben naar de kringloopwinkel gegaan en vond er een voor 1 euro. Waarom zou ik een dure nieuwe kopen? Als ik jarig ben, hoef ik geen cadeaus, maar vraag ik mijn gasten giften voor een goed doel. Op mijn 100ste verjaardag heb ik 800 euro opgehaald voor de Nierstichting.’
Lijkt u meer op uw vader of op uw moeder?
‘Mijn vader. Hij was een doodgoeie sul, een lieve man bij wie ik mij op mijn gemak voelde. Hij had een kruidenierszaak, als kind ging ik de huizen van klanten langs om bestellingen op te nemen en als mijn vader de boodschappen had klaargezet, bezorgde ik die op de fiets.
‘Ik lijk zeker niet op mijn moeder; ze was hoogmoedig en gemeen, dat ken ik niet. Ze maakte onderscheid tussen mensen, ik niet, voor mij is iedereen gewoon. Ze was niet gesteld op mijn man Wim, omdat hij van een boerderij in de Achterhoek kwam. Dat ze hem te min vond, liet ze merken in haar doen en laten. Wim was meubelmaker, alle kasten en kastjes die je in mijn huis ziet staan, zijn door hem gemaakt.
‘Ik had één oudere broer, daar kon ik niet goed mee opschieten – hij was net zo gemeen als mijn moeder. Toen mijn vader ziek was, heeft mijn broer hem zonder mijn medeweten in een verzorgingshuis gedaan. Erg hè, terwijl ik al maanden thuis voor hem zorgde en mijn baan in het ziekenhuis daarvoor had opgezegd.’
U bent na uw huwelijk altijd blijven werken; voor een vrouw van uw generatie is dat bijzonder.
‘Mijn moeder trok mijn broer altijd voor. Daardoor probeerde ik zo veel mogelijk mijn eigen leven te leiden en er zelf voor te zorgen dat ik het goed had. Ik wist al jong dat ik de verpleging in wilde en heb mijn zin doorgeduwd. Na de mulo was ik nog te jong voor de opleiding, in die tijd moest je minimaal 20 jaar zijn, en ging ik eerst op een postkantoor werken. Daar verdiende ik 100 gulden per maand, in de verpleging 16 gulden, een groot verschil, maar ik wilde het zo graag. Ik woonde intern in het Algemeen Ziekenhuis in Zutphen. Je ging meteen aan het werk als leerling-verpleegkundige, daarnaast kreeg je cursussen.
‘Tot mijn pensioen ben ik verpleegkundige geweest, in het ziekenhuis, de wijk en een verpleeghuis. Toen mijn kinderen klein waren, werkte ik als mijn man thuis was, dus in de avond en op zaterdag. Ik heb het altijd belangrijk gevonden ervoor te zorgen dat een ander het goed heeft.’
Ze pakt haar diploma erbij, een boekje waarin tal van aandoeningen staan vermeld die ze heeft behandeld (tuberculose, typhus, kinkhoest) en handelingen die ze als leerling verpleegkundige moest uitvoeren, zoals ‘ijsblaas geven’, ‘scheren met mes’ en ‘pediculkap opzetten’. De laatste licht ze toe: ‘Als een patiënt hoofdluis had, moest je eerst zijn of haar haren insmeren met speciaal spul en daarna die pediculkap opzetten, zo gingen de beestjes en de neten dood.’
Werkte u tijdens de oorlog in het ziekenhuis?
‘Ja, vanaf januari 1945. De Duitsers namen op een dag het gebouw in beslag, alleen de patiënten die veel zorg nodig hadden mochten blijven. Tot de bevrijding in mei dat jaar moesten we hen in de kelder verplegen – dus alle zieken, bedden en apparatuur werden daarnaartoe verhuisd. Als verlichting gebruikten we waxinelichtjes en kaarsjes. Makkelijk was dat niet, hoor. De bevrijding op 5 mei heb ik trouwens niet meegemaakt, toen lag ik met difterie in een barak, een apart gebouw naast het ziekenhuis voor mensen met besmettelijke ziekten. Bezoek mocht alleen door een raampje kijken. Ik kon wel de muziek van de bevrijdingsfeesten horen.
‘In het jaar na de oorlog lagen op de bovenste verdieping van het ziekenhuis moffenmeiden met geslachtsziekten. Het hoorde bij mijn opleiding ze te verzorgen. Die vrouwen werden door iedereen met de nek aangekeken.
‘In die tijd werd in ziekenhuizen onderscheid gemaakt tussen patiënten met veel en met weinig geld. De rijken lagen bij elkaar, op de klasse-afdeling. Ze hadden privileges, zoals ander eten en meer bezoek. Het is maar goed dat dit is afgeschaft.’
Is er een patiënt die u altijd is bijgebleven?
‘Ik heb één keer gevangengezeten. Een vrouw die ik hier in Den Haag verzorgde als wijkverpleegkundige, was geld kwijt en beschuldigde mij ervan dat gestolen te hebben. Ik werd gearresteerd en op het politiebureau gevangen gezet. ’s Nachts mocht ik weer naar huis, want die vrouw bleek haar geld weer gevonden te hebben – onder haar wc-bril, waar ze het zelf verstopt had. Het was vreselijk valselijk beschuldigd te worden en opgesloten te zitten. Dan ga je mensen helpen en doen ze zó tegen je! Mijn man was wóést.’
Is het uitgepraat met die vrouw?
‘Ik wilde niet meer bij die vrouw werken. Ik kan mij niet herinneren of ze haar excuses heeft aangeboden. De rechercheur die verantwoordelijk was voor mijn arrestatie werd op non-actief gesteld.’
Er is al jaren een groot tekort aan verpleegkundigen in Nederland, hoe kijkt u daar tegenaan?
‘Dit werk moet je met hart en ziel doen, je moet echt een ander willen helpen.’
Zouden minder mensen die drive hebben, in deze individualistische tijd?
‘Dat weet ik niet, het zou kunnen. Je moet wel wat over hebben voor dit werk. Zelf zou ik nu niet in de verpleging willen werken, want alles moet vlug vlug vlug. Er is minder tijd voor persoonlijk contact – en dat is juist het mooiste van dit vak.’
Heeft u zelf die veranderingen ondervonden?
‘Ik merk het als de thuiszorg bij mij langskomt, in de ochtend en de avond, om mij te helpen met aankleden en uitkleden. Ik ben elke keer blij als ze er zijn, maar ze houden hun jas aan terwijl ze mij helpen, want moeten vlug weer weg, naar de volgende cliënt. Daar kiezen ze zelf niet voor, ze hebben een schema waaraan ze zich moeten houden. In mijn tijd was er altijd tijd voor een praatje. In de zorg gaat het om mensen, die hebben aandacht nodig, dat helpt ook bij de genezing, daarvan ben ik overtuigd.’
U volgt het nieuws op tv en in de krant, welke ontwikkelingen houden u het meest bezig?
‘Al die oorlogen en dat er wordt gezegd dat er geen plek is voor mensen die daarvoor op de vlucht slaan en hier in Nederland aankomen. De regering moet dit toch kunnen oplossen? Het zijn mensen, net zoals wij. Er is plek genoeg. Naast de woning van mijn zoon staat al jaren een bankgebouw leeg. En het voormalige Rode Kruisziekenhuis in Den Haag staat ook bijna vier jaar leeg. Waarom vangen ze daar geen mensen op?’
geboren: 3 augustus 1924 in ’s-Hertogenbosch
woont: zelfstandig, in Den Haag
familie: 3 kinderen (een overleden), 10 kleinkinderen, 8 achterkleinkinderen
beroep: verpleegkundige
weduwe sinds 1999
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant