Home

Ik herkende hem pas toen ik mijn inhammen fotografeerde: mijn eigen kleine midlifecrisis

In de zes maanden na mijn veertigste verjaardag kocht ik dezelfde schoenen als mijn 28-jarige neefje, deed ik een fotoshoot in mijn onderbroek voor een internationaal gay-tijdschrift en overwoog ik even alles op het spel te zetten voor een 26-jarige jongen in Berlijn. Toch viel het kwartje pas toen ik afgelopen weekend in mijn badkamer mijn haren fotografeerde voor een online consult met een haarkliniek die beloofde iets te kunnen doen tegen inhammen. Op de foto van mijn achterhoofd ontdekte ik een kale plek. Ik probeerde rustig na te gaan wat mijn lichaam daarbij voelde met een kleine bodyscan en dacht: aha, dit is dus dat ene waarvan de vriendjes van mijn moeder vroeger last hadden als ze plotseling een motor kochten en een oorbel namen. Mijn eigen kleine midlifecrisis.

Mijn moeder zei dat dit een goed moment was om in therapie te gaan, maar dat zegt ze al twintig jaar. Het internet zei: biergisttabletten. Toen ging mijn telefoon. Een onbekend nummer. „Is dit Raoul de Jong?”, vroeg een diepe stem met Surinaams accent. „Vader?”, vroeg ik. Hij klonk een beetje verongelijkt: „Ja ben ik dat nog steeds?” Hij had me drie keer geprobeerd te bellen op mijn verjaardag en kort daarna was ik mijn telefoon verloren. „Natuurlijk”, zei ik en ik besefte dat hij van alle mensen op deze planeet precies degene was die ik nu wilde horen.

We hadden elkaar voor het eerst ontmoet op mijn 28ste, onder de klok in de hal van Amsterdam Centraal. Hij had gehuild, ik niet. In eerste instantie was ik vooral teleurgesteld. Hij was net zo klein en tenger als ik, en kaal. Dit is het dan, had ik begrepen, waar ik vandaan kom en wat er voor me in het verschiet ligt. Om uit te zoeken wat daar leuk aan was had ik vervolgens zeven jaar onderzoek gedaan en daar een boek over geschreven.

„Jaguarman brengt je de hele wereld over”, zei mijn vader nu. Het verbaasde hem niets, want daar had hij voor gebeden. „Ik zie het allemaal op Facebook.”

Ik zei dat alles er van voren altijd leuker uitziet dan van achteren en vertelde hem over de kale plek. Mijn vader was even stil en zei toen: „Laat de rest van je haar wat langer groeien.”

Ik vroeg wanneer hij definitief zijn haar was verloren. „Rond mijn vijftigste. Dat was even moeilijk, tot ik begreep dat ik het belangrijkste nog had: mijn woorden, mijn charme, mijn toverkracht. Die heb jij ook, je erfde ze van mij.”

Toen hield hij een monoloog over God en Suriname en terwijl ik keek naar het bleke herfstzonnetje dat mijn kamer binnendrong besefte ik hoe wonderlijk het is dat er ergens op de wereld een man en een vrouw zijn die sowieso altijd willen dat het goed met me gaat en wat een verademing het is om daarnaar te kijken in plaats van naar alles wat ze verkeerd hebben gedaan.

„Je zal altijd knap zijn”, zei mijn vader, na afloop van zijn monoloog. „Ik heb geen lelijke kinderen voortgebracht.” En omdat mijn vader mijn vader is, kon hij het niet laten om me te verlaten zonder goddelijke zegen: „God blesses you and protects you! Het gaat goed en het zal nog beter gaan, dus bereid je daarop voor. En ik zal bidden voor je haar. Hoor je me?”

„Ik hoor je”, zei ik. „En ik hou ook van jou.”

Schrijf je in voor de nieuwsbrief‘Boeken’

Ontvang iedere week het laatste boekennieuws, recensies en de interessantste interviews in je inbox

Source: NRC

Previous

Next