Het nieuws dat de Belastingdienst vanaf januari 2025 strenger gaat optreden tegen schijnzelfstandigheid heeft een golf van onrust veroorzaakt in de zorgsector. De bijna 130 duizend zzp’ers, onder wie huisartsen, voelen de spanning toenemen. In de media klinkt een simplistisch geluid: zorginstellingen willen hun personeel graag in loondienst, terwijl zelfstandigen koste wat kost hun vrijheid willen behouden en op zoek zijn naar mazen in de Wet DBA (deregulering beoordeling arbeidsrelaties). Maar deze zwart-witvoorstelling doet geen recht aan de werkelijkheid, vooral niet in de huisartsenwereld.
Huisartsen Davith de Vries en David Schaap hebben een rekentool ontwikkeld waaruit blijkt dat een waarnemend (zzp-)huisarts die in 2025 drie dagen per week in een praktijk werkt (voor een gemiddeld tarief van 80 euro per uur), jaarlijks zo’n 8 duizend euro netto minder verdient dan een collega in loondienst. Dit verschil zal naar verwachting in 2026 alleen maar verder toenemen. Dankzij steeds betere voorwaarden in de cao’s is het in loondienst treden voor waarnemers al langer aantrekkelijk. Waarom gebeurt dit dan niet op grote schaal?
Ondanks handhaving op schijnveiligheid en meer inkomsten zullen veel waarnemers niet de stap naar loondienst zetten. Bijvoorbeeld omdat ze op dit moment een goede arbeidsongeschiktheidsverzekering hebben, terwijl ze met de onzekerheid van een tijdelijk contract in loondienst meer risico gaan lopen. Daarnaast werken veel waarnemers ook op andere locaties zoals verpleeghuizen, bij de GGD, in asielzoekerscentra of op verschillende huisartsenposten. Hun flexibiliteit is hierbij essentieel en die zouden ze kwijtraken in een vast dienstverband.
Over de auteur
Danka Stuijver is huisarts en columnist van de Volkskrant. Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
Genoemd moet worden dat de terughoudendheid ook komt van praktijkhouders die, door de hoge kosten, vaak niet de mogelijkheid hebben of bereid zijn om waarnemers in vaste dienst te nemen. Daaronder ligt het probleem dat de tarieven in de huisartsenzorg niet in lijn zijn met de stijgende kosten. Kosten voor personeel, maar ook huur.
De Telegraaf berichtte onlangs over de onbetaalbare huurprijzen in Amsterdam, die het voor huisartsen vrijwel onmogelijk maken een praktijkruimte te vinden. Alsof dat nog niet genoeg is, heeft de Nederlandse Zorgautoriteit aangekondigd dat de tarieven voor huisartsenzorg in 2025 met 2,6 procent worden verlaagd. Het is dus ook niet gek dat waarnemers terughoudend zijn om zelf praktijkhouder te worden, zoals hen vaak wordt verweten.
Gaan we terug naar de rekentool, dan blijkt dat een praktijkhouder die een waarnemer drie dagen per week in loondienst wil nemen, minstens 15 duizend euro extra per jaar kwijt is. Als deze huisarts-in-loondienst vervolgens vakantie opneemt of ziek wordt, lopen de kosten snel verder op en moet er alsnog een zzp’er worden ingehuurd. Geen wonder dat vooral kleine praktijken huiverig zijn voor loondienstcontracten.
Ik vrees dat de onzekerheden over contracten en vergoedingen waarnemende en praktijkhoudende huisartsen zal dwingen voor januari 2025 gehaast keuzes te maken, die niet in het belang zijn van de patiëntenzorg. Dit probleem beperkt zich niet tot de huisartsen. De Nederlandse ggz waarschuwt dat handhaving op schijnzelfstandigheid instellingen zal dwingen over te stappen op duurdere detachering, afdelingen te verkleinen of te sluiten.
Hoewel vaste waarneming, waarbij een huisarts week in, week uit dezelfde dagen in één praktijk werkt inderdaad kan worden gezien als schijnzelfstandigheid, draagt het ook bij aan de continuïteit van zorg. Wanneer een groot deel van de vaste waarnemers ineens vertrekt uit hun praktijk en alleen nog losse waarnemingen gaat doen, zal dit niet alleen het werkplezier verminderen, maar ook de zorgkwaliteit aantasten.
De implicaties van de handhaving op schijnzelfstandigheid, bedoeld om mensen te beschermen die onvrijwillig als zelfstandige werken, wordt door huisartsen ervaren als onduidelijk en beperkend. Waarnemende huisartsen hebben geen behoefte aan extra bescherming, maar willen hun flexibiliteit behouden. Tegelijkertijd zit een grote groep praktijkhouders niet te wachten op huisartsen in loondienst.
Hoewel veranderingen absoluut noodzakelijk zijn om de huisartsenzorg toekomstbestendig te maken, moet het debat over meer gaan dan juridische kwesties. Op dit moment is er onvoldoende aandacht voor de persoonlijke en financiële gevolgen voor huisartsen, die onder grote druk staan om nog voor
1 januari complexe en ingrijpende keuzes te maken op basis van onvoldoende informatie. Zonder heldere antwoorden en eerlijke vergoedingen dreigt de huisartsenzorg snel onder immense druk te komen staan, met de patiënt en daarmee de samenleving die uiteindelijk aan het kortste eind trekken.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant