Het Scheepvaartmuseum in Amsterdam gaat kritischer kijken naar het Nederlandse maritieme verleden. Een semipermanente tentoonstelling maakt alle weerzinwekkende en koloniale aspecten ervan duidelijk – op een niet mis te verstane manier.
Op het nagemaakte VOC-schip de Amsterdam, sinds 1990 een populaire attractie van het Amsterdamse Scheepvaartmuseum, ziet alles er zo veel mogelijk uit als vroeger: de kajuit van de kapitein, laadruimten voor de vracht en hangmatten voor de matrozen. Langs de binnenwanden staan rijen kanonnen opgesteld. Met een daarvan kon je als bezoeker tot voor kort zelf knallen – een geliefde bezigheid van kinderen. Nu kan dat niet meer.
Dat komt door het nieuwe verhaal dat sinds kort aan boord wordt verteld, met ruimschoots aandacht voor de koloniale geschiedenis. Voor de lol een kanon afvuren past daar niet meer bij, vindt het museum. Voorheen werd op het namaakschip niet stilgestaan bij koloniaal geweld of slavernij, omdat het echte schip daar nooit mee te maken heeft gehad, legt directeur Michael Huijser uit in zijn kantoor. De Amsterdam ging namelijk al tijdens zijn eerste reis in 1749 verloren. Maar juist omdat informatie over het koloniale verleden aan boord ontbrak, kregen bezoekers vragen of verkeerde ideeën, vertelt hij. Er waren zelfs mensen die zeiden: ‘Goh, die tot slaaf gemaakten hadden het best comfortabel, als ze allemaal een eigen hangmat hadden.’
Het Scheepvaartmuseum is gevestigd in het voormalige ’s Lands Zeemagazijn, waar in de 17de en 18de eeuw wapens en andere benodigdheden voor de Nederlandse oorlogsvloot werden opgeslagen. De gigantische museumcollectie beslaat vijfhonderd jaar Nederlandse maritieme geschiedenis en bevat objecten als scheepsmodellen, navigatie-instrumenten en portretten van zeehelden.
‘Eerst bekeken we onze collectie met een vooral wetenschappelijke blik: we wilden er de juiste historische feiten over vertellen’, vertelt Huijser. ‘Maar sinds een aantal jaar hebben we steeds meer oog gekregen voor de symbolische waarde van onze objecten en ons gebouw. We stralen iets uit: het Nederlandse maritieme verleden, waar het kolonialisme onlosmakelijk mee is verbonden. Daar komen nog altijd pijnlijke gevoelens bij kijken. Dat zijn we ons steeds beter gaan realiseren.’
Binnen het Scheepvaartmuseum is de aandacht voor de zwarte bladzijden uit de maritieme geschiedenis geleidelijk gegroeid. Het museum zet een opvallende volgende stap met de nieuwe semipermanente tentoonstelling Schaduwen op de Atlantische Oceaan, die minimaal vijf jaar zal blijven staan. Met hedendaagse kunst, persoonlijke verhalen en collectiestukken vertelt de tentoonstelling nu expliciet over ‘de impact van de koloniale geschiedenis op mensenlevens’.
Gastconservator Dyonna Benett, een erfgoedprofessional met Curaçaose roots, laat enthousiast de tentoonstelling zien. Het openingswerk komt van fotograaf Lisandro Suriel (1990). Hij is geboren in Soualiga, zegt hij in de audiotour, ‘een eiland dat ook bekendstaat als Sint Maarten’ (Soualiga is de naam die de oorspronkelijke bewoners het eiland gaven, voor de Nederlanders het Sint Maarten noemden). Bijna fluisterend vertelt hij hoe zijn magisch-realistische werk is geïnspireerd op mythen en verhalen van zijn Afrikaanse voorouders, die van generatie op generatie zijn doorgegeven.
Zodra de Nederlanders in de tentoonstelling worden geïntroduceerd, slaat de sfeer om. In de teksten is gekozen voor glasheldere taal: Nederland is, vanaf ruwweg de 17de eeuw, ‘een overheerser die zich met geweld gebieden, rijkdommen en zelfs mensen toe-eigent’. Op de Atlantische Oceaan handelden Europeanen ‘vanuit de overtuiging dat witte mensen boven de oorspronkelijke bewoners staan, boven de dieren en boven de natuur’. Animatievideo’s geven verdere historische duiding. Om de zoveel seconden vertroebelen rode bloedspetters het beeld.
‘Omdat we nu het verhaal willen vertellen vanuit het andere, niet-Nederlandse perspectief, vinden we het belangrijk om echt duidelijk te zijn’, vertelt Benett. ‘We hebben elk woord gewogen. Zo werden tot slaaf gemaakten niet ‘vervoerd’ op schepen, maar ontvoerd. Mensen werden ontvoerd, verkracht en vermoord: zet het erbij, zwak het niet af. Je moet vertellen hoe bloederig het was, anders vertel je nog steeds niet het volledige verhaal.’ Wordt het de bezoeker te veel, dan kan die naar een speciaal ingerichte ruimte voor ‘rust of reflectie’.
De ‘scherpe bewoordingen’ van deze tentoonstelling, zoals Huijser de teksten typeert, wijzen op een fikse koerswijziging van het Scheepvaartmuseum. Toen in 2019 het Amsterdam Museum besloot de term ‘Gouden Eeuw’ niet langer te gebruiken, was dat voor het Scheepvaartmuseum nog te radicaal. ‘Wij willen dat genuanceerder doen, ook omdat we een veel traditionelere achterban hebben dan menig ander museum’, verklaarde de directeur destijds in de Volkskrant. Inmiddels zijn er met die achterban flinke stappen gezet, verzekert hij. ‘We proberen hen zo veel mogelijk mee te nemen in wat we doen en waarom.’
Niet alleen de achterban, maar ook de organisatie zelf moest worden meegenomen in de nieuwe koers. ‘Dat ging niet zonder slag of stoot’, vertelt Benett. Over de scherpe teksten van Schaduwen op de Atlantische Oceaan ontstond interne discussie. ‘Dat snap ik ook: medewerkers waren gewend om jarenlang vanuit hetzelfde perspectief de collectie en geschiedenis te bekijken en onderzoek te doen. Als alles dan ineens in een ander daglicht wordt gesteld, kan dat weerstand oproepen.’
Wat volgens Benett niet meehielp was het tempo waarin de tentoonstelling moest worden gemaakt. Pas anderhalf jaar geleden ging zij met medeconservator Suze Zijlstra aan de slag. Benett: ‘We hebben het net op tijd afgekregen, maar het was echt kielekiele. Er was geen tijd om met iedereen van de organisatie te zitten en te vragen: hoe voel jij je hierbij? Beslissingen moesten snel worden genomen.’
Die haast ontstond omdat al in het Activiteitenplan 2021-2024 was beloofd dat er een tentoonstelling over ‘de Atlantische wereld’ zou komen, legt Huijser uit. ‘Eerst wilden we een puur historisch verhaal over de WIC vertellen. Gaandeweg realiseerden we ons dat we het veel meer moesten hebben over de doorwerking die het koloniale verleden heeft tot op de dag van vandaag. Toen wisten we: dat kunnen we niet alleen met de kennis en collectie die we al in huis hebben.’ Dus werd Dyonna Benett als gastconservator aangenomen en werden gemeenschappen en kunstenaars uit de voormalige Nederlandse koloniën bij de tentoonstelling betrokken. ‘We hebben gezegd: jullie zijn aan zet, verrijk ons verhaal.’
Uiteindelijk komt de historische collectie van het Scheepvaartmuseum binnen de opzet van de expositie pas ‘op de derde plaats’, zegt Benett: ‘Wij wilden in plaats van de objecten – verzameld vanuit eenzijdig perspectief – juist mensen centraal stellen.’ In de tweede zaal is dat letterlijk zichtbaar. De uitvergrote zelfportretten van de Zuid-Soedanese fotograaf Atong Atem (1994) vallen als eerste op. Loopt de bezoeker door, dan ziet die teksten en video’s waarin verhalen van historische personen centraal staan. Pas als die op een knopje drukt, gaan de lampen aan. Dan doemen de collectiestukken uit het donker op. Zoals een model van het koopvaardijschip D’Keulse Galy uit 1747 – het soort schip waarmee ‘mensen naar de Amerika’s werden ontvoerd.’
Op een van de zelfportretten van Atong Atem kijkt de fotograaf voorbij de lens de verte in. Ze heeft haar kin opgeheven, een glanzende doek omgeknoopt en een driemaster in haar wang gekerfd – het had zo een kindertekening van het schip Amsterdam kunnen zijn. Voor Benett belichaamt Atem de veerkracht die de conservator zo graag in de tentoonstelling wil benadrukken. ‘Haar werk laat zien: het kolonialisme heeft ons getekend, maar definieert ons niet. We zijn er nog en we gaan door, met opgeheven hoofd: precies zoals deze foto laat zien.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant