Home

Niet iedereen in Zuid-Libanon vlucht voor de Israëlische bommen: ‘Alleen God kan ons hier verdrijven’

Ruim een miljoen Libanezen zijn het zuiden vanwege de Israëlische bombardementen ontvlucht. Maar er zijn ook mensen die achterblijven, alle gevaren ten spijt. ‘In de vorige oorlog zijn we ook gebleven. Dit bedrijf is ons leven, dit is onze geboortegrond.’

is correspondent Midden-Oosten van de Volkskrant. Hij woont in Beiroet.

Behoedzaam buigt Fatima Ismail (70) voorover om de glasscherven bij elkaar te vegen. Haar balkondeuren zijn uit de kozijnen geknald door de kracht van een explosie, verderop in haar straat. Nog geen 24 uur later bekijkt de vrouw des huizes de ravage. Ze is bang, zegt ze, nu de oorlog met Israël dichterbij komt. Haar kinderen bellen elke dag om te vragen of ze nog veilig is.

Maar wat is veilig in oorlogstijd? Het dorp waar ze woont, Tefahta, is meermaals door Israëlische bombardementen getroffen. Het dorp ligt in een uitbundig groene vallei in zuidelijk Libanon, anderhalf uur rijden ten zuiden van de hoofdstad Beiroet. Op het moment van de meest recente klap, dinsdagmiddag rond 5 uur, lag Fatima’s man een dutje te doen. Ali Ammouri (73) schoot wakker en zag dat er in zijn straat een huis was geraakt, 40 meter verderop. De schrik hangt nog in de lucht. Ammouri, aarzelend: ‘Misschien is ons huis hierna aan de beurt.’

Sinds Israël met zware bombardementen begon op doelwitten van de militante beweging Hezbollah, een maand geleden, is Zuid-Libanon het toneel van een exodus. Vrouwen, kinderen, ouden van dagen – vrijwel iedereen heeft zich uit de voeten gemaakt. Niemand weet of en wanneer ze terug kunnen. Een week geleden bliezen de Israëliërs alle 79 huizen van het grensdorp Mhaibib op met zorgvuldig geplaatste explosieven, mogelijk om het gebied voorgoed onbewoonbaar te maken (Israël zegt zelf dat het moest gebeuren omdat er Hezbollah-tunnels onder liepen). Zo’n 1,2 miljoen mensen zijn nu op drift.

Syrische dagloners

Maar er zijn ook bewoners die, alle adviezen ten spijt, besluiten te blijven. Syrische dagloners, bijvoorbeeld, naar wie niemand omkijkt en die geen geld hebben voor onderdak elders. Je hebt de Hezbollah-strijders, vechtend aan de grens tegen Israëlische tanks en special forces. Er zijn aanhangers van de groepering die stug volhouden en zeggen: wij vrezen God, niet de dood. En er zijn mensen als Ammouri en zijn vrouw. ‘Toen de oorlog begon, dacht ik: deze oorlog richt zich op Hezbollah, niet op burgers’, zegt hij. Het dorp liep leeg, het koppel bleef.

Zoals in meer zuidelijke dorpen maakt Hezbollah hier de dienst uit. Wie een ommetje wil maken, krijgt een ‘begeleider’ mee die zich niet laat wegsturen. In het geval van de Volkskrant is het een 25-jarige die zijn naam niet wil geven en fungeert als een manusje-van-alles voor de groepering. Hij gaat ons voor naar het pand dat dinsdag werd geraakt. Van de oorspronkelijke drie etages resteert alleen een berg brokstukken. Links en rechts reepjes kleren. De blaadjes van een schriftje wapperen in de wind.

Waarom Israël dit gebouw bombardeerde, is onduidelijk. Er kwamen negentien mensen om, onder wie zes vrouwen en vijf kinderen. Het waren de kinderen en kleinkinderen van het voormalige schoolhoofd in het dorp, aldus de BBC. Ze waren wrang genoeg net terug van een begrafenis. Een dag eerder hadden ze bij een ander bombardement een familielid verloren. Nu waren ze zelf dood. De lokale imam die toevallig voorbij kwam lopen, verloor ook het leven. Een andere dode was actief voor Hezbollah. ‘Maar niet als strijder’, zegt de Hezbollah-medewerker met nadruk. Te verifiëren valt dat niet.

Doffe explosies

Aan de andere kant van de vallei, voorbij kilometers aan olijf- en citrusgaarden, kun je met eigen ogen zien wat weken aan oorlog met het straatbeeld hebben gedaan. Huizen zijn verlaten, de rolluiken van winkels hermetisch gesloten, koffiehuizen en hotels spookachtig leeg. Ver weg klinken doffe explosies, ten teken dat er ergens gebombardeerd wordt.

In die woestenij is het tankstation van Abbas Shakaron (36) en zijn broer Ali (33) een oase. Je vindt ze langs de doorgaande weg naar het dorp Marwaniyeh. In de wijde omgeving, zeggen de broers trots, is dit het enige tankstation dat nog open is. De mannen die vóór de oorlog hun benzinevoorraad aanvulden, vertikken dat nu, en dus haalt Abbas de benzine tegenwoordig zelf op.

Zijn vrouw en kinderen heeft hij naar Beiroet gestuurd. Op de vraag waarom hij zelf is gebleven, haalt hij haast de schouders op. In 2006, tijdens de laatste oorlog tussen Hezbollah en Israël, werd er volop infrastructuur gebombardeerd en viel er een bom op het pompstation. ‘Ook toen zijn we gebleven’, zegt Abbas. Het familiebedrijf bestaat al veertig jaar, het is opgericht door zijn vader. ‘Van hem hebben we geleerd verantwoordelijkheid te nemen. Dit bedrijf is ons leven. Dit is onze geboortegrond, we gaan hier niet zomaar weg.’

Zoals een andere dorpeling het formuleert: ‘Alleen God kan ons van deze grond verdrijven.’ Voor zuidelijke bewoners zijn dat kenmerkende woorden. Het is hier al vaak oorlog geweest: eerst die van 1978 en 1982, toen Israël tweemaal binnenviel. Vervolgens de Israëlische bezetting die tot 2000 duurde, gevolgd door de oorlog van 2006 en nu deze. Altijd was het zuiden een frontlinie. Oorlogen komen en gaan. ‘Een beetje zoals de wind’, tekent antropoloog Munira Khayyat in haar boek A Landscape of War (2022) op uit de mond van een zuiderling. Een ander omschrijft de relatie met Israël als een gewelddadig huwelijk: altijd frictie, nooit een logische uitweg.

Van al die oorlogen met het buurland is Hezbollah het product. Ook dat zie je in het straatbeeld. Vlaggetjes van Hezbollah worden afgewisseld door die van Amal, een andere sjiitische groepering die eveneens strijders levert. Ieder dorp heeft zijn eigen posters met stoer poserende mannen – ‘martelaren’ die het leven lieten op het slagveld.

Existentiële strijd

‘Voor ons is dit een existentiële strijd’, zegt Ali, ‘net als voor Israël.’
‘Maar wel een die op ons land wordt gevoerd’, corrigeert Abbas hem fel. ‘De Israëlische bommen maken alles kapot. Onze economie, onze beschaving.’
De broers vertellen dat ze in hun kindertijd naar de honderd jaar oude soek gingen in Nabatieh, 15 kilometer verderop, om kleren te kopen. Een reeks Israëlische bombardementen legde de markt in de as. Abbas: ‘Mijn kinderen zullen nooit zien hoe mooi het was.’

Van lieverlee is hun bedrijf meer geworden dan alleen een tankstation. De broers voeren de buurtkatten die zonder baasjes zitten en praten voorbijgangers bij over het laatste nieuws. Ze hebben een winkeltje waar ze shampoo, sigaretten en chocola verkopen. Toen honderdduizenden mensen op de eerste dag van de oorlog in de file naar Beiroet stonden, voorzagen de broers hen van voedsel en water.

Hun dorp staat niet bekend als een grote leverancier van Hezbollah-strijders, ook al weten de broers dat nooit helemaal zeker. Geheimzinnigheid is de norm. ‘Eigenlijk weet je nooit of iemand zich heeft aangemeld om te vechten’, zegt Abbas. ‘Soms zie ik een overlijdensbericht van een jongen die ik kende, en denk ik: o, hij zat bij Hezbollah.’ Achter hem is een auto komen aanrijden. Hij staat op om het gezin te helpen bij het tanken.

In het andere dorp, Tefahta, hebben Ali Ammouri en zijn vrouw intussen een besluit genomen. Ze gaan toch weg. Nu de buren gebombardeerd zijn, vinden ze het te gevaarlijk worden. Een familielid woont in de kustplaats Sidon, waar het momenteel veiliger is. Ze willen er blijven tot er een staakt-het-vuren is met Israël.

Maar voor ze vertrekken, wil Ammouri nog iets kwijt over zijn verleden, dat verknoopt blijkt met Israëls Libanon-oorlogen. In 1982, toen Israël binnenviel om de Palestijnse bevrijdingsorganisatie PLO te verdrijven, werden tientallen dorpelingen in Tefahta opgepakt en vastgezet. Ammouri zat een jaar in de cel.

Vreedzame middelen

Toen hij vrijkwam, realiseerde hij zich: met wapens gaan we er niet komen. Zoals meer zuiderlingen is hij opgegroeid met het diepgewortelde idee dat de Palestijnse gebieden ooit bevrijd worden – een centraal dogma uit het lexicon van Hezbollah. ‘Maar ik ben ervan overtuigd dat wapens meer verliezen brengen dan overwinningen. Een mens moet niet meer willen dan hij kan bereiken. Als Arabieren moeten we onze rechten met vreedzame middelen opeisen.’

Het manusje-van-alles van Hezbollah heeft meegeluisterd en gebaart dat het gesprek nu vlug moet worden afgerond. Dit is duidelijk niet de boodschap die de buitenwereld moet horen. Verzet is er in allerlei smaken, maar Hezbollah kent er maar één.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Lees hier alle artikelen over dit thema

Source: Volkskrant

Previous

Next