is correspondent Spanje, Portugal en Marokko van de Volkskrant. Hij woont in Madrid.
Met hun huisraad vies en vernield op straat, en zelf net zo vies, bezweet en dodelijk vermoeid, staan Ana Cervera (60) en Manolo Sanjosé (62) op de stoep voor hun modderige huis in Alfafar. Het is vrijdag, de vierde dag na de watersnoodramp. In haar straat in deze voorstad van Valencia heeft Cervera al die dagen ‘nog geen brandweerman of militair gezien’, zegt ze. ‘Niet één.’
Dan schiet een jonge vrouw haar aan. In haar handen heeft ze een paarse wollen deken. ‘Hebben jullie soms een deken nodig?’, vraagt ze aan Cervera, die vriendelijk bedankt. ‘Weet je wat: houd ’m toch maar’, besluit de vrouw. ‘Voor als iemand anders nog een deken nodig heeft. Wij gaan nu terug naar Valencia.’
Waarom komt niemand ons helpen? Die noodkreet klonk donderdag uit verschillende plaatsen in de regio Valencia, waar het dodental door de verwoestende overstromingen inmiddels is opgelopen tot zeker 202.
Volgens bestuurders en inwoners in het rampgebied schoot de hulp van de reddingsdiensten schromelijk tekort bij het zoeken naar vermisten en het ondersteunen van de overlevenden. ‘Ze zijn ons vergeten’, wanhoopte de burgemeester van voorstad Alfafar.
Donderdag reageerde de regioregering van Valencia al door meer hulp van het Spaanse leger in te roepen. De 500 extra militairen voegden zich bij de 1.200 van de militaire noodhulpeenheid UME die al in het gebied actief waren.
Veel massaler is een dag later de reactie van de bevolking. De schreeuw om hulp van hun streekgenoten brengt vrijdag een onwaarschijnlijk groot aantal mensen op de been uit Valencia, de regiohoofdstad die zelf de overstromingen bespaard bleven. Duizenden, misschien wel tienduizenden Valencianen glibberen met water, voedsel, emmers, dweilen, bezems en luiers over de bemodderde wegen naar het rampgebied.
Zo druk is het, dat de horde helpers op de voetgangersbrug van Valencia naar Alfafar bijna een file vormt. Het is een demonstratie van wat de Spanjaarden, die zo vaak onderling overhoop liggen, in een crisissituatie als geen ander volk kunnen: alles uit je handen laten vallen en elkaar te hulp schieten. Wat daarbij goed uitkomt, is dat het deze vrijdag Allerheiligen is, een vrije dag in Spanje.
De burgerhulp is zelfs bijna te veel. ‘Vanuit de diepste dankbaarheid aan de bevolking’ smeken de reddingsdiensten al om 10 uur ’s ochtends om niet langer met de auto te komen, omdat de weg verstopt raakt. De Valencianen halen hun schouders op, laden de spullen vanuit hun kofferbakken over in tassen en winkelkarretjes, en trekken door naar de modderpoel die hun voorsteden zijn geworden.
De officiële reddingsdiensten zijn in Alfafar nog altijd spaarzaam aanwezig. Zij houden zich vooral bezig met het opruimen van de grootste brokstukken. Een politieagent probeert met zijn wagen een witte Peugeot in beweging te krijgen, maar trekt met het sleeptouw de voorkant eraf.
Even verderop halen brandweermensen met zwaarder materieel brokstukken uit een tunnel die tot de nok toe gevuld is met op elkaar gedrukte auto’s. Enkele medisch hulpverleners kijken van een afstandje toe, klaar om toe te snellen als er een slachtoffer wordt gevonden.
‘De reddingsdiensten zijn er wel, maar er zijn zoveel mensen getroffen... Ze kunnen niet overal zijn’, zegt Lucía Monfort (21). Met veertig anderen van haar scoutingvereniging is ze naar Alfafar gekomen om te helpen bij het verwijderen van modder uit woningen. De modder bezemen ze naar een rioolput waar ze het deksel af hebben gehaald. Over de put ligt een kapotte stoel, zodat voorbijgangers er niet in kunnen vallen.
Dan klinkt opeens een harde gil. Eén van de scouts heeft op straat een gebit gevonden. Bij nadere inspectie blijkt het een exemplaar van de orthodontist aan de overkant van de straat.
‘32 jaar heb ik hier mijn praktijk al, en nu is alles rijp voor de stort’, zegt de orthodontist in kwestie, Enrique Martínez (57). In en rond de praktijk is een groep jongens druk in de weer met de schoonmaak. Zijn zoon heeft zeven studievrienden opgetrommeld, vertelt Martínez. ‘Ik weet niet wat ik zonder hen zou moeten.’
In zijn praktijk, die onderdeel is van zijn woning, kwam het water tot zijn ogen: ongeveer 170 centimeter hoog. Zijn oom Manuel, die twee deuren verder woonde, kwam om. ‘Verdronken. Als kind had hij een ongeluk gehad, waardoor hij het verstand had van een 14-jarige. Pas gistermiddag laat kwam er een rechter om zijn dood officieel vast te stellen.’
Een blok verderop lag een 16-jarig meisje, een dochter van kennissen van hem, een dag lang onder de auto die haar dodelijk verwondde. ‘Haar benen staken onder de auto uit.’
Op dat moment verschijnen nieuwe hulptroepen in de deuropening. Het zijn de zus en zwager van Martínez, die zelf in Valencia wonen. Om de linkerschouder van zijn zus hangt een plastic tas. ‘Kijk eens wat ik voor je heb meegenomen? Sinaasappelen.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant