‘Harris is iemand met een laag IQ, een domme gans’ en: ‘Ik ga vrouwen beschermen, of ze het nu willen of niet’. Het is de oogst van slechts één week Donald Trump. Toch ging de meeste media-aandacht naar een onhandige uitspraak van aftredend president Joe Biden, die Trump-supporters ‘afval’ zou hebben genoemd, iets wat hij zelf ontkende.
Amerikakenner Charles Groenhuijsen verzuchtte dat de Democraten de ‘haatdragende en wraakzuchtige taal’ van de Republikeinen overnemen en dat Harris Trump had ‘uitgescholden’ voor fascist. Let wel: Groenhuijsen is openlijk pro-Harris. Vorige week schreef ik ook al over de valse balans, die (ervaren) journalisten maar blijven optuigen. Dan nu de vraag waarom zij dat doen. Ik meen drie groepen te kunnen onderscheiden, met allemaal hun eigen redenen.
De eerste groep heb ik op deze plek regelmatig beschreven. Dat zijn mensen die het simpelweg eens zijn met radicaal-rechts, maar daar (nog) niet voluit voor uit durven te komen. Daarom verschuilen ze zich. Achter de gewone man, die zij laten zeggen wat zij zelf denken, zodat zij dat niet hoeven te doen.
Met als bonus dat je ook nog eens sympathiek overkomt, door te suggereren dat je voor ‘laagopgeleiden’ opkomt. Je verschuilen kan ook achter cijfers, door deze eindeloos te betwisten of te herinterpreteren, zodat aan de werkelijke discussie niet meer toegekomen wordt. Dat gebeurde met stikstof en nu ook met immigratie – zie Van de Beekgate.
De tweede groep, de fatsoenlijken, is wél te goeder trouw, maar ook hopeloos naïef. Mensen als Groenhuijsen geloven oprecht dat je de leugens en strafbare uitingen van radicaal-rechts moet beantwoorden met fatsoen. Het eigen fatsoen zou de tegenstander in hun theorie overtuigen óók fatsoenlijk te worden. Die gedachte omvat ook strategische zelfcensuur; je mag nooit iemand een fascist noemen en zeker een fascist niet, want dan wint die fascist.
Het probleem is alleen dat het niet werkt. In Amerika zijn de Democraten, inclusief Michelle Obama zelf, dan ook teruggekomen van haar mantra ‘When they go low, we go high’ en wordt Trump tegenwoordig ‘gewoon’ een fascist genoemd. In Nederland is er evenmin bewijs voor deze fatsoenswederkerigheidstheorie: juist Sigrid Kaag, die zich nooit onfatsoenlijk uitliet, werd kop-van-jut bij radicaal-rechts.
Bij de fatsoenlijken, vaak ouder, geldt daarbij nog iets: de herinnering aan de Tweede Wereldoorlog maakt dat een verwijzing naar fascisme bij die generatie heviger wordt veroordeeld. Alsof je door Trump een fascist te noemen afbreuk doet aan de ellende van toen. Woorden als ‘extreemrechts’ of ‘fascisme’ verstoren hun wensdenken dat het nazisme een unieke oprisping van het kwaad was.
De derde groep, ten slotte, heeft zo lang aangehoord dat de media ‘links’ zouden zijn, dat men simpelweg de weg van de minste weerstand kiest en de balans maar gewoon bijstelt naar rechts. Dat is overigens niet helemaal vrijwillig; dat gebeurt onder druk van de effectieve intimidaties en bedreigingen van het op sociale media dominante radicaal-rechts. Daarbij speelt in toenemende mate dat radicaal-rechts ook offline de macht naar zich toetrekt, en weerwoord daarmee gevaarlijker wordt voor de eigen carrière of veiligheid.
‘They expect Harris to be flawless while Trump can be lawless’, verzuchtten de Democraten in reactie op het met twee maten meten van de media. Ze hebben gelijk: als Trump deze week wint, is dat met name te wijten aan ruggengraatloze media, die onder druk van de extreemrechtse dominantie op sociale media overal in het Westen dezelfde fouten maken.
Over de auteur
Sander Schimmelpenninck is journalist, ondernemer en columnist van de Volkskrant. Eerder was hij hoofdredacteur van Quote. Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier de richtlijnen van de Volkskrant.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant