Home

‘Ik wilde het tegendeel van fast fashion maken’

Als Rianne de Witte midden jaren negentig afstudeert, weet ze zeker dat ze mode wil maken, maar dan wel duurzaam. Ze was haar tijd ver vooruit. ‘Dat ik tegen de stroom in zou gaan, nam ik voor lief.’

schrijft voor de Volkskrant over zingeving.

‘Een poel van verderf’, zo typeert ze de modewereld. De oppervlakkigheid, de ‘hang naar glamour en glitter’, staat haar tegen vanaf het moment dat ze begin jaren negentig op de Bredase kunstacademie St. Joost de moderichting volgt. Met medestudenten en docenten voelt ze nauwelijks verwantschap, het vooruitzicht haar leven in dit métier te moeten doorbrengen, vindt ze afschrikwekkend: ‘De modewereld vond ik leeg en vluchtig.’

De ‘poel van verderf’ krijgt ze scherp op haar netvlies wanneer ze op de Amsterdamse Rietveld Academie een seminar volgt over mode en milieu. Dan dringt tot haar door hoe milieuvervuilend de mode-industrie is: de aanslag op grondstoffen, het gebruik van giftige stoffen en de afvalstromen stemmen haar somber.

Die problemen worden bovendien verergerd door de trend van snel geproduceerde, kwaliteitsarme fast fashion. Het zet modeontwerper Rianne de Witte (57) aan tot wat een levenslange missie zal worden. De term duurzame kleding is dan nog niet uitgevonden, maar na haar afstuderen in 1994 wordt De Witte een pionier: ‘Door dat seminar zag ik een weg voor mezelf. Ik wilde laten zien dat mode ook anders kan worden gemaakt, met respect voor de natuur. Dat ik tegen de stroom in zou gaan, nam ik voor lief.’

Over deze serie
In Het Ideaal interviewt Fokke Obbema mensen die hun leven aan een ideaal wijden.

Die eigenzinnigheid zit er vroeg in bij het ‘schuchtere meisje’, zoals ze zichzelf in haar jeugdjaren typeert. Ze is ‘veruit de jongste’ in een Zeeuws, protestants-christelijk gezin met vijf kinderen. Tijdens haar jeugd in de jaren zeventig brengt haar vader met een busje groenten en fruit langs de huizen, haar moeder is huisvrouw: ‘We leefden eenvoudig, maar we hebben geen armoede gekend.’ Af en toe gaat het gezin op vakantie, in de eigen provincie of Drenthe.

Op haar basisschool in Koudekerke wordt ze vaak gepest vanwege haar kleding: ‘Die werd ouderwets gevonden. Ik droeg kleding van mijn moeder, zoals jurken met een driekwart mouw. Die vond ik mooi.’ Ondanks de pesterijen past ze haar kleding niet aan. Sterker, ze organiseert op school een modeshow met kleren van haar moeder: ‘Dat kun je als een provocatie zien, maar zo bedoelde ik het toch niet.’

Na haar studie bouwde ze een loopbaan op in de duurzame mode. Collecties ontwierp ze voor het verdwenen modemerk Cora Kemperman en warenhuis V&D, het liefst maakte ze haar eigen werk. Om meer impact te hebben, richt ze zich tegenwoordig op het modeonderwijs: ‘De jongeren van nu staan gelukkig veel meer open voor duurzame mode dan mijn generatie.’

Waar komt de aantrekkingskracht van mode op u vandaan?

‘Het is bij ons een familietraditie – mijn overgrootmoeder was al de kleermaker van haar dorp, wat in die tijd voor een vrouw bijzonder was. Mijn moeder kon heel goed patroontekenen. Creativiteit werd bij ons thuis gestimuleerd. We hadden abonnementen op zelfmaakbladen als Ariadne en Handwerken zonder grenzen.

‘Mijn oma droeg nog klederdracht, wat me als kind enorm fascineerde. Als student heb ik zelfs een op klederdracht gebaseerde lingeriecollectie ontworpen. Verder speelde mee dat ik liever met mijn handen werkte en goed driedimensionaal kon denken, dus het maken van kleren lag wel op mijn weg.’

Hoe ziet u het belang van kleding?

‘Kleding heeft voor mij vooral te maken met identiteit. Het bepaalt of je wel of niet bij de groep hoort, het is van grote invloed op de pikorde. Kleding wordt van jongs af gebruikt om elkaar de loef af te steken, dat is iets waar ik altijd mee heb geworsteld. Toen ik mijn eindexamenwerk op de modeacademie maakte, koos ik voor zo onopvallend mogelijke kledingstukken – anoniem aan de buitenkant, zodat er aan de binnenkant van alles kon gebeuren. Onbewust is dat denk ik een reactie geweest op mijn eigen jeugd. Toen viel ik door mijn kleren juist te veel op, waardoor ik grote moeilijkheden met mijn omgeving kreeg. Daarom wilde ik bij mijn eindexamen kleding maken die je als het ware tegen de buitenwereld beschermt.’

U keek niet uit naar werken in de modewereld, maar wilde wel mode maken. Hoe pakte u dat aan?

‘Ik bedacht al snel dat ik niet bij een modebedrijf wilde werken, maar voor mezelf zou beginnen. Op de modeacademie had ik, net als op de basisschool, veel met hiërarchie te maken gekregen. Daar ben ik allergisch voor. Ik merkte hoe belangrijk het ellebogenwerk tussen de studenten was. Op basis van de verhalen die ik over de modewereld hoorde, vreesde ik dat het later alleen maar erger zou worden.

‘Ook stond de nadruk op glitter en glamour me tegen. Maar qua mode was daarvoor toen nauwelijks een alternatief. Je had de geitenwollensokken-look, zeg maar de studenten van de sociale academie, maar daar werd erg op neergekeken. Dat had ook niets met mode te maken. Dat ik niet naar een groot modebedrijf wilde, was ook omdat ik bang was dat mijn creativiteit het dan zou afleggen tegen het geld. Dat je zakjes op een jurk ontwerpt, maar dat die er weer af moeten, omdat ze te veel kosten, dat soort verhalen hoorde ik.

‘Als ik doorvroeg, werd er gezegd: zo werkt het nu eenmaal. Dat leek me helemaal niks. Ik wilde ethisch verantwoorde mode maken – sculpturale, eigen ontwerpen, met organische vormen, tijdloos. Kleding die lang mee zou gaan, het tegendeel dus van fast fashion. Kleren die ook beter voor het milieu zouden zijn door het gebruik van natuurlijke materialen, zoals linnen, hennep en biologisch katoen.’

Wanneer kreeg u het tij op dat vlak mee?

‘Dat heeft echt vele jaren geduurd. Als beginnende freelancer dacht ik: ik ga vrij werk maken, dat exposeer en verkoop ik. Maar ik merkte al snel dat commerciële opdrachten onvermijdelijk waren om van mijn werk te kunnen leven. Dus heb ik lang gewerkt voor een dansgezelschap, maar ook voor een regenkledingfabrikant die in China zijn producten met synthetische materialen liet maken. Ik vond dat soort toegepast werk leuk en leerzaam, maar aan mijn idealen kwam ik natuurlijk totaal niet toe.

‘Dat was anders in mijn eigen, vrije werk. Dat voldeed wel aan mijn idealen, alleen duurde het lang voordat mijn verhaal over duurzaamheid in vruchtbare aarde viel. De tijd was er in die jaren nog niet rijp voor. Dat veranderde na 2002, toen de eerste initiatieven in de modewereld werden genomen om duurzame materialen te gebruiken en er pogingen werden gedaan de transparantie over productiemethoden in de keten te vergroten. Vanaf dat moment begonnen de media ook aandacht aan duurzame mode te schenken.’

Hoe pakte dat voor u uit?

‘In 2004 kreeg een van mijn ontwerpen een nominatie voor een grote designprijs, wat overigens los van duurzaamheid stond. Vervolgens benaderde V&D me om een collectie voor Wendy van Dijk (tv-presentator, red.) te maken. Ik heb daarover getwijfeld, want ze hadden niks met mijn idealen, maar mijn pr-vrouw zei: ‘Zet je principes maar even aan de kant, dit gaat je veel bekendheid opleveren.’ Ik heb dat gedaan en ze kreeg gelijk.

‘Bob en Carla Crébas, die kort daarvoor Marktplaats hadden verkocht, vroegen me ontwerpen te maken voor hun nieuwe bedrijf, Brennels. Daarmee wilden ze kleding van zelf verbouwde brandnetels maken, als alternatief voor milieuvervuilende katoenproductie. Dat paste natuurlijk helemaal in mijn straatje.

‘Ook ging ik samenwerken met Cora Kemperman en haar compagnon, die duurzaamheid ook belangrijk vonden. In 2007 stond ik op een beurs in Parijs met eigen werk, heel spannend. Daarvoor was ik ook met een handelsmissie enkele keren naar Japan geweest. Op een gegeven moment had ik zo’n veertig verkooppunten in Europa en drie mensen in dienst.’

Gouden jaren!

‘Ja, alleen heeft dat succes maar tot 2010 geduurd. Toen kreeg ik met allerlei tegenslagen te maken. Als alleenstaande ouder met twee kinderen had ik van de Belastingdienst kinderopvangtoeslag gekregen die ik opeens moest terugbetalen. Veel later bleek dat onterecht, maar op dat moment raakte ik erdoor in financiële problemen, ook al omdat mijn bedrijf erg last kreeg van de economische crisis. Ik moest bezuinigen en van al mijn mensen afscheid nemen, vanaf 2011 stond ik er alleen voor.

‘Die samenloop leverde me veel stress op, schaamte ook, waar allerlei lichamelijke klachten nog eens bijkwamen. Het waren ellendige jaren. Of ik een burn-out kreeg? Dat weet ik niet, ik had geen tijd dat te laten onderzoeken.’

Had u in die tijd nog iets aan uw idealen?

‘Eerlijk gezegd was ik vooral bezig met overleven. Toen ik zoveel tegenslag kreeg, had ik nog maar weinig ruimte voor ze. Maar ze waren nooit helemaal uit mijn leven. Ze waren niet meer die bron van energie en blijdschap zoals daarvoor, maar ik bleef toch ook hopen ooit weer aan ze toe te komen. Daardoor ben ik nooit bij de pakken neer gaan zitten. Op die manier waren mijn idealen nog altijd belangrijk voor me.

‘In 2015 kon ik een doorstart met mijn bedrijf maken, maar had ik nog altijd weinig energie. Dus hield ik het bij de verkoop van mijn bestaande ontwerpen, ook al omdat het maken van nieuwe ontwerpen me tegenstond. Dat had te maken met het consuminderen waar ik me in die jaren op had toegelegd. Ik was dat als sport gaan zien: met hoe weinig kon ik toe?

‘Door dat consuminderen raakte ik ervan overtuigd dat we de milieuproblemen vooral moeten oplossen door minder te kopen en langer met kleren te doen. Een probleem met duurzame mode vond ik ook dat het voor een elite is, lang niet iedereen kan het zich permitteren. Het liefst zou ik het voor Jan en alleman maken, maar dat komt financieel niet uit. Dat is voor mij nog altijd een dilemma.’

Via het onderwijs wilt u tegenwoordig uw kennis met de volgende generatie ontwerpers delen.

‘Ik zie dat het modeonderwijs nu tekortschiet – veel docenten komen zelf uit de industrie en kunnen niet de omslag naar een nieuwe aanpak maken. Ik begeleid mbo- en hbo-studenten en volg een master kunsteducatie om een plan te maken voor geheel nieuw modeonderwijs. Daarin moet er veel aandacht komen voor hergebruik en repareren van kleding. Het verlengen van de levensduur van kleding moet het antwoord op fast fashion zijn.’

Ondertussen groeit die markt wereldwijd flink.

‘Mijn hoop is dat jonge mensen niet meer bij dat soort milieuvervuilende bedrijven willen werken – ze staan gelukkig meer open voor duurzaamheid dan mijn generatie. Dan moeten die bedrijven wel gaan veranderen. Wat ook gaat helpen, is nieuwe Europese wetgeving die kledingproducenten verplicht tot recyclen. Ze worden verantwoordelijk gemaakt voor het terugnemen en hergebruiken van hun producten. Dat staat nog in de kinderschoenen, maar is wel een erg positieve ontwikkeling.

‘Verder valt er nog veel te winnen door te werken aan een groter bewustzijn over de levensduur van kleding. Daarvan kom ik mooie voorbeelden tegen. Zoals oude klanten van me die al twintig jaar dezelfde kleren van me dragen en dat ontwerp nogmaals willen. Dan moet ik altijd denken aan de klederdracht van mijn oma. Haar kleren gingen een leven lang mee.’

Boektip: Goede Gespreksstof, Stijntje Jaspers.

‘Dit boekje stimuleert een groter bewustzijn over duurzame kleding: hoe het is gemaakt en welke impact het op de natuur heeft. Pioniers op het gebied van duurzame mode, onder wie ikzelf, vertellen wat er zoal mogelijk is en wat er nog anders en beter kan. Ook voor mij een inspirerend boek.’

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next