Home

De moeder van Jolande Withuis wilde niet thuiszitten en was daarmee haar tijd ver vooruit: ‘Nu heb ik met haar te doen’

In Moeder, antimoeder schrijft socioloog en biograaf Jolande Withuis over haar moeder en de moederschapscultus waartegen die zich afzette. Daarmee gooide ze ook zaken overboord die wél bij moeders horen. Zoals affectie.

is wetenschapsredacteur van de Volkskrant. Ze schrijft over sociale wetenschappen en maatschappij.

Op de werkkamer van Jolande Withuis thuis in Zutphen staat een kleine trouwfoto van haar ouders uit 1948, een jaar voor haar geboorte. Haar moeder draagt een zakelijk, zelfgenaaid mantelpakje. Jenny van Ringen, toen 26 jaar oud: op de trouwkaart stond haar naam vooraan.

En nog revolutionairder in die tijd: ze trouwden onder huwelijkse voorwaarden. Gehuwde vrouwen waren tot 1957 volgens de wet niet ‘handelingsbekwaam’: ze mochten geen handtekening zetten, geld uitgeven of werken zonder toestemming van hun man. Jenny kreeg juist zeggenschap over alles.

Je wilde dit boek eerst helemaal niet schrijven en toen toch.

‘Mensen vroegen erom sinds mijn boek over mijn vader: En nu je moeder!’ Raadselvader – Kind in de koude oorlog, heet dat boek over het opgroeien als kind van Berry Withuis, bekend lid van de Communistische Partij Nederland (CPN), journalist bij de communistische krant De Waarheid en later zelfstandig schaakjournalist.

Ook Jenny Withuis-Van Ringen werd lid van de CPN, ze leerde haar man kennen als redactiesecretaresse van De Waarheid. De toenmalige Nederlandse inlichtingendienst BVD volgde Berry jarenlang intensief en legde ook over Jenny een dossier aan, waaruit Withuis in beide boeken citeert. Mede uit voorzichtigheid bewaarde haar moeder niets. ‘Maar vooral omdat ze een enorme afkeer had van nostalgisch gedoe, van dingen bewaren uit sentiment.’

En jij dacht: wat heb ik nou over mijn moeder te vertellen?

‘Steeds zei ik nee, omdat ik nauwelijks materiaal over mijn moeder had. Dat veranderde door mijn boek over kunstenares Jeanne Bieruma Oosting, over wie ik met veel genoegen heb geschreven. En vooral door de lezingen die ik daarna over haar gaf.

‘Jeanne had het als kunstzinnige vrouw moeilijk in Nederland. Mensen vroegen me bij lezingen waarom haar wens een kunstopleiding te volgen zo’n probleem was: haar moeder was toch een rijke barones? Dan legde ik uit dat dit niet hielp, omdat haar moeder niets te zeggen had. De vader had het beheer over het geld en was de baas over de opvoeding. En dan bestond de ene helft van zo’n zaal uit dames van mijn leeftijd of ouder die zeiden: ‘Eindelijk iemand die erover vertelt, want ik ben ook nog ontslagen en mijn moeder had ook niks te zeggen.’

'En de andere helft van de zaal zat echt met open mond te luisteren: ‘Huh?’ En dan zei ik: ‘Ja, we weten nu alles van de slavernij, maar hoe kort geleden vrouwen hier nog in een volslagen rechteloze positie zaten, dat weten we niet.’ Daardoor dacht ik gaandeweg: het heeft misschien wel zin om over mijn moeder te schrijven.’

Als ze aan een boek werkt, maakt ze graag lange dagen, vaak ook in het weekend. ‘Het fijnste werk vind ik met een printje naar bed gaan als een hoofdstuk of paragraaf af is. En dan met een vulpen correcties aanbrengen. Daarmee kan ik dan de volgende dag meteen weer door.’

Je loopt nooit vast?

‘Als je al zoveel geschreven hebt, dan raak je daarvan niet zo snel meer in paniek. Dan weet je dat het erbij hoort. En de computer is een vooruitgang, dan schrijf ik gewoon eerst een ander stukje, dat ik er later wel weer instop.’

Dat haar moeder, toen zij na de oorlog in Meppel op kamers ging, graag Daphne du Mauriers populaire romance Rebecca las, bijvoorbeeld. ‘Op een gegeven moment zit je dan met een heleboel van die losse fragmenten waarvan je denkt: hier moet ik toch nog wat lijn in aanbrengen. Er moet altijd veel over, maar intussen heeft je denken zich wel ontwikkeld.’

Ze heeft een paar trouwe meelezers, zoals haar man, socioloog Tom de Ridder, en schrijver Annet Mooij, een goede vriendin. ‘Ik vind het belangrijk dat ik meelezers heb die zien waar ik uit de bocht vlieg, want dat kan mij wel overkomen.’ Rond haar moeder moest ze haar ‘neiging tot sarcasme’ soms wat beteugelen.

Dit boek leest ook wel als een exercitie in zelfbeheersing, van een dochter die niet langer boos wil blijven.

‘Ik had dit boek veertig jaar geleden niet kunnen schrijven, want toen was ik heel verwijtend en verknoopt in boosheid. Maar volgens mij heb ik geen boosheid onderdrukt. Dit boek moest gaan over mijn moeder.’

Jenny van Ringen-Withuis was al een moderne werkende moeder toen de meeste moeders van Nederland nog verplicht thuis bij hun kinderen zaten, zodat vaders hun handen vrij hadden om een gezinsinkomen te vergaren: het typisch Nederlandse ‘kostwinnersmodel’ met tot 1956 een arbeidsverbod voor ‘gehuwde ambtenaressen’.

Kerken, vakbonden, sociaaldemocraten en confessionele partijen betichtten werkende vrouwen van ‘egoïsme’. Maar Jenny werkte al sinds de oorlog en ook toen ze kinderen kreeg, werkte ze door. De Waarheid was aanvankelijk als communistische verzetskrant de grootste krant van Nederland. En zij een intelligente jonge vrouw die zich met veel doorzettingsvermogen uit een armoedige achtergrond van Drentse keuterboeren had opgewerkt. ‘Nooit bang’, ze deed al in de jaren dertig aan jiujitsu.

Maar toen De Waarheid in een paar jaar tijd tweederde van de abonnees verloor, schrijft Withuis, zetten ook de communisten ‘de door hen gepropageerde gelijkheid der seksen’ in de ijskast: omdat haar man al een salaris van de krant kreeg, moest Jenny voortaan maar onbetaald werken. Ze hield de eer aan zichzelf en diende haar ontslag in.

Intussen was het door de Koude Oorlog op steeds meer plaatsen verboden communisten in dienst te nemen. Dus ook een andere baan zat er niet in.

‘Ze kon geen kant uit. Wat ik me nooit heb gerealiseerd totdat ik alles voor dit boek chronologisch op een rijtje zette, is dat zij daardoor tussen 1950 en 1957 helemaal geen werkende moeder wás. Wat ze dus wél was in haar eigen zelfbeeld.’

Jenny was nu eenmaal iemand die tegenslag liefst negeerde en nooit bij de pakken neerzat, schrijft haar dochter. Jolande Withuis, zelf nota bene bekend als feminist, zag nu pas dat haar moeder intussen precies zo’n treurig huisvrouwenbestaan leidde als de vrouwen op wie in haar ouderlijk huis werd neergekeken. (‘Zij zag andere huisvrouwen echt als sufferds’).

Heb je nog getwijfeld over de harde titel Moeder, antimoeder?

‘Nee, die noemde ik twee jaar geleden al tijdens de lunch waar mijn uitgever me overhaalde het te schrijven.’

Wat bedoel je ermee?

‘Moeder, antimoeder slaat op het effect van de mierzoete moederschapscultus zoals die toen heerste en waartegen mijn moeder zich afzette. Mannen moesten de grote wereld in, de echte wereld, daar waar ze regeren en geld verdienen en nare dingen meemaken. En thuis waren moeders en kinderen allemaal lief voor elkaar. Nou ja, dat ís natuurlijk ook een buitengewoon vals beeld.

‘Mijn moeder deed daar niet aan mee. Toen ze met dementie in een verpleeghuis zat kon ze nog steeds kordaat de huiskamer uitlopen met de woorden: ‘Ik ga aan het werk.’ Alleen: omdat mijn moeder niet aan de moederschapscultus mee wilde doen, gooide ze daarmee ook zaken die wél bij moeders horen overboord.’

Zoals?

‘Affectie.’

Zelfs toen haar moeder in 2020 stervende was, schrijft Withuis, durfde ze haar niet aan te raken.

Jolande Withuis was al universiteitsdocent toen ze haar moeder in de jaren tachtig een keer toevallig in de verte zag oversteken in Amsterdam. Withuis, is te lezen in Moeder, antimoeder, stapte van haar fiets en greep snel naar haar ‘noodvoorraad valium’ voor dit soort confrontaties, die ze inmiddels altijd bij zich droeg tegen angstaanvallen.

Wat was de angst?

‘Ik was altijd bang dat ik bij mijn moeder te geëmotioneerd zou raken. En dat mijn hart het dan zou begeven en dat ik doodging. Ik was erg bang voor emoties.’ Nog steeds zal ze tijdens het gesprek blijven herhalen dat het ‘allemaal niet te psychologisch moet worden’.

Gevoelens waren voor communisten gevaarlijk, leerde zij van kinds af aan van haar ouders. ‘Veel van mijn leeftijdgenoten zijn niet geknuffeld, dat hoorde ook bij de flinkheidscultuur van de wederopbouw. Maar wat er voor communisten bijkwam, is dat zij zich tijdens de Koude Oorlog bedreigd voelden. Het was voor hen een voortzetting van de Tweede Wereldoorlog.

‘Álles hield verband met gevaar. Jij was net drie minuten te laat voor dit interview. In het CPN-milieu werd dan gezegd: door dit soort fouten kwamen in de oorlog kameraden om.’ Ze moest jaren in psychoanalyse om die angst te boven te komen, schrijft Withuis.

Voor communisten ging het ‘niet om de mens, maar om de mensheid’, zei haar vader vaak. Solidariteit was belangrijker dan liefde. Maar een even belangrijke reden waarom niet over gevoelens werd gesproken, was hoe haar vader na zijn betrokkenheid bij het Duitse verzet en het overleven van de geallieerde bombardementen in het Ruhrgebied uit de oorlog was gekomen. Met een oorlogstrauma, zou je nu zeggen.

Het gezin verhuisde tijdens een grote inzinking van haar vader tijdelijk van Amsterdam naar Zutphen, waar Jenny haar gereformeerde schoonfamilie op de kast joeg door in korte broek boodschappen te doen, en haar man erdoorheen hielp met een eigen methode: veel paardenbiefstukken en zwijgen. Daarna verhuisden ze terug naar Amsterdam, waar het zwijgen werd voortgezet, nu ook als opvoedstrategie rond dochter Jolande en zoontje Max.

‘Zoals mijn moeder meende mijn vader te hebben genezen van zijn nachtmerries door ze te negeren’, schrijft Withuis, ‘zo dacht ze mij te leren zwakheid te overwinnen door me niet te troosten. Maar dat emoties taboe zijn betekent natuurlijk niet dat ze er niet zijn.’

Jenny stond in de overlevingsstand, schrijf je.

‘Al haar deugden, zoals doorzettingsvermogen en wilskracht, veranderden een beetje in de harde variant met een taboe op gevoelens, toen het allemaal tegenzat en ze alles op alles moest zetten om het vol te houden. En ze wilde mij ook weerbaar maken. Maar je ziet dat als er zo’n angst is voor zwakheid en voor ten onder gaan, dat er dan dingen fout kunnen lopen.’

Toen Jolande in de eerste klas van het gymnasium zat liep ze krom, wat de schoolarts aan verlegenheid weet. Haar moeder liet haar op advies van een, achteraf gezien dubieuze, orthopeed een half jaar plat leggen in een ziekenhuis: vastgebonden, met zware gewichten aan haar nek en enkels. Rechtop lopen moest haar dochter, net als zij. Dit met levenslange rugpijn tot gevolg.

Haar vader bemoeide zich daar niet mee. Die zat in die tijd als schaakverslaggever op Curaçao. ‘Hoe ik me voelde, heeft ze nooit gevraagd’, schrijft Withuis. Zelf durfde ze er niet tegen haar moeder over te beginnen dat ze naar huis wilde. ‘En tegen mijn vader ook niet.’

Toch verwijt je dat half jaar ziekenhuis vooral je moeder. Maar je vader zat toen dus lekker op Curaçao.

‘Hij verdiende daar de kost voor ons. Maar hij had het ongetwijfeld een stuk prettiger dan zij. Dus ja, je gevoelsleven volgt niet altijd de ratio. Ik ben er erg voor dat soort gevoelens bij mezelf te corrigeren, gevoelens heb je en moet je erkennen, maar je hoeft ze niet heilig te verklaren. Niet zoals tegenwoordig vaak gebeurt. Boosheid komt soms in je op. Maar vervolgens kun je inderdaad ook denken: mijn gevoel is onrechtvaardig. Mijn vader zat gewoon op Curaçao en nu verwijt ik dit haar.’

Het regende in de jaren zeventig feministische boeken over moeders en moederschap, schrijft Withuis. Het complete spectrum kwam voorbij, van afkeer tot verheerlijking.

De moeders waren vaak ‘de loeders’, citeer je een toenmalige uitspraak.

‘In de toenmalige uitwisselingen over onze moeders stond ik met mijn mond vol tanden. Mijn moeder klopte niet. Ze paste niet in het schema. Omdat daarin de optie ontbrak van een geëmancipeerde, maar niettemin niet-perfecte moeder.’

Na het gesprek zal Withuis een verklarende passage mailen die ze uit het boek heeft geschrapt (‘Bij nader inzien vind ik het jammer dat het eruit is.’)

Die gaat over de Amerikaanse socioloog en psychoanalyticus Nancy Chodorow, die analyseerde op welke manier werkende vrouwen er lange tijd van werden beschuldigd een slechte moeder te zijn: werken zou slecht zijn voor de hechting van kinderen.

Je kreeg daardoor moeders die ter compensatie bijvoorbeeld parttime gingen werken. En je had geëmancipeerde vrouwen, zoals Withuis’ eigen moeder, die het belang van koestering en hechting wegwuifden, want dat waren argumenten bedoeld om vrouwen aan de ketting te leggen.

Chodorow erkende als een van de eersten dat kinderen die koestering wel degelijk nodig hebben én maakte deze behoefte tegelijkertijd los van de moeder. In andere woorden: hechting is belangrijk, maar de moeder is er niet alléén verantwoordelijk voor.

‘Terwijl de communisten dat hele kind ook met het badwater weggooiden: zolang die moeder maar de juiste politieke leer had en het kind politiek bewust opvoedde, was het goed. Het heeft me tijd gekost om het hele pakket uit elkaar te rafelen: kinderen hebben wel degelijk hechting nodig. Maar daarom hoef je nog niet te denken dat moeders niet mogen werken.

‘De mentale erfenis van het mannelijk kostwinnerschap is volgens mij de bron van het deeltijdwerk van vrouwen. Hoe meer deeltijdwerk, hoe meer werk voor en door vrouwen tot bijzaak wordt gemaakt. Ik heb geen kinderen, toen ik dat na alles aandurfde was het te laat. Maar ik vraag me dus heel erg af of ik zo intensief als ik nu doe had kunnen schrijven met een kind.’

Volgens je vader ging het om de mensheid, maar in de praktijk draaide alles om hem.

‘Ik ben geen rechtbank, die je schuld bepaalt en vaststelt: zoveel schuld bij hem en zoveel schuld bij haar. Dit is wat je als kind meemaakt. Maar het is natuurlijk ten diepste onrechtvaardig om de moeders de schuld te geven, terwijl de vaders lekker hun eigen leven leiden, ook nog weer gefaciliteerd door diezelfde moeder.’

Wat heeft dit boek voor jou gedaan?

‘Iets wat ik nooit eerder heb ervaren: vroeger had ik ontzag voor mijn moeder en later was ik boos, maar nu heb ik echt met haar te doen.’

Over welke moeders zou je nu zelf nog willen lezen?

‘Hedy d’Ancona komt bij mijn presentatie een column uitspreken. En zij zei toen we het daar even over hadden: ‘Ik had toch zo’n fantastische moeder!’ Toen dacht ik: ik hoop dat je daarover gaat vertellen. Ik vind Hedy namelijk een indrukwekkend iemand, dus dat maakt me echt nieuwsgierig. Want Hedy’s vader is in de oorlog vermoord, dus haar moeder stond er met een jong kind alleen voor.’

En dan denk jij: hoe heeft die moeder dat met Hedy zo goed geflikt?

Zacht: ‘Dat denk ik dan meteen, ja.’

Jolande Withuis: Moeder, antimoeder. De Bezige Bij; 224 pagina’s; € 22,99.

Wie is Jolande Withuis?

Jolande Withuis (1949) is socioloog en schrijver. In 1990 promoveerde zij op Opoffering en heroïek – De mentale wereld van een communistische vrouwenorganisatie in naoorlogs Nederland, 1946-1976. Onthullingen over verkrachtingen van gevangenen uit concentratiekamp Ravensbrück door soldaten van het Rode Leger, hun bevrijders, leidden tot verontwaardiging bij de toenmalige Communistische Partij Nederland, waar Withuis eerder zelf actief in was geweest.

Withuis was tussen 1999 en 2014 onderzoeker bij het Nederlands Instituut voor Oorlogs Documentatie (NIOD). Daarnaast was ze columnist voor onder meer het feministische maandblad Opzij.

Ze schreef onder meer de biografie van koningin Juliana, Raadselvader over haar vader en communistische jeugd, en de biografie Geen tijd te verliezen over kunstenaarJeanne Bieruma Oosting. In haar essaybundel Vrouw en vrijheid, over wat volgens haar de kern van feminisme is, noemt zij identiteitspolitiek ‘communisme in een modieus nieuw jasje’.

In 2022 werd Jolande Withuis benoemd tot erelid van de Nederlandse Sociologische Vereniging om haar betekenis voor de ‘publieke sociologie’.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Lees hier alle artikelen over dit thema

Source: Volkskrant

Previous

Next