Joyce Ouwehand is 100 jaar. Hoe kijkt zij terug op de eeuw die achter haar ligt, waarin ze met haar gezin emigreerde naar Canada?
Joyce Ouwehand heet eigenlijk Jaapje, maar zoals duizenden Nederlandse emigranten die in de naoorlogse jaren naar Canada trokken, nam ze voor het gemak een Engelse voornaam aan. Dat was niet haar eigen keuze, vertelt de 100-jarige in haar kamer in Shalom Manor, een door Nederlandse immigranten opgericht christelijk bejaardenhuis in Grimsby dat 45 jaar geleden zijn deuren opende. Op de deuren van bewoners hangen bordjes met namen als Bennink, Brink en VanWyngaarden.
Ouwehand voelt zich nog nauw verbonden met Nederland. Op haar nachtkastje ligt het boek De eeuw van mijn vader van Geert Mak, dat ze aan het lezen is. In het laatje bewaart ze een bijzonder geschenk van tachtig jaar geleden.
Hoe gaat het met u?
‘Goed. Twee jaar geleden ben ik hier komen wonen. Mijn kinderen vonden het tijd dat ik naar een bejaardenhuis verhuisde. Ik vond het heel moeilijk om mijn zelfstandigheid op te geven, maar je kunt je buren niet om hulp blijven vragen. Dit huis is het beste wat mij is overkomen. Elke dag boenen ze de vloer. Het zijn niet meer alleen Dutchies die hier wonen, dat wil de Canadese overheid niet meer. De laatste jaren zijn er ook Italiaanse en Duitse immigranten bij gekomen. Mij maakt dat niet uit, ik ga met iedereen om.’
Is het geloof belangrijker voor u geworden sinds u in Canada woont?
‘Oja, zonder de kerk en het geloof had ik het hier niet gered. Ik dank God dat hij mij en mijn gezin geholpen heeft.’
Heeft u het moeilijk gehad na uw emigratie?
‘In 1957 vertrokken mijn man en ik met onze drie jongens naar Canada omdat we hadden gehoord dat hier genoeg werk was en goede huisvesting, maar dat was helemaal niet zo. We waren verkeerd voorgelicht. Alleen voor boeren was er werk, maar mijn man was geen boer. In Nederland werkte hij bij de posterijen, als waarnemend hoofd bestellingen.
‘De eerste maanden woonden we in Hamilton, hier niet ver vandaan, in het huis van mijn broer en schoonzus, die al drie jaar eerder waren geëmigreerd. Onze fieldman, dat was iemand die nieuw aangekomen immigranten hielp bij het vinden van werk en huisvesting, vond voor ons een half huurhuis aan de rand van Hamilton, zonder stromend water en toilet. Water moest je oppompen, dat vond ik maar niks.
‘We woonden tussen Poolse emigranten, zo leerde ik natuurlijk geen Engels. Ik had de eerste jaren vooral contact met andere Nederlandse emigranten die ik in de kerk leerde kennen, de Christian Reformed Church. Onze huisarts, ook een Nederlandse emigrant, adviseerde ons thuis alleen Nederlands te spreken. ‘De kinderen leren op school wel Engels’, zei hij. Na ons eerste jaar in Canada is ons vierde kind geboren, een dochter. Ik durfde niet in het ziekenhuis te bevallen, omdat ik amper Engels sprak. Onze huisarts zei dat ik wel bij hem in huis kon bevallen. Dus daar is ze geboren. Na een paar jaar ben ik toch in de winter een cursus gaan doen.’
Wat was de reden van jullie emigratie?
‘De woningnood in Nederland. Ik was 29 toen ik in 1953 met Gerrit trouwde. Ik had hem via een vriendin in Amsterdam leren kennen; ze vertelde dat zijn vrouw was overleden aan kanker en hij hulp kon gebruiken – hij had twee jonge kinderen. Mijn gebed tot God was verhoord toen hij mij ten huwelijk vroeg. Zijn kinderen waren 3 en 7 op het moment dat we trouwden en ik heb ze altijd als mijn eigen boys beschouwd. Samen kregen we in Amsterdam nog een boy.
‘Met zijn vijven woonden we in een heel krappe benedenwoning, met twee piepkleine slaapkamertjes. De oudsten sliepen op een opklapbed en de wieg van de baby stond in de keuken. We stonden op de wachtlijst voor een grotere woning, maar dat zou minimaal zes jaar duren. Zo lang wilden we niet wachten, dus besloten we naar Canada te emigreren, in de verwachting dat het daar beter zou zijn.’
Waar leefden jullie van?
‘Mijn man pakte alles aan. Hij is rijlessen gaan nemen om op een vrachtwagen te kunnen rijden. Twintig jaar lang is hij vrachtwagenchauffeur geweest. Daarna, tot zijn pensioen, conciërge in een fabriek, zes dagen in de week nachtdiensten draaien. Mijn man klaagde nooit over zijn werk. Hij had een heel mooi karakter, in alle omstandigheden was hij een gelukkig mens.
‘Na acht jaar konden we voor het eerst naar Nederland voor familiebezoek. Voor die tijd hadden we ons spaargeld nodig voor de aanschaf van een auto, want in dit land kun je niet zonder. We hebben nooit een woning kunnen kopen en altijd gehuurd.’
Heeft u, terugkijkend, wel een beter leven gehad in Canada dan in Nederland mogelijk was geweest?
‘Dat weet ik niet. Bij elk besluit dat je neemt, kun je niet voorzien wat het leven je brengt. Dat ligt in Gods handen. Achteraf ben ik dankbaar dat Hij ons al die tijd geholpen heeft. In het begin miste ik vooral de gezelligheid van Nederland, die heb je hier niet, het is zo’n groot land. Gezelligheid moet je hier met je eigen gezin creëren. Ik heb emigranten zien terugkeren naar Nederland, omdat ze heimwee hadden, maar spijt kregen en toch weer naar Canada kwamen – dus kennelijk was het hier beter.’
U heet eigenlijk Jaapje, maar wordt in Canada Joyce genoemd, hoe is dat zo gekomen?
‘Onze huisarts zei in ons eerste jaar hier: ‘We noemen je geen Jaapje meer, voortaan heet je Joyce’.’
Bepaalde hij dat zonder u inspraak te geven?
‘Ja, en hij koos die naam.’
Voelt u zich na bijna zeventig jaar Canadees of nog Nederlands?
‘Ik voel mij niet honderd procent Canadees en niet honderd procent Nederlands. Nederland leeft in mijn hart, dat gaat er nooit meer uit. Ik heb de taal altijd goed bijgehouden en houd erg van het Koninklijk Huis, van de koning en de koningin, die liefde gaat nooit meer weg. De laatste Prinsjesdag belde ik via mijn iPad mijn schoonzus in Nederland. Ze vertelde dat de Troonrede van de koning net was begonnen, draaide haar televisietoestel om en zo hebben we samen naar zijn toespraak geluisterd. Dat gaf een vertrouwd gevoel.’
Denkt u nog vaak terug aan uw jeugd?
‘Mijn ouders hadden een winkel met boter, kaas en eieren in Rotterdam, we woonden in het centrum. Tijdens de crisisjaren dertig ging de verkoop slecht en raakten ze werkloos. In die moeilijke tijd werd ik ’s zomers als ‘bleekneusje’ naar buitenplaatsen gestuurd, zoals Egmond, om aan te sterken. Op mijn 15de ben ik gaan werken. Ik zat in het derde jaar van de huishoudschool, toen de vrouw van dominee Buskes (een in die tijd invloedrijke socialistische theoloog en predikant, red.) op bezoek kwam en de directrice vroeg of ze een van haar leerlingen kon aanbevelen als hulp in de huishouding. Ze koos mij.
‘Ik kreeg een eigen kamer in hun huis in Rotterdam Blijdorp. Samen met mevrouw kookte ik de maaltijden, dekte de tafel, deed de afwas en ander huishoudelijk werk. Ze waren goed voor mij, ik was er kind aan huis. Dominee Buskes heeft mij kleren en schoenen gegeven nadat ik in de oorlog alles was kwijtgeraakt. ’
Hoe was u alles kwijtgeraakt?
‘Door het bombardement op Rotterdam. Tijdens de inval van de Duitsers op 10 mei 1940 was ik thuis met mijn ouders en broertje van 12. We zijn vier dagen binnengebleven. Op de vijfde dag, op 14 mei, werd het centrum van Rotterdam gebombardeerd, waar wij in een oud huisje woonden. Onze ruiten sprongen, de muren scheurden, delen van ons plafond kwamen naar beneden – ik zag stro en andere rommel tevoorschijn komen. We gingen in de gang bij de buitendeur staan. Een kort moment hoorden we geen vliegtuigen en was het stil. ‘Nú kunnen we weg!’, riep mijn vader. Met z’n vieren zijn we weggerend, de straten door, over glasscherven en brokstukken en langs brandende huizen.
‘Veel Rotterdammers in het centrum kwamen om het leven, maar wij hadden het geluk dat we konden vluchten. We kwamen aan in Hilligersberg (een buitenwijk van Rotterdam, red.), mijn moeder was nog nooit zo ver geweest. Daar waren padvinders die ons in een truck de stad uit reden, naar Hazerswoude, naar de boerderij van familie.
‘Een klant van vroeger uit de winkel hielp mijn ouders aan een nieuwe huurwoning. Mijn vader kon conciërge worden in noodscholen die voor Rotterdamse kinderen werden gebouwd. En ik ben na een tijdje weer als dienstmeisje bij dominee Buskes ingetrokken.’
(Ze stopt met praten, trekt de lade van haar nachtkastje open en haalt er een mosterdgele knijpkat uit die nog licht geeft.) ‘Deze heb ik in de oorlog van dominee Buskes gekregen. Zo kon ik in het donker thuiskomen als ik bij een vriendin was geweest, alle straten waren op last van de Duitsers verduisterd.
‘In het laatste oorlogsjaar is mijn vriend Adrie, met wie ik verkering had, omgekomen door een scherf van een bom die in zijn hoofd terechtkwam. Zijn dood is mijn leven lang zeer blijven doen. Na de oorlog ben ik met het gezin Buskes mee verhuisd naar Amsterdam, waar ik mijn man zou leren kennen.’
Hebben we alle belangrijke gebeurtenissen uit uw leven de revue laten passeren?
‘Nee, maar zo is het wel genoeg.’
geboren: 21 december 1923 in Zegwaard
woont: in bejaardenhuis Shalom Manor in Grimsby, Canada
beroep: huishoudster
familie: 4 kinderen, 14 kleinkinderen, 21 achterkleinkinderen en 1 achterachterkleinkind
emigratie naar Canada: 5 april 1957
weduwe sinds 2002
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant