Vanaf 7 november opent in Eye het retrospectief van het werk van filmproducentenpaar Matthijs van Heijningen en Guurtje Buddenberg, bekend van onder meer De lift, Een vrouw als Eva en Een vlucht regenwulpen. De Volkskrant spreekt hen over haat-liefdeverhoudingen, erkenning en hun favoriete film.
is filmredacteur van de Volkskrant.
Dit weekend zal er een patrouilleboot van de politie worden opgeblazen, hier vlak om de hoek. Die aankondiging viel vorige week in de bus bij Matthijs van Heijningen (80) en Guurtje Buddenberg (77), net als bij alle andere bewoners van dit deel van de hoofdstad, aan de rand van de grachtengordel.
De schade zal beperkt zijn: het betreft een stunt in Amsterdamned 2, van Dick Maas.
Het filmproducentenpaar in ruste ontvangt in zijn werkkamer; die van haar is een verdieping lager in het fraaie pand dat ze vijf jaar geleden samen betrokken. Op de schouw twee Gouden Kalveren en een ridderorde, boven de bank het schilderij De dans om het gouden kalf (‘van een leerling van Rembrandt’), op de salontafel stapels nog te lezen boeken.
Dick Maas! Van Heijningen had hem begin jaren tachtig nog ontslagen op de set van De lift. Niet dat de regisseur zich daar iets van aantrok: Maas ging de volgende dag doodleuk verder met het regisseren van zijn debuut.
‘Deed ik vaker hoor’, zegt Van Heijningen. ‘Nouchka (regisseur Nouchka van Brakel, red.) heb ik ook weleens ontslagen. Of dan ging ze staken, omdat ik iets had gezegd. Daarna ging je weer door.’
‘De verdeling van de opbrengst werd aanleiding tot een conflict tussen producent en regisseur’, noteerde Henk van Gelder over De lift in zijn standaardwerk uit 1995, Hollands Hollywood – Alle Nederlandse speelfilms van de afgelopen zestig jaar. Die verdeling betrof ook de rechten op de door Maas zelf gecomponeerde filmmuziek; de nu onlosmakelijk aan de horrorklassieker verbonden kale synthesizerdeunen, waarvan Van Heijningen 50 procent opeiste. ‘Ik vond het belachelijk dat Dick die muziek zelf wilde maken. Had hij zo’n lullig elektrisch orgeltje...’
Met een glimlach: ‘Hij moest en zou die muziekrechten terughebben. Ik heb gewacht tot de ochtend van de première, toen heb ik ze teruggegeven. Aan die muziekrechten heeft hij meer verdiend dan aan zijn percentage van de film.’
‘Maar daar heeft-ie óók best wel veel aan verdiend’, herinnert Buddenberg zich.
Van Heijningen knikt. ‘Toen we de wereldwijde rechten aan Warner verkochten. Weet je wat hij met zijn eerste cheque deed? Dick liep hier zo naar de bank. Honderdduizend gulden in z’n zak. Kocht hij een woonboot van, voor zijn moeder. Dat was wel aardig ja.’
Hij zit in een aangename zetel, zoals altijd keurig in pak, met sjaal en pochet. Zij – crèmekleurig Chanel-jasje, parelketting – verlaat af en toe de kamer voor wat bezigheden, om zich dan even later weer aan te sluiten.
Aanleiding voor het gesprek: het aanstaande retrospectief van hun werk in het Eye-filmmuseum, Iconen van de Nederlandse cinema – Matthijs van Heijningen en Guurtje Buddenberg. Ruim veertig films produceerde het tweetal, met het eigen filmbedrijf Sigma Pictures. Van kolossale hits en publieksfilms als De lift (1983) en Ciske de Rat (1984) tot de baanbrekende feministische films van de eerste Nederlandse vrouwelijke regisseurs, zoals Van Brakels Een vrouw als Eva (1979) en De stilte rond Christine M. van Marleen Gorris (1982). En bovenal veel literatuurverfilmingen, waarvoor Van Heijningen dan vaak zelf het boek voorstelde bij de regisseur, variërend van Een vlucht regenwulpen (Ate de Jong, 1981) en Van de koele meren des doods (Van Brakel, 1982) tot Eline Vere (Harry Kümel, 1991).
Het retrospectief is nadrukkelijk aan hen beiden opgedragen. Voelt dat ook als iets van erkenning voor haar?
Zij: ‘Ja, vind ik wel. Ik heb toch minimaal 50 procent bijgedragen aan het tot stand komen van die veertig films. Maar als ik niet naast Matthijs liep, wist niemand wie ik was.’
Hij: ‘Hmm, je bent ook niet zo groot hè?’
Zij: ‘Matthijs was natuurlijk wel een eh... overheersend type. Die voldeed geheel en al aan het beeld van de filmproducent.’
Hij: ‘Ik vond het leuk om daar een beetje een grap van te maken. Iets van een act.’
Bij het beroep filmproducent dacht men in Nederland automatisch aan die man in driedelig pak, met de sigaar, de Jaguar en...
Zij vult aan: ‘Een kasteel.’ (Kasteel Bolenstein, ooit gekocht van de recettes van Een vlucht regenwulpen.)
Hij: ‘Ach, we hebben het altijd samen gedaan. Een tweepersoonsbedrijf. Ik ging over de inhoud, zij over het geld. Zo makkelijk was het.’
Het is alweer acht jaar sinds hun laatste speelfilm, Het leven is vurrukkulluk van Frans Weisz. Al blijft de filmwereld trekken: het paar is gedeeltelijk eigenaar van de binnenkort te openen nieuwe bioscoop op de Zuidas, The Pulse. Ook investeerden ze beiden in de nieuwe speelfilm van Martin Koolhoven. Het zelf produceren missen ze niet.
Hij: ‘Nee, niet echt. Zoals wij werkten, als onafhankelijke producent, is ook bijna niet meer mogelijk. Het is allemaal zo gecompliceerd geworden, met al die verschillende financiers. En het wás al gecompliceerd.’
Zoon Matthijs van Heijningen (59, uit een eerdere relatie) won dit jaar als een van de drie producenten het Kalf voor beste tv-serie, met De Joodse Raad. Voor het eerst stond er geen junior meer achter zijn naam.
De vader: ‘O, dat zijn ze dan vergeten. Noem ik me nou senior, of noem jij je junior? – daar hebben we het op een gegeven moment over gehad. De uitkomst was toch wel dat hij zich junior noemt. Het zou ook een beetje ongemakkelijk zijn als de mensen straks denken dat ík die Slag om de Schelde heb geregisseerd.’
In de jaren zestig overwoog Van Heijningen senior een bestaan als clown; op de mimeschool deelde hij de les met Peter Faber en Rutger Hauer. (‘Wie van ons de beste was? Peter!’) Ook regisseerde hij nog even het dagelijkse tv-programma De Fabeltjeskrant, waarna hij het spijkerpak verruilde voor een blazer, ‘van de Bonneterie’, en overstapte naar de productiezijde.
Zij: ‘Ik ken hem al 53 jaar. Kun je nagaan hoe oud hij is. Toen we iets met elkaar kregen, wilde hij niet samenwerken, want het mocht geen papa-en-mamabedrijf worden. Je gaat achter de pannen staan, zei hij. Of niet.’
Hij: ‘Dat heb ik nooit zo gezegd!’
Zij: ‘Jawel. Anyway, toen ben ik gaan werken bij de VPRO. Periander, met regisseur Ruud van Hemert. Heb ik het produceren daar geleerd.’
Zien ze nog veel films?
Zij: ‘O ja, ja ja. Emilia Pérez, gisteravond in de bioscoop.’
Ook Nederlandse?
Hij: ‘Nee. Waar zou je naartoe moeten?
Zij: ‘Romantische komedies doen we niet.’
Hij: ‘Nou, dan valt er een hoop af in Nederland. We zijn naar die eh.. hackers geweest, of hoe heet het, hakkers?’
Zij: ‘Hardcore Never Dies. Ik vond het een truttige film.’ (Jim Taihuttu’s misdaadfilm over de gabberscene won dit jaar vier Gouden Kalveren.)
Onlangs stuurden een aantal Nederlandse filmmakers, onder wie producent Klaas de Jong en regisseur Johan Nijenhuis, een brandbrief aan de minister van Cultuur dat het Nederlandse filmbeleid was ‘geflopt’. Hun oplossing: geen ‘filmhuisfilms’ meer subsidiëren, maar gewoon al het geld aan de makers van Redbad, Rokjesdag en De Tatta’s geven.
‘Een domme brief’, volgens Van Heijningen. ‘Kijk, zulke commerciële films kun je prima maken zónder het Filmfonds. Geen enkel probleem. Met een incentive (een stimuleringsmaatregel zonder inhoudelijke toetsing), een streamingdienst of een omroep, of een streamingdienst én een omroep. Dan zit je zo op 2,5 miljoen en heb je verder geen subsidie nodig. En waarom zou je ook in zee wíllen gaan met het Filmfonds? Daar wordt je project vakkundig om zeep geholpen. Dan zeuren ze net zolang over de inhoud tot er niks meer van overblijft. Dat is hét probleem van de Nederlandse film: geen fantasie, geen durf.’
Op de volle salontafel ligt ook Dagboek van een filmmaker van Frans Weisz. ‘Ik heb het niet gelezen’, waarschuwt Van Heijningen.
Wie selectief citeert uit het boek, dat werd gepubliceerd in 2023, moet óók vermelden dat een filmende Weisz slechts twee gemoedstoestanden kent: intens gelukkig of totaal wanhopig. Als de cineast zijn producenten noemt, betreft het meestal die laatste categorie.
Dinsdag 2 mei, tweede draaidag: ‘Ik merk dat mijn woede en haat tegen ze (Matthijs en Guurtje) per dag toeneemt.’
Dinsdag 16 mei, vrije dag: ‘Zoals Matthijs met mij omgaat is vernielzucht.’
Van Heijningen: ‘Zo ervaart Frans dat misschien. Ik vond hem vooral laf. Hij verschool zich steeds achter anderen. Maar ja, achteraf bleek dat hij toen toch al licht dementerend was. Dat hebben we natuurlijk allemaal als we over de 80 zijn. Maar wij hebben dat toen totaal niet doorgehad. En die film: zoals Frans ’m gemaakt heeft, vond ik het best aardig. Het publiek ging er niet naartoe. Jammer.’
Het kwam niet tot een verzoening. ‘Als we elkaar tegenkomen lachen we vriendelijk. Maar verder... nee.’
Kun je als producent bevriend blijven met regisseurs? Hij: ‘Ja hoor, dat kan. Met André van Duren (De Helleveeg) bijvoorbeeld. Met Nouchka is het een soort haat-liefdeverhouding, maar toch ook zeker liefde. Dick Maas, dat was een hele tijd moeizaam. Maar daarna hebben we wel weer samen gegeten.’
In haar in 2018 gepubliceerde memoires Scènes uit mijn eigen draaiboek schrijft Nouchka van Brakel hoe Van Heijningen foto’s van een screentest van Monique van de Ven lekt aan de Privé-pagina van Henk van der Meijden in De Telegraaf. Zo wist de producent zijn voorkeur voor de hoofdrol in Een vrouw als Eva erdoorheen te drukken.
Hij: ‘Maar ik was ook zo overtuigd van mijn gelijk! Dat ben ik altijd hoor, dat is mijn gereformeerde opvoeding. Het hoorde er ook bij, met Nouchka.’
Zij: ‘Ze hebben hetzelfde sterrenbeeld. Ram.’
Hij: ‘Die strijd, ach. De grootste flops waren toch de producties waar het zo gezellig was op de set. Als je onder hoge druk werkt, wat bij film echt een vereiste is, valt er minder te lachen.’
Zij: ‘Dan was ik af en toe ook nodig als diplomaat. Om ervoor te zorgen dat Matthijs een beetje rustiger deed tegenover de regisseur. Hij neemt wel wat van mij aan.’
Hij: ‘O zeker. Trouwens, zo graag kwam ik niet op de set.’
Zij: ‘Wij ergerden ons vooral op de set. Het lijkt altijd alsof een heleboel mensen heel weinig staan te doen.’
Hij: ‘Je zet zo’n productie op vanaf het begin: de rechten, het scenario, alles. Maar als je eenmaal op de set nog echt wil ingrijpen... dat kost gelijk zo veel geld. Dus ja, dan moet je de regisseur zijn werk laten doen. Of ontslaan. Maar dat is niet zo makkelijk in Nederland.’
Eén keer werd Van Heijningen zelf ontslagen. Dat was op de set van Turks fruit, waar hij als productieleider werkte.
‘Hij eruit of ik eruit! Dat riep Paul Verhoeven tegen Rob Houwer (de producent, red.). Nou, dat was snel bekeken. Rob zei: je hebt zoveel geld en het moet in zes weken gedraaid zijn, dat is je opdracht. Nou, zei Paul tegen mij: dat gaat je niet lukken. Hij liep consequent een dag per week uit, dus daar kregen we ruzie over. Ik bedacht van alles om Paul klem te zetten, maar altijd vond hij een oplossing om het toch precies zo te doen als hij het wilde. Echt geniaal. Maar ja, Paul is ook een mathematicus hè.’
In eerdere interviews noemde hij Verhoeven ook wel een ‘lul-de-behanger’, was Turks Fruit ‘larmoyant’ en Spetters ‘enigszins fascistoïde’.
Nu: ‘Ach, die Amerikaanse films van hem, waar hij altijd zo’n tweede laag in bouwde, dat vond ik toch wel erg knap. Robocop en zo.’
Is Van Heijningen milder geworden? Hij: ‘Wel iets. Maar het is ook de tijdgeest, hè. Je moet drie keer oppassen voordat je iets zegt.’
Dat die melancholische Eline Vere uit de door hun bedrijf verfilmde roman van Couperus ‘gewoon eens goed door een man gepakt moet worden’, zou hij tegenwoordig anders zeggen. Met een glimlach: ‘Misschien zou ze naar de psychiater moeten.’
Harry Hosman, die het boek van Weisz samenstelde, werkt nu aan een boek over Sigma Pictures. Elke donderdag komt hij langs om lange gesprekken te voeren, waarvoor hij put uit het aan filmmuseum Eye overgedragen archief van de producenten.
Hij: ‘Als je die briefwisselingen en faxen uit die tijd terugleest, dat is echt hilarisch. Veel gedoe. Veel geprocedeerd. Veel ruzies ook, uiteraard.’
Zij: ‘Ik vind het vrij confronterend, die sessies met Harry. Want het is lang niet altijd erg gezellig of leuk gegaan, met die films. En dan zijn er nog al die films die we uiteindelijk níét hebben gemaakt. Dat zijn er óók veertig.’
Boven in de huiskamer, waar de fotograaf het paar vastlegt, klapt Buddenberg twee houten deuren open van het 18de-eeuwse LXV-cabinet, waarachter een kolossaal televisietoestel schuilgaat. Ernaast liggen twee dvd’s: Eline Vere en Van de koele meren des doods. Als ze beiden slechts één Sigma-film konden redden, dan toch die.
Hij: ‘Koele meren. Die paste ook zo goed bij de tijdgeest hè. Terug naar de natuur. En met die drugs (de door Renée Soutendijk gespeelde Hedwig raakt verslaafd aan morfine, red.). Er kwamen veel mensen op af, zevenhonderdduizend bezoekers.’
Zij: ‘Voor mij Eline Vere. Ik houd van de historie, van de interieurs. Ik houd van... mooi.’
Hij: ‘Wat was nou ook alweer jouw trauma bij die film? O ja, dat je van Beatrix niet naast me mocht zitten bij de koninklijke première. Omdat we niet getrouwd waren.’
Zij: ‘En Matthijs accepteerde dat gewoon! Dat vond ik wel een beetje raar van hem.’
Sinds hun pensionering als producent zijn ze samen op wereldreis gegaan met het luxe cruiseschip de Queen Victoria (Van Heijningen heeft vliegangst).
Zij: ‘Een langgekoesterde wens. Je moest altijd in het voorjaar draaien, of in het najaar. Dus we konden nooit. En we kijken nu ook samen televisie. De ring. Met die mooie jongen, Minne Koole. En Hannah Hoekstra. Ze spelen dat leuk.’
Hij: ‘We hebben die serie achter elkaar gezien, dat helpt ook.’
Zij: ‘We hebben gebinged.’
Hij: ‘Doen we nooit, maar nu dus wel.’
Iconen van de Nederlandse cinema – Matthijs van Heijningen en Guurtje Buddenberg (7 t/m 13/11 in Eye, Amsterdam). Ter gelegenheid van het retrospectief wordt een gerestaureerde kopie van het plattelandsdrama Kracht (1990) van Frouke Fokkema opnieuw in de bioscoop uitgebracht.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant