De betweter, ik heb er nog nooit over geschreven. Ik heb de betweter bewaard, als een appeltje voor de dorst. Stel je valt droog, zei ik tegen mezelf, dan trek je de betweter tevoorschijn.
Wacht, mijn vriendin Jet vraagt iets. Nee, niet jij, het is een man. Nee, de betweter was een oudgediende van een literair tijdschrift waar ik redacteur was. De betweter leverde nog wel stukken aan. Ik noem de naam van het literair tijdschrift niet, anders ga ik trillen en zweten. Laat ik het maar even De Betweterbode dopen, prima naam voor een literair tijdschrift, al zeg ik het zelf!
Ach, het was een brave borst. Waarom ging het nou helemaal, om pedofilie. Ik had voor De Betweterbode een verhandeling geschreven over Chuck. Mankeerde volgens de betweter van alles aan.
‘Chuck?’
‘Ja, wie is dat toch hè? Volgens bepaalde dwaallichten, onder wie de betweter, was Chuck de echte King of rock-’n-roll, dus dan moeten ze maar op de blaren zitten. Voor ware rock&roll-koningen volstaat de voornaam, zoals je weet. Amen.’
Samen begeven we ons naar het kapelletje in onze tuin, waar we onder dankzegging knielen voor onze porseleinen buste van Ol’ Sideburns.
Maar Chuck dus, die heeft een song, en die heet Memphis, Tennessee, en daarin belt hij naar de telefooncentrale, omdat hij doorverbonden wil worden met ene Marie, een meisje van zes. Voor mijn stuk in De Betweterbode had ik dit lied van Chuck een keer of 87 beluisterd en geconcludeerd dat dit meisje de dochter was van de zanger – in dit geval dus Chuck.
Dat heet een lyrisch ik, begon de betweter. Hij stak zijn wijsvinger op en look zijn oogjes. ‘We gaan Berry toch niet klakkeloos gelijkstellen, Peter, aan de ik in deze song?’ Het was nota bene zijn favoriete Chuck-song, juist vanwege de pi-pi-pi-pikante inhoud. Volgens de betweter was die 6-jarige Marie niet de dochter van lyrische Chuck, maar zijn minnares.
Zwijgend liet ik deze interpretatie voor betweters eigen pedofiele rekening. Had ik Memphis, Tennessee, informeerde hij, eigenlijk wel beluisterd?
‘Nee, moet ik nog doen’, antwoordde ik, ‘maar ik dacht, kom, ik schrijf er alvast tien pagina’s over in De Betweterbode.’
Dit spoorde de betweter aan tot het ziften van een volgende mug. Wat was er nou, ergens halverwege mijn verhandeling citeerde ik uit Little Queenie, de song waarin Chuck, geleund tegen een jukebox, bijzonder lyrisch een meisje van 16 staat te bestuderen. I got longs in my throat when I saw her coming down the isle, haalde ik Chuck aan, en daarover was de betweter ontevreden. ‘Longs’ zei hij hoofdschuddend, moest uiteraard ‘lungs’ zijn, en ‘isle’, wat ‘eiland’ betekent, was ‘aisle’, wat ‘gangpad’ betekent.
Hoe ik dan ben, vrienden, is tot krabben en bijtens toe volhouden dat longs uiteraard ‘verlangens’ betekent, heel poëtisch van Chuck, en dat Little Queenie zich kennelijk, wat kan ik eraan doen, afspeelt op een eiland, mijn beste.
Wat niemand gelooft wanneer je het in een roman zou opschrijven, is dat ik de betweter na mijn Betweterbodeperiode, mooi woord, verder was het afzien, nog een keer ben tegengekomen.
‘Hoezo zou ik dat niet geloven?’
‘Wacht nou gewoon effe. Geduld. Kalm zeg. Wat is dat toch met de jeugd?’
Ik was een keertje op bedevaart in Memphis, Tennessee, samen met Pröppertje, een der g’noten, hij is mijn getuige, en we stonden op Poplar Avenue in een tweedehandsboekhandel te kijken bij de rock-’n-roll-boeken, en toen wilde ik de biografie van Chuck pakken, maar er schoot een onbekend handje toe en griste het boek voor mijn neus weg.
‘Nee. Dedede…bbb-bbbb…’
‘Hij ja.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant columns