Home

Mauritshuis toont zijn ‘vergeten’ collectie exotische rariteiten

Het Mauritshuis staat bekend om zijn vermaarde kunstcollectie, maar was tot anderhalve eeuw geleden het ‘eerste volkenkundige museum van Nederland’. Het toont nu een stukje van het Koninklijk Kabinet van Zeldzaamheden, een verzameling snuisterijen uit verre landen en koloniën.

schrijft voor de Volkskrant over beeldende kunst.

Een kleine zaal met slechts zes kristalhelder gezeemde vitrines, waarin ‘maar’ honderdtwintig voorwerpen liggen. Bescheidenheid troef als je bedenkt dat het Mauritshuis een keuze heeft gemaakt uit zo’n tienduizend objecten die over een periode van twee eeuwen zijn verzameld, uit alle delen van de wereld. Tot anderhalve eeuw geleden waren ze een onvervreemdbaar onderdeel van het Haagse museum, nu is een deel ervan tijdelijk teruggekeerd onder de titel ‘Het verdwenen museum’.

De tentoonstelling had ook het ‘Het vergeten museum’ kunnen heten. Want wie weet nog van zijn bestaan af? Het Mauritshuis mag dan zijn bekendheid, sorry, vermaardheid te danken hebben aan de schilderkunstige topwerken – Vermeers Meisje met de parel, Fabritius’ Puttertje, Rembrandts Anatomische les van Dr. Nicolaes Tulp – maar ooit was dit slechts de helft van wat er te bewonderen viel op de krakende vloeren van prins Maurits’ vroegere woonhuis.

Die andere helft? Dat heette het Koninklijk Kabinet van Zeldzaamheden, en werd naast het het Koninklijk Kabinet van Schilderijen in 1816 opgericht door de kort daarvoor ingehuldigde Willem I. Beide collecties waren even vermaard in de 19de eeuw. De schilderwerken in de bovenzalen, de zeldzaamheden een verdieping lager.

Rariteitenkabinet

Die laatste collectie bestond, plat gezegd, uit alles wat geen hoge (schilder)kunst was. De bescheiden tentoonstelling geeft er met die honderdtwintig voorwerpen een aardige dwarsdoorsnede van. Te noemen: een drinkschaal in de vorm van een zilveren scheepje, een Indonesische staatsiekris, miniatuurhuisjes van het Japanse eiland Deshima, een Ghanese broodzak, wajang-poppen, een ivoren puzzelbal, een Surinaamse hoofdtooi met kleurige veren, een Arabische waterpijp, Spaanse castagnetten en (te) kleine Chinese schoentjes.

De kern van de verzameling was afkomstig van ene Jean Theodore Royer (1737-1807), Haags jurist, fervent Oranje-aanhanger en China-deskundige. Hij kocht niet alleen populaire exportproducten zoals porseleinen vazen, maar was ook geïnteresseerd in het alledaagse leven en de gebruiken in Zuidoost-Azië.

Je zou het een rariteitenkabinet kunnen noemen. Dat klinkt ietwat te lichtvoetig, want vergis je niet, de ernst en zelfbewustzijn dropen destijds van de ‘koninklijke’ verzameling af. Dit waren niet zomaar wat willekeurige snuisterijen die uit het buitenland waren komen aanwaaien.

Conservator Justine Rinnooy Kan: ‘Nadat Napoleon in 1815 was verslagen, de Fransen zich uit Nederland hadden teruggetrokken en Willem I als koning werd ingehuldigd, was er een sterke behoefte Nederland als natiestaat te profileren. De kas was leeggetrokken door de Fransen; de VOC was al eerder bankroet gegaan.’

Nationale trots

Dat was ook de reden om deze twee Koninklijke Kabinetten op te richten. Schilderijen die door de Fransen waren geroofd kwamen (deels) uit het Louvre terug, zoals De stier van Paulus Potter. Daarnaast had Willem I het geluk dat hij de collectie van Royer in de schoot geworpen kreeg en begon hij samen met de eerste directeur, Reinier Pieter van de Kastele, objecten uit vreemde landen te verzamelen.

Het resultaat was volgens Rinnooy Kan het ‘eerste volkenkundige museum van Nederland’, die de trots van het kleine land met zijn grote koloniën moest uitdragen. Zoals met de fiere driekleur die ooit in Deshima had gewapperd; de fluwelen, met goud gedecoreerde ‘muts van den Soesoehoenan van Djokjacarta’; een traditionele, Surinaamse kralenschort. Willem I leidde zijn buitenlandse gasten er graag langs.

Onderliggende ethiek in de collectie was de hiërarchische opvatting over wat destijds onder ‘beschaving’ werd verstaan. Het leidende principe daarbij was ‘de ladder van culturen’, zoals Rinnooy Kan uitlegt: met bovenaan de superieure West-Europese beschaving, en onderaan de ‘barbaren’, ‘half-barbaren’ en ‘wilden’, hoe pijnlijk dat nu ook klinkt.

Ministerie van Koloniën

De rangorde paste in het zogenaamde ‘vooruitgangsdenken’ van de 19de eeuw. Het was bovendien een bevestiging dat Nederland niet voor niets zijn koloniën bezat, een illustratie van zijn ‘superieure’ beschaving en welvaart ten opzichte van ‘primitieve’ volkeren. Toeval of niet, tegenover het Mauritshuis huisde destijds het ministerie van Koloniën.

In de oorspronkelijke zaalindeling in het museum kwam deze cultuurhiërarchie goed tot uiting: begon het zalencircuit met verzamelingen uit China, Japan en ‘alle werelddelen’, het eindigde met artefacten die Nederland als succesvol land met een al even succesvolle geschiedenis illustreerde, zoals met het (vermeende) harnas van Piet Hein, de zilveren trompet die Willem I had besteld voor zijn inhuldiging en de hoed met kogelgat van Willem van Oranje.

Van het laatstgenoemde hoofddeksel is inmiddels bewezen dat de Vader des Vaderlands die nooit gedragen heeft, maar dat maakte in de 19de eeuw niets uit. Mythes waren nu eenmaal nodig om het groeiende nationale gevoel een zetje te geven.

Een echt lang leven heeft het zeldzaamheden-kabinet overigens niet gekend. Na 53 jaar dienst te hebben gedaan als nationalistisch reclamebureau begon in 1875 de ontzameling. Acht jaar later sloot het kabinet definitief zijn deuren. De collectie werd daarna ondergebracht bij de voorloper van het huidige Wereldmuseum in Leiden en het Amsterdamse Rijksmuseum.

En, o ja, of de spullen op deze bruikleententoonstelling, oorspronkelijk veelal afkomstig uit de koloniën, roofkunst zijn? ‘Nee,’ zegt Rinnooy Kan resoluut. ‘Alles waar je een vraagteken over de herkomst bij kan zetten, tonen we niet.’

Het verdwenen museum. Koninklijk Kabinet van Zeldzaamheden. Mauritshuis, Den Haag. T/m 5 januari.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next