Ik stapte de trein in, want ik moest naar Maastricht. Maastricht is een mooie stad, maar net iets te ver weg. (Brieven in het genre ‘Dat hangt er maar helemaal vanaf waar je woont ’ zullen niet worden beantwoord.) Ik ging zitten tegenover een jong stel, een jongen en een meisje van een jaar of 15. Ze waren bovenaards mooi, allebei tenger en donker van ogen, de jongen met zwarte krullen rond een hoekig gezicht, het meisje met glanzend bruin, sluik lang haar en een rode mond die lachte en pruilde tegelijk.
Op hun tafeltje aan het raam lagen twee bananen. Een beetje spijtig keek ik ernaar. Het was lunchtijd, maar ik had me naar de trein gehaast en niets gegeten. Dat zat er de komende tweeënhalf uur ook niet in, want de tijden dat je in de trein koffie en broodjes kon krijgen zijn onherroepelijk voorbij.
De jongelui, intussen, hadden uitsluitend oog voor elkaar. Niet alleen oog trouwens. Nog vóór de trein Amsterdam uit was zaten ze al omstandig te vozen, met verhitte gezichten en vochtige geluiden. Tussendoor hielden ze af en toe even op om elkaar stralend in de ogen te kijken, waarna opnieuw met volle inzet de tongen verstrengelden. Het was eigenlijk nogal onbeschoft, maar ja, ik ben óók jong geweest.
Bij Utrecht begon mijn maag te knorren. In het boek van Couperus dat ik zat te lezen ging men juist aan tafel voor een uitgebreid feestmaal, dat tot in detail werd beschreven, met gebraden kippen (‘getruffeerde poularde’), kreeft en champagne. Hebberig loerde ik naar die twee bananen op dat tafeltje. Ik geef al zeker veertig jaar niks meer om bananen, zo weezoet en pappig, maar ze dempen wel de honger.
We naderden Den Bosch. Het jonge stel zoende en voosde maar door. Ze kéken niet eens naar die bananen, die er steeds aantrekkelijker uit gingen zien. Ik róók ze ook. Goed rijp waren ze, met kleine bruine sproetjes. Precies zoals ik ze het lekkerst vond, als kind.
Sittard. Bij Couperus zaten ze inmiddels aan het dessert, ‘gateau Henri IV’ en ananas. Mijn maag gromde van de honger. Ik wierp bezwerende blikken op de jongelui. Eet dan tenminste eindelijk die bananen op, dacht ik, dan kunnen ze mij tenminste niet meer kwellen. Maar niks hoor.
Eindelijk stopte de trein in Maastricht, eindpunt. De verliefde kinderen stonden óók op en maakten aanstalten om uit te stappen. ‘Jongens, jullie vergeten je bananen’, riep ik ze na. Het meisje keek even verbaasd om.
‘O’, zei ze. ‘Die zijn niet van ons, hoor. Ze lagen er al. Ik dacht dat ze van u waren.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant