Hij verzet zich tegen de gedachte dat de mens zijn geluk in eigen hand houdt. Nee, volgens de Belgische psychiater en hoogleraar Dirk De Wachter zit de ware betekenis van het leven en de oplossing van eenzaamheid eenvoudigweg in het contact met anderen.
In de bakstenen gangen van het psychiatrisch ziekenhuis in de buurt van Leuven klinken de stemmen gedempt. Aan de muren hangen rekken met folders en kunstwerken waar de mensheid best zonder zou kunnen.
Hoogleraar Dirk De Wachter staat te wachten in de deuropening van zijn kantoor, dat al even sober is ingericht. Hij draagt een zwart pak, zijn halflange haar is achterovergekamd – verwarrend veel star quality voor een omgeving als deze.
Kijk door je oogharen, en hij zou een broer van Nick Cave kunnen zijn. Doe ze open, en je ziet dat aan zijn kapstok een witte jas hangt. Zodra zijn diepe stem klinkt, weet je meteen dat je te maken hebt met de ‘verdrietdokter’ die zo bevlogen en troostend kan vertellen.
‘Zeg eens’, begint hij. ‘Hoe komt u vanuit het hoge noorden tot bij deze kleine Vlaming? Wat heeft men daar bezield om u zo ver te sturen?’
Dat weet hij natuurlijk best. Naast gerenommeerd psychiater is De Wachter ook denker, columnist en schrijver van boeken die als warme broodjes over de toonbank gaan. In die boeken uit hij steevast kritiek op de westerse wereld en pleit hij voor een meer ‘meditatieve’ vorm van leven.
Borderline times gaat over de volgens hem funeste gevolgen van de haastigheid waarmee wij leven. De kunst van het ongelukkig zijn is een pleidooi tegen het streven naar individueel geluk, dat naar zijn mening een ‘vergissing’ is.
In Vertroostingen verknoopte hij zijn overtuigingen met zijn persoonlijke lot; De Wachter werd drie jaar geleden getroffen door een ongeneeslijke vorm van darmkanker.
Hoewel zijn ziekte hem dwingt het rustiger aan te doen, verspreidt De Wachter zijn boodschap ook graag vanaf het podium, liefst voor een zo breed mogelijk publiek. Hij vulde klaslokalen, aula’s en kerkbanken, maar stond ook op podia van festivals als Tomorrowland. En met succes.
De Nederlandse hiphoppionier Sticks samplede De Wachters stem in zijn nummer Succes - Deel 2. ‘En Zwangere Guy, een van de bekendste rappers in Vlaanderen, heeft dat zelfs tweemaal gedaan.
‘Dat is toch wel het hoogste dat ik in mijn carrière kon bereiken. Op zijn minst zo belangrijk als een eredoctoraat of een grote onderscheiding. Ik kijk hier misschien een beetje ironisch bij, maar dat vind ik echt.’
Aanleidingen genoeg dus om met hem te komen praten over eenzaamheid, een probleem dat veel in de media is en volgens recente onderzoeken haast epidemische vormen begint aan te nemen. Bijna de helft van de Nederlanders zegt zich eenzaam te voelen. Eén op de zeven ervaart dit gevoel ‘sterk’. De stijging is vooral onder jongeren te zien, en groter bij meisjes. In Vlaanderen zijn de cijfers vergelijkbaar.
De Wachter keek er aanvankelijk van op, zegt hij. ‘Het klassieke beeld van eenzaamheid, dat is toch de oudere mens van wie de partner is gestorven en hun kinderen ver weg wonen. Van jongeren denk je al snel: hoe kan je nu eenzaam zijn op je 20ste?
‘Maar dat blijkt toch zo te zijn. En dan vergeten we nog de tussencategorie, waaraan men een beetje voorbijgaat. Zij zijn ook vaak eenzaam hè.’
De psychiater spreidt zijn armen. Waar te beginnen? Eenzaamheid, benadrukt hij, is iets anders dan alleen zijn. ‘Dat is een belangrijk onderscheid, al was het maar omdat er in de westerse wereld steeds meer mensen alleen wonen.
‘Als je goed geconnecteerd bent en regelmatig vrienden en familie ziet, dan is het geen probleem vaak alleen te zijn. Zulke mensen zijn wat ik noem ‘allenig’, waarin het woord lenig verstopt zit. Ook in een huwelijk of binnen een gezin kun je eenzaam zijn. De definitie is: ik heb niemand bij wie ik terecht kan. Op lastige momenten, en die zijn er in het leven af en toe, is er niemand die mij begrijpt, die mij kan troosten, die er ís.’
U bent al 35 jaar psychiater. Heeft u de eenzaamheid zien groeien?
‘Ik moet daar voorzichtig mee zijn. We kunnen zulke onderzoeken niet vergelijken met cijfers van vijftig jaar geleden, want die zijn er gewoon niet. Ik stel me voor dat een homoseksuele jongen in een klein Nederlands of Belgisch dorpje erg eenzaam zal zijn geweest, en dat het in deze tijd voor die jongen misschien wel iets makkelijker zal zijn.
‘Laten we niet te snel concluderen dat het steeds slechter gaat met de wereld. Maar uiteindelijk maakt het niet uit, want eenzaamheid is nu een probleem, en dus moeten we erop letten.
‘In mijn praktijk kom ik ook vaker mensen tegen die zeggen: dank u dokter, dit is de eerste keer in een lange tijd dat iemand echt naar mij luistert. En ik moet bekennen dat ik dan weleens mijn bedenkingen heb. Maar waarom? De verhalen die u mij vertelt zijn niet zwaar traumatisch, het zijn de verhalen van het leven. Waarom moet u tegen betaling naar een hoogopgeleide professional komen om iemand te vinden die naar u luistert?’
Zijn zorg, zegt hij, is dat eenzaamheid steeds meer gezien wordt als een oplosbaar probleem. ‘Als iets om áán te pakken en van te genezen. Er zijn allerlei apps voor en coachingprogramma’s, en daaraan hangt natuurlijk een verdienmodel. Daarin zit wat mij betreft een moeilijkheid. Want ik denk dat eenzaamheid des mensen is, en dat de oplossing niet ligt in een coach, maar in het contact met de ander.’
Bent u zelf als jongeman weleens eenzaam geweest?
‘Zeker. Ik kom uit een liefdevol gezin, maar in de adolescentie raakte ik erg op mijzelf. Ik was een schuchtere, verlegen jongen in een klein dorpje, op zoek naar mijn plaats in de wereld.
‘Het loskomen van de ouderlijke, familiale context, het zoeken naar nieuwe verbindingen, met alle verliefdheden en vriendschappen en pijnlijke toestanden, dat is altijd een schurend proces. Dan moet u niet denken aan suïcidale neigingen hoor, maar ik heb daar zeker mee geworsteld.’
Hoe bent u daar destijds overheen gekomen?
‘Nou, ook al sta ik vaak op een podium, ik ben nog altijd wel een onzekere, twijfelende figuur. Ik kan het nu beter maskeren. School is daar een belangrijke factor in geweest, en de jeugdbeweging KSA – Katholieke Studentenactie. Daar heb ik eigenlijk geleerd om sociaal om te gaan met andere jonge mensen.’
Hoe verklaart u dat zoveel jongeren zich eenzaam voelen?
‘Het heeft volgens mij te maken met wat ik ‘ikkigheid’ noem, met een westerse maatschappij die erg inzet op het autonome, zelfstandige bestaan als hoogste goed. Succes hebben in het leven, dat is: het helemaal alleen kunnen maken. Geluk heb je zelf in de hand. Volgens mij is dat een illusie, en zit de zin van het leven in hele andere zaken; in het streven naar zin en betekenis, en in de zorgzaamheid voor de ander.
‘Over de eenzaamheid van jongeren wordt wel gezegd: ach, deze generatie is overgevoelig en stelt zich een beetje aan, maar ik zie ze ook als de signaalgevers van onze tijd, als de kanaries in de koolmijn.
‘De gevoelige, kwetsbare mens voelt de problemen van de wereld sneller en heviger dan de doordrammende mens. Tegen mijn assistenten zeg ik altijd: luister goed naar hen, want zij tonen u waar het verkeerd gaat.
‘Dat zij zich eenzaam en angstig voelen heeft niet alleen te maken met hun hersenweefsel, maar ook met een steeds harder doordrammende maatschappij. Dus ik wil voorzichtig zijn met zulke mensen. Ik heb veel meer problemen met de onkwetsbare mens, die alleen maar triomfeert door het vertrappelen van anderen.’
Hij strekt zijn handen voor zijn borst en vlecht zijn vingers bij de topjes. ‘Ik denk dat het goede leven een scharnier moet zijn. Enerzijds is er het streven naar autonomie, naar het gevoel dat je zelf het leven wat richting kunt geven, naar een besef van: dit ben ik. Het andere stuk van het scharnier, dat is de verbinding met anderen – en die is essentieel.
‘Zoals de filosoof Martin Heidegger schreef: ‘Dasein ist mit einander sein’. Naargelang de levensfase kan dat fluctueren. Dat zie je bij echtelieden, bij families. Soms is men wat dichterbij, soms wat verderaf.’
Zolang de pen maar niet uit het scharnier valt.
‘Juist. En dat dreigt te gebeuren als wij altijd maar inzetten op dat ikkige, op het zelvige. Dat is mijn cultuurkritiek. Zolang het succes ons toelacht, lijkt dat geen probleem. Maar bij moeilijkheden hebben we die ander nodig.
‘Ik kom thuis van mijn werk, mijn baas heeft mij uitgekafferd. En ik weet niemand om daarover te spreken. Want mijn vrienden op Facebook en Instagram denken dat het allemaal fantastisch gaat. Daar kan ik toch niet tegen zeggen dat ik mij nu zo slecht voel? En ja, dan komt de eenzaamheid.’
Een voor de hand liggende vraag is dan ook: legt u een verband tussen eenzaamheid en sociale media?
‘Sociale media doen de eenzaamheid geen goed. Dat is paradoxaal, want door al onze schermcontacten lijkt het alsof we continu met alles en iedereen verbonden zijn. Maar wat we zien is toch vooral partytime en vakantie en leukigheid en succes. En dat is oké, maar op Instagram is weinig plaats voor verdriet, laat staan voor gewonigheid.
‘Wetenschappelijk onderzoek toont aan dat jongeren vaak langer voor het scherm zitten dan bij elkaar. Dat is hun manier om contact te krijgen, en dat is letterlijk een ‘afgeschermde’ manier. De drempel om op sociale media over uw moeilijkheden te beginnen is hoog.
‘Daarover maak ik mij zorgen. Allez, ik ben niet de enige hè. Het grote nieuws hier vandaag is dat een flink aantal middelbare scholen de smartphone heeft uitgebannen. En niet alleen in de klas, ook op de speelplaats.
‘Dat vond ik een interessante bijkomende nuance. Je kunt zeggen: ze moeten goed opletten in de klas, want de leerstof moet erin, maar het belangrijkste punt voor mij is de sociale interactie. Als iedereen met zijn smartphone in een hoekje staat, gaat die voor een deel verloren. Blijkbaar wordt er op sommige scholen nu ook zo gedacht. En dan denk ik: aha, men heeft naar mij geluisterd.’
Hij buigt zich voorover naar het opnameapparaatje. ‘Dit, voor alle zekerheid, was een grapje. Maar goed, dat is mijn mening: als het moeilijk gaat in het leven, dan moeten we het scherm opzij zetten. Dan hebben we de mens nodig in waarachtigheid, in nabijheid, in vertrouwen.
‘Als u met de smartphone vraagt hoe gaat het, dan zegt men altijd goe, ook als het niet goe is. Dus moeten we gaan wandelen of op een terrasje gaan zitten. Liefst naast elkaar, want tegenover elkaar kan soms te direct zijn. En vragen: hoe gaat het?
‘De zorg voor de eenzame mens is ook: niet te veel tetteren en goede raad geven. Nee, zwijg, en luister. Dan pas krijg je te horen: ‘Nou ja, eigenlijk gaat het nie zo goe.’ Tranen van verdriet hebben vaak tijd nodig om te verschijnen.’
En als die tijd er niet aan gegeven wordt?
‘Dan worden de tranen ingeslikt, en worden mensen daar ziek van. En dan komen ze bij mij terecht, wat misschien niet nodig was. We moeten ons kunnen uiten, dat is essentieel, want er bestaat geen leven dat niet af en toe verdriet tegenkomt.
‘En dan bedoel ik de gewone dingen van het leven: uw ouders die ouder worden, gezondheidsproblemen krijgen en sterven. Uw geliefde, met wie het soms een beetje lastig is. Uw baas die vervelend doet. Uw baas die vindt dat u een beetje vervelend doet.
‘Uw kinderen: als zij al úw dromen waarmaken moet u dringend bij mij op consultatie komen, want dan is er iets ernstig mis.
‘Menselijke interacties zijn moeilijk, en daarom hebben we behoefte aan de ander. Je kunt zeggen: wat een trieste analyse van het menselijk bestaan. Maar ik denk juist dat zich hierin fundamenteel de zorgzaamheid en de liefdevolheid tussen mensen toont. Waren er geen problemen in het leven, hadden we niemand nodig, maar dan was er ook geen liefde.’
Veel van wat u bepleit, lijkt in de praktijk juist de andere kant op te gaan. Meer schermtijd, meer haast. Voelt u zich soms niet een roepende in de woestijn?
‘Nee, ik ben geen cultuurpessimist. Dat wordt mij wel aangewreven, en dat doet mij pijn. Ik ben kritisch over deze wereld om hem beter te maken, niet om te roepen dat het allemaal naar de flikker gaat.
‘En het is erg hooghartig om te zeggen, maar ik word veel gehoord. Mijn boeken verkopen onwaarschijnlijk goed, als ik ergens spreek krijg ik meestal applaus op alle banken. En dan ontmoet ik ook veel jonge mensen die anders in het leven staan, vaak verstandiger dan mijn generatie. Dus ik zie wel barsten in het systeem.’
‘Ik vind dat we meditatiever moeten leven. Door te koken in plaats van een snelle hap uit de magnetron naar binnen te werken. Door een poëziebundel te lezen, en niet een serie te bingen. Door een wandelingetje te maken en geen taxi te pakken.
‘Dat staat natuurlijk op gespannen voet met een haastmaatschappij die ervoor zorgt dat we ook in een burn-outepidemie zitten, zodat iedereen aan de mindfulness moet – waar ik niks op tegen heb, en zelf ook patiënten naar verwijs, maar toch: waarom zouden we alleen nog op die manier verstilling kunnen bereiken?
‘Ik kijk er nu al naar uit om straks naar huis te gaan en mijn vrouw te zien. Dan bereiden we samen een maaltijd en nemen we de dag door. Dan zal ik vertellen: er kwam een man helemaal uit Amsterdam, en die leek te doen alsof hij al mijn praat interessant vond. Dan zegt mijn vrouw: ach ja, die Nederlanders... Het zal de Vlaamse taal wel zijn, dat ‘ge’ en ‘gij’ van ons. Dat horen ze graag. Nu ja, zo dus. Rustig. Gewoon.’
‘Verbinden’ is het woord dat De Wachter het vaakst in de mond neemt. Ook in zijn boeken keert het telkens weer terug.
‘Het is de essentie van mijn werk als psychiater: verbindingen, verbindingen, verbindingen. Zolang het niet gaat om ernstige problematiek probeer ik mij zo vlug mogelijk misbaar te maken. Dan vraag ik aan degene die niemand zegt te hebben: maar uw moeder dan? Zou het een idee zijn om haar een keer mee te brengen?
‘Ik probeer zelfs mensen te verbinden met hun naasten die zijn overleden, zover ga ik erin. Door over ze te spreken, herinneringen op te halen... Diegene ís er nog, zeg ik dan, koester die aanwezigheid.
‘Soms vraag ik ze om een foto van de overledene in hun borstzakje te steken, want een therapeutisch gebeuren heeft meestal ook een erg buikige kant. Dan kijken ze soms raar op, maar is het niet merkwaardig hoe het borstzakje altijd juist bij het hart zit? Dus zeg ik: doe die foto daarin en ga naar een plek waar jullie samen nog zijn geweest. Dat kan heel, heel krachtig werken.’
U schrijft ook over het belang van lichamelijkheid, over de aanraking die soms belangrijker kan zijn dan woorden.
‘Ja, ik pleit voor meer genegenheid. Jullie noemen het ‘huidhonger’, ik spreek liever van ‘strelingstreven’, of ‘vel voelen’. Dat klinkt iets minder kannibalistisch.
‘Ik vind dat wij elkaar wel wat meer mogen aanraken. Ik was vorige week in Italië, daar zie ik dat die nabijheid beter is ingebed. Mannen omhelzen elkaar. Dat begint bij ons ook een beetje hoor, maar twintig jaar geleden was dat nog heel raar voor de doorsnee-Belg of -Nederlander.
‘Als psychiater moet ik natuurlijk voorzichtig zijn met een pleidooi voor aanraking. Bij patiënten die te maken hebben gehad met misbruik, moet je niet zomaar ongevraagd een arm om de schouder leggen. En sowieso moeten we in tijden van grensoverschrijdend gedrag geen domme dingen doen. Het moet respectvol, behoedzaam en wederzijds gebeuren, uiteraard.’
Hij stroopt zijn mouw een stukje op. ‘Maar kijk toch eens hoeveel van die kleine haartjes wij mensen hebben. Ik denk dat die bedoeld zijn om te strelen.’
Drie jaar geleden belandde De Wachter aan ‘de andere kant van de barrière’. Er werd darmkanker bij hem geconstateerd en hij onderging een zware operatie waarvan hij maanden moest herstellen. Deze zomer werd er een nieuwe tumor ontdekt, die afgelopen september met succes werd verwijderd. Aan zijn perspectieven is niets veranderd.
‘De vijfjaarsoverlevingskans is 40 procent. We zijn intussen drie jaar verder. Helemaal genezen zal ik niet meer. Ik blijf de rest van mijn leven onder controle, het blijft spannend. Maar bon, we leven en we leven met veel genoegen. Dus laten we het maar houden op de bekende uitspraak van Gerard Reve: ‘Het gaat slecht, maar verder gaat het goed’.’
Sinds een paar dagen is hij weer aan het werk. Vanochtend gaf hij nog een lezing voor een groot publiek. ‘Het was een beetje zwoegen, maar ik had er veel plezier van. Toch moet ik mijzelf temperen, want mijn energieniveau is behoorlijk gezakt.
‘Dus zeg ik ook veel af, met pijn in het hart. Want dat mensen naar mij komen luisteren en daardoor getroffen raken, is heel wezenlijk voor mijn bestaan. Toch ben ik in de maanden dat ik helemaal niet kon werken, niet in een zware depressie geraakt. Ik blijk mijn leven ook goed te kunnen vormgeven op een rustiger tempo.’
Heeft ziek zijn u iets over eenzaamheid geleerd wat u nog niet wist als psychiater?
‘Nee, dat klinkt ook weer erg hooghartig, maar alles wat ik heb geschreven en gedacht werd heel erg bevestigd. Alleen heb ik het ditmaal aan den lijve ondervonden, en niet alleen cognitief. Er zijn erg moeilijke momenten geweest, vooral na de eerste operatie.
‘Ik had veel pijn, maar het was meer dan dat. Ik heb gedacht: dit kán ik niet, als er nu naast mijn bed een rode knop was om dit allemaal te stoppen, dan... Zoiets past niet bij mij, zo sta ik niet in het leven. Dat was even een barst in het broze vlies van het bestaan. ‘That deep dark dungeon, where the sun don’t ever shine’. (J.J. Cale, red.) Maar achteraf denk ik dat ik die rode knop nooit ingedrukt zou hebben.’
Waarom niet?
‘Omdat er ook veel troost was. Van de verpleegkundige die mij aanraakte op een moment dat dat voor mij van immens belang was. De troost van mijn kinderen, en van mijn vrouw natuurlijk, bij wie ik plotseling begon te wenen als een klein kind.
‘Terwijl ik normaal niet zo’n wenende mens ben, maar juist nogal gecontroleerd – wat in mijn beroep trouwens een goeie zaak is. Het was erg zwaar, maar ik wist mij omringd door naasten en dat maakte mij minder eenzaam. Als je op zulke duistere momenten niemand om je heen hebt, kan ik mij voorstellen dat zo’n rode knop aantrekkelijker wordt.’
U zit nu bijna drie jaar geregeld in de medische molen. Valt u uzelf mee of tegen als patiënt?
‘Ha, u nodigt mij uit om pretentieuze antwoorden te geven, maar dat is mij meegevallen. Ik was er een beetje bang voor, mijn vrouw ook: hoe zal een man die altijd aan dokterskant heeft gestaan zoiets ondergaan? In een bed liggen, met allerlei leidingen in de aderen, en mij dagelijks laten wassen. Dat is niet zo evident hoor, zo’n bestaan.
‘Maar tot mijn eigen verbazing, en ook genoegen, kon ik mij wel overleveren aan de patiëntigheid. Ik heb ook altijd erg veel geluk gehad met ongelooflijk lieve en zorgzame verpleegkundigen, dit keer ook weer. Ik denk dat men daar tegen elkaar zegt: we gaan extra vriendelijk zijn, want wie weet schrijft-ie wel een boek. Nu lach ik erom, maar ik meen het. Ze waren werkelijk top.’
Hoe gaat u om met de nabijheid van de dood?
‘Die is elke dag wel eventjes aanwezig, en vaak ook minder eventjes. De afgelopen maanden zijn er in mijn omgeving een aantal mensen gestorven die belangrijk voor mij waren. Twee van hen aan dezelfde ziekte waar ik aan lijd. Dat raakt mij natuurlijk, en meer dan voorheen.
‘Ik ben naar hun uitvaarten geweest, en dan is het toch een onvermijdelijke reflex dat je jezelf daar in die kist ziet liggen. Wie zal er zijn? Wat zal men zeggen? Dat is soms beangstigend, soms triest, maar ook wel enigszins troostend en mooi. Het leven gaat voorbij, en als dat moment zich aandient, dan proberen we met geheven hoofd goed afscheid te nemen. Het is een beetje dubbel.’
Is er bij u een gevoel van haast gekomen? Zijn er nog dingen die u wilt doen?
‘Nee, absoluut niet. Zo zit ik niet in elkaar. Ik heb geen bucketlist. Ik heb een ongelooflijk vervullend leven gehad, plaatsen bezocht over de hele wereld, mensen ontmoet die ik bewonder. Dat is allemaal door grote toevalligheid zo gegaan en ik ben daar zeer dankbaar voor.
‘Als ik nu zou horen: u heeft nog een paar maanden, dan ga ik geen nieuwe dingen doen, en zeker niet parachutespringen. Wat ik dan ga doen is: hetzélfde. Naar Parijs bijvoorbeeld, een stad die ik heel goed ken. Die paar goede vrienden nog eens zien.’
Denkt u er vaak aan dat u er over een tijd niet meer zult zijn?
‘Natuurlijk. Ik zal zelf niet meemaken hoe dat is. Maar als ik er niet meer ben, dan ben ik niet zomaar direct weg. Mijn moeder is 15 jaar geleden overleden, maar zij zit hier nog bij mij, te luisteren en te denken: wat zegt hij nu toch weer allemaal, mijn oudste zoon.
‘Mijn vader is er ook, nu zie ik het pas, hij was altijd al zwijgzaam. En zo zal het ook met mij zijn. Men zal nog een beetje over mij spreken, en ik zal verder leven in mijn geliefde, mijn kinderen en kleinkinderen en mijn goede vrienden. De doden zijn nog een, twee generaties bij ons, maximaal een derde. En dan verdwijnen we in het al van de kosmos.’
Dus het idee van sterven is voor u niet een complete verschrikking die u liever wegduwt.
‘Voorlopig niet. Mocht het einde zeer concreet worden, dan moet u mij nog maar eens komen interviewen, al weet ik niet of ik het zou aanvaarden. Ik heb een goede vriend zien gaan met een glimlach op het gezicht, maar bij een andere was er angst en paniek. Die verzette zich ertegen. Rage, rage, against the dying of the light!
‘Ik sluit niet uit dat mij dat ook kan overkomen, zoiets weten we niet altijd op voorhand. Maar ik hoop dat ik stoïcijns en goed kan sterven. En ook dat dat nog heel lang zal duren.’
Geboren op 3 maart 1960 in Wilrijk.
1978-1985 Geneeskunde aan de Universiteit Antwerpen.
1987 Huwelijk met Karin met wie hij drie kinderen krijgt.
1990-heden Verbonden aan het Universitair Psychiatrisch Centrum van Kortenberg.
2009 Hoogleraar aan de Katholieke Universiteit Leuven.
2012 Boek Borderline Times.
2014 Liefde. Een onmogelijk verlangen?
2016 De wereld van De Wachter.
2019 De kunst van het ongelukkig zijn.
2022 Vertroostingen.
2022 Eredoctoraat van de Universiteit Hasselt.
Nóg vier artikelen uit één magazine waarin eenzaamheid een belangrijk thema is
Essay over de eenzaamheid van mensen die geen kinderen hebben, in een samenleving waarin het hebben van kinderen vaak de norm is.
die soms best wel eenzaam zijn (en hoe dat komt).
De schrijver is doorgaans content met zijn bestaan, behalve in de week dat zijn vrouw precies een jaar geleden overleed.
Schrijver Johan Stevens gaat alleen uit. En bevalt dat?
Geselecteerd door de redactie
Lees hier alle artikelen over dit thema
Source: Volkskrant