Home

Van chaos naar diagnose: de reddingsboei van Thomas van Luyn

Vaak te laat, van alles kwijt, zijn hoofd er niet helemaal bij. De cabaretier en acteur zocht na vele jaren hulp en kwam thuis met een labeltje: ADHD. Is het een stoornis? En hoe bevalt dat?

Een diagnose, een rugzakje, een labeltje. Ik gun iedereen er eentje. Het verklaart veel onverklaarbaars. De domme acties waarvoor we onszelf voor de kop slaan, de stomme opmerkingen die we eruit flappen, de belangrijke zaken die we verwaarlozen en de onbenulligheden waarover we ons druk maken. Dan is het fijn om te horen: dat is niet jouw schuld, maar die van je stoornis.

Dat was precies de reden dat ik mijn diagnose aanvankelijk een beetje wantrouwde. Het kwam me nét te goed uit, die vrijbrief die ik kreeg voor mijn ongeduld, het slechte luisteren, het verwaarlozen van relaties, mijn complete hulpeloosheid rond alles wat met geld te maken had, het zonder cadeautjes op verjaardagen opdagen – áls ik al kwam opdagen – de smeerboel die ik van elk oppervlak wist te maken en altijd verzaakte schoon te maken, de fietsen die ik de hele tijd kwijtraakte... de lijst aan onwenselijke eigenaardigheden was eindeloos.

En ineens was dat allemaal niet meer mijn schuld? Dat ging recht tegen mijn diepgewortelde overtuiging in dat ik gewoon een beetje slecht was. Niet door en door slecht, daarvoor had ik te veel liefde gekregen van mijn ouders. Meer dat ik gewoon niet deugde.

Over de auteur
Thomas van Luyn is cabaretier, presentator en columnist voor Volkskrant Magazine.

Een negatief zelfbeeld wordt vaak gezien als een illusie waarvan je genezen dient te worden. Je kan toch ook heel veel dingen wél goed? Natuurlijk, maar dat deed de werkelijkheid geen recht, want wanneer ik achterom keek zag ik toch echt een slingerspoor van financiële rampen, verwaarloosde liefdes en sociaal ongemak. Steeds opnieuw dezelfde shit. Liever keek ik niet achterom.

Ik had wel theorieën over waarom ik zo was. Een traumaatje hier, een afwijzinkje daar, of misschien had ik gewoon weinig discipline. Of een gebrek aan goede manieren. Of volwassenheid. Of misschien was het iets in mijn sterrenbeeld, aardstralen of feng shui. Maar wat het ook was, de enige remedie was natuurlijk dat ik gewoon een harde schop onder mijn kont nodig had, die ik mezelf dan ook zo’n honderd keer per dag toediende. Zonder veel resultaat overigens, dus de vraag was vooral hoe ik harder en effectiever kon schoppen en hoe ik van die pijnlijke kont afkwam.

Alweer, alweer, alweer

Eens in de zoveel jaar kreeg ik een aanval van wanhoop. Dan voelde ik dat het zo niet langer kon. Dan deed ik een training, besloot ik gezonder te eten, ging ik in therapie, of ik trok gewoon de dekens over mijn hoofd en nam de telefoon niet meer op. Welke weg naar verlossing ik ook bewandelde, uiteindelijk vond ik mezelf altijd weer terug op een wc, bonzend met mijn kop tegen de muur om een bizar ongepaste opmerking die ik net gemaakt had, of een bankrekening die ineens leeg bleek. Alweer, alweer, alweer.
Dat ik niet verzoop was dankzij twee reddingsboeien. Ten eerste het plezier dat ik kon hebben in strips, televisie, boeken, muziek – eigenlijk al die dingen die er niet onder leden als ik er even geen aandacht aan besteedde (in tegenstelling tot bijvoorbeeld werk of mensen).
De andere was de stellige, doch volkomen ongefundeerde overtuiging dat het ooit wel goed met me zou komen. Gewoon even uitzitten. En er maar even niet aan denken dat deze fase al sinds de middelbare school duurde. Misschien gewoon even lief zijn voor mezelf. Of nee, extra streng. Of nee, meer fruit eten. Als ik nou gewoon vaker op tijd naar bed zou gaan...

Tot de dag dat ik een keer met m’n vrouw in de auto zat, en ik een paniekaanval kreeg over hoe onmogelijk ik het haar en mezelf maakte soms, en wat een onverbeterlijke eikel ik was op ontelbaar veel vlakken. Ik was ineens helemaal de weg kwijt, letterlijk, en we boften dat ik nog net de auto aan de kant kon zetten. Er volgde een moeilijk gesprek, omdat ik geen idee had wat me bezielde. En ineens hoorde ik mezelf zeggen: ‘Eigenlijk vind ik het leven niet zo leuk.’

Dat was de eerste keer dat iemand iets steekhoudends over mijn situatie zei, en ik was het nog zelf ook. Al heel lang wist ik wel dat ik voor iets uit rende, maar ik wist niet goed wat het was. En dat die onrust het leeuwendeel van mijn tijd op aarde opvrat, dat ik daaronder leed, dat was ik langzaam gaan onderkennen.

Een depressie was het ook weer niet. Dagelijks piepten er te veel fijne momenten tussen de wolken door om mezelf depressief te noemen. Maar wanneer ik mijn levenskwaliteit afmat aan de uren die in elke dag zaten, moest ik toegeven dat ik de meeste tijd zat te wachten tot het beter ging.

Voor het eerst kon ik met een goed geformuleerde klacht naar een psycholoog. En met het voornemen me dit keer niet te laten oplappen, maar om eens een keer echt te achterhalen wat er zo aan me zat te knagen, al die tijd.

Laaghangend fruit

De intake met de therapeute vond plaats via Zoom – het waren de nadagen van covid – en de verbinding was natuurlijk weer gehannes. Het lukte haar niet om beeld en geluid meteen goed te krijgen, en ik raakte geïrriteerd want geduld is zeg maar niet echt mijn ding. Het ging per slot van rekening allemaal van mijn kostbare tijd af; ik had haast met die genezing van me.

Toen de verbinding eindelijk stabiel werkte, stak ik meteen van wal. Ik vertelde dat ik de kwantitatieve hoeveelheid lijden in mijn leven niet acceptabel vond. Waarbij ik meteen een verlanglijstje indiende met vaardigheden die zij mij moest zien bij te brengen om dat op te lossen. Bovenaan prijkten de zelfdiscipline om harder te kunnen werken, en het vermogen om op tijd naar bed te gaan; in mijn eigen analyse waren dat de twee voornaamste pijnpunten, het laaghangende fruit dat mijn leven significant zou verbeteren.

Al na een paar minuten onderbrak ze mijn tirade, om te vragen of iemand al eens had geopperd dat ik ADHD had. Wat een rare opmerking, waarom zei ze dat ineens? Nou, legde ze geduldig uit, er was een aantal aanwijzingen voor ADHD waar psychologen tegenwoordig op letten, en die had ze bijna allemaal langs zien komen.

O? Welke dan?

Welnu, dat ik ratelde, dat ik de hele tijd zijwegen insloeg, de draad kwijtraakte, dat ik vaak om onduidelijke redenen uit beeld verdween, dat ik constant frunnikte met papiertjes, dat ik regelmatig dingen op mijn bureau herschikte, dat ik overal naar keek behalve naar haar, en dat ik veel trommelde en wiebelde, en zo meer.

O ja, dat.

Een mens maakt niet zoveel momenten mee waarop hij kan terugkijken en zeggen: ‘...En dat veranderde alles.’ Maar dit was er eentje. Gewoon die stomme vier letters plakken op hoe ik nou eenmaal ben. Een paar maanden later, toen de diagnose officieel was en ik vrienden en familie inlichtte, was dat ook de meest voorkomende reactie: ‘Klopt, zo ben je.’ Niemand was erg verrast, geloof ik, maar ik voelde wel dat de één blij voor me was dat ik nu een houvast had, en de ander het overdreven vond om daar nou een stoornis op te plakken.

Vooral voor dat laatste was ik natuurlijk heel gevoelig, omdat veel van wat mij moeite kost, dingen zijn die de meeste mensen soms ook lastig vinden. Iedereen vindt het weleens moeilijk om te luisteren, iedereen vergeet soms zijn sleutels, niemand doet graag saaie klusjes. Dat is de grootste instinker bij ADHD: als een ander het óók moeilijk vindt, maar het wél kan opbrengen, is het dan niet toch gewoon een kwestie van wilskracht?

En in mijn hoofd kletsten mijn demonen met de stemmen van mijn vrienden en familie: ‘O, daar heb je Thomas weer, die komt elk jaar met een nieuwe bevlieging. Weet je nog dat hij niet kon ophouden over tai chi? Nu is hij helemaal into ADHD.’

De ironie daarvan is, dat vluchtige obsessies en plotse hobby’s een veelvoorkomend symptoom van ADHD zijn. Maar leg dat maar eens uit aan die demonen.

Iets met druk doen, toch?

Gek genoeg vroegen weinig mensen wat het precies was, ADHD. Blijkbaar dachten ze dat wel te weten. Dat neem ik niemand kwalijk, want ik had ook een vaag idee. Iets met druk doen, toch? Blijkbaar was een stempel op het formulier genoeg, niemand hoefde alle kleine lettertjes te lezen. En eerlijk gezegd kwam dat me wel goed uit, want het bleef moeilijk het uit te leggen, met name de binnenwereld ervan. Vandaar ook dat ik er een theatervoorstelling over heb gemaakt. Kunst is immers wat je maakt als je iets wilt overbrengen waar woorden tekortschieten.

De psycholoog was zeker van haar zaak, en ook de uitslag van de test was duidelijk. Maar bij mij zonk het pas in toen ik erover ging lezen. Driven to Distraction, heette het eerste boek dat ik opensloeg. Een prima boek, alleen kon ik er bijna geen zin van lezen door alle tranen heen. Want het was nogal wat. Daar stond mijn verhaal zeg. Strumming my pain with his fingers, singing my life with his words.

Ik dacht echt dat ik de enige was, maar de ene ADHD’er na de andere had het over dezelfde wanhoop, dezelfde verlammende schaamte, dezelfde eenzaamheid. Want dat is het met dat lelijke eendje; dat is eenzaam omdat-ie denkt dat-ie een slechte eend is. En nu bleek er verdorie een hele kolonie te bestaan van beesten die hetzelfde waren als ik. Geen zwanen helaas, eerder neurotische, ongerichte bibbervogels, maar toch. En God, wat had ik graag eerder geweten dat het een ding was, ADHD, en niet een eufemisme voor lul de behanger.

Vooral de wetenschappelijke kant gaf me troost, want daar ligt het bewijs dat ik onder de neus kan wrijven van mijn demonen die natuurlijk niet een-twee-drie stopten met schamperen. Nee, demonen, het is echt een ding, kijk maar: mensen met ADHD en ADD hebben een kleinere hoeveelheid van bepaalde neurotransmitters, met name dopamine en noradrenaline. Daardoor kunnen ze slechter prikkels filteren, met als gevolg dat ze die moeilijk op prioriteit kunnen rangschikken.

Afwezig en dromerig

Dat zijn een hoop dure woorden bij elkaar; een betere formulering die ik las, is dat ADHD’ers slecht kunnen kiezen waar hun aandacht naartoe gaat. En zo voelt het precies: ik voel me onmachtig te kiezen waar mijn hoofd zit. In plaats van mijn aandacht te houden bij de persoon die tegenover me zit, of bij het werk dat voor me ligt, probeer ik te luisteren naar welke muziek uit een auto klinkt, ergens buiten. Of ik probeer me te herinneren waaraan de vreemde kleur licht hier aan tafel me doet denken. Soms zijn het dingen die uitsluitend in mijn hoofd gebeuren: scenario’s, fantasieën, associaties. De woorden ‘afwezig’ en ‘dromerig’ zijn op de lippen bestorven van iedereen die me kent. En ‘druk’, ja, vanwege de H van Hyperactive. Maar daar had ík geen last van. Mijn probleem was de A van Attention.

In sociale situaties is dat super onhandig, want daardoor kan ik soms onder het minimumniveau van beleefde aandacht zakken, en dat vinden mensen niet fijn. Gelukkig ben ik erg snel in het gokken waar een gesprek over gaat, zodat ik mijn reet aardig kan redden, maar daardoor voelde ik me wel altijd alsof ik een geheim had, als een spion die moet doen alsof hij erbij hoort. Dat geheim, en de eenzaamheid die dat met zich meebrengt, is iets wat ontzettend veel ADHD’ers blijken te delen (en oeps, daar komen de tranen weer).

Tegenwoordig zeg ik: ‘Sorry, ik was even weg.’ Het is verbluffend hoe makkelijk mensen er dan overheen stappen. En hoe makkelijk ik daarna die aandacht wél kan schenken, omdat ik niet daarnaast ook nog eens stiekem bezig ben het gesprek van de afgelopen halve minuut te reconstrueren.

Die ongerichte aandacht heeft natuurlijk gevolgen voor mijn werk. Schrijven voor dit magazine is een pijnlijk voorbeeld daarvan. Er werken daar redacteuren die kunnen beamen dat Van Luyn wel erg vaak het randje opzoekt van de uiterste deadline, tot het punt dat het geen zin meer heeft iets in te leveren, omdat de persen al opwarmen.

Dat ik bijvoorbeeld even alleen maar kan denken aan bepaalde gitaarakkoorden, is geen excuus waarmee ik voor de dag kan komen. Toch is het dan echt vreselijk, vreselijk moeilijk om niet elke 20 seconden naar de gitaar te grijpen en die akkoorden te spelen. Dat is die aandacht, die dus niet ligt waar ik ’m wel zou willen hebben, maar is gegijzeld door iets onbelangrijks. Althans, iets dat onbelangrijk lijkt, maar geloof me, op zo’n moment is er niks dringender in de wereld dan om die snaren tegen mijn vingertoppen te voelen. Een toeschouwer zou me zien wiebelen, opstaan, weer gaan zitten, gitaar pakken en meteen weer weg leggen, enzovoorts. Als een totale debiel. Thomas, doe eens rustig, wat is er?

‘Normale’ mensen

Tegenwoordig zeg ik: dat doet de ADHD, niet ik. Die interpretatie is aanvechtbaar, maar voelt beter dan mezelf de hele dag toe te blaffen dat ik een slappe luie zak ben en ga nou eens godverdomme aan het werk zoals een normaal persoon.

Ook heel typisch voor deze situatie is dat ik nu ineens – hand op mijn hart – vier deadlines tegelijk heb. Neurotypische (de politiek correcte term voor ‘normale’) mensen zouden die werklast waarschijnlijk beter hebben gespreid, iets wat mij nog nooit is gelukt. De aandacht voor dit stuk is er pas vandaag, op dezelfde dag dat er toevallig nóg drie rode lampen knipperen van deadlines waarvoor ik de afgelopen weken geen aandacht kon opbrengen. Onfortuinlijk, maar voor de meeste ADHD’ers zeer bekend terrein.

En het stomme is: inmiddels weet ik ook, dat het me uiteindelijk lukt. Als ik eenmaal ga, ga ik hard. Zo ook met dit artikel. Ik ga nu keihard. Niet dankzij enige discipline mijnerzijds, maar omdat de aanvankelijke deadline een week geleden was. Na enig soebatten werd die naar eergisteren verzet, dus ik zit echt diep in de blessuretijd. En hop: nu kan ik werken. Dankzij het reële gevaar dat ik straks niks heb, en iedereen boos op me is. Dat soort gevaren zijn een enorme motivator in mijn leven, omdat ze zo goed zijn in het opeisen van aandacht. Positieve faalangst, heet dat. Maar zo positief voelt het niet.

Dus weet ik nu dat ik ADHD heb. Of ben? Want het is niet zoals met een wrat: kijk daar zit-ie. Ook al komt die wrat voort uit je eigen lichaam, je weet dat-ie er niet bij hoort. Kom, we halen ’m weg: geen wrat meer. Maar wat er in je hoofd gebeurt, dat bén je. Dat lijkt heel filosofisch, maar zo voelt het. Hoe kan datgene wat je bent, nou een stoornis zijn?

Ik heb daar lang op gepuzzeld, maar het antwoord is eigenlijk simpel. Ik wil een bepaalde verhouding met de buitenwereld, lekker kunnen meedraaien, zogezegd. Daarom koos ik uiteindelijk wél voor soms een pilletje. Microdosing speed, dat is wat ik doe. Het helpt een beetje: precies genoeg eigenlijk. Meer moet je ook niet willen, want dan zou het raar worden.

‘Wie is die vent met het concentratievermogen van een schaakgrootmeester en het humeur van de Dalai Lama?’

‘Ja, dat was vroeger Thomas, maar die heeft nu een pilletje.’

Dat er mensen zijn die geen medicijnen willen, snap ik heel goed. Er zijn belangrijker stappen te nemen. Bijvoorbeeld jezelf aan anderen uitleggen, zodat je niet meer hoeft te doen alsof je normaal bent, of je werk een beetje meer naar je hand zetten. Zo had ik bijvoorbeeld écht moeten zeggen: ‘Een stuk van drieduizend woorden? Haha, nee, dat krijg ik nooit op tijd af. Maar zal ik er niet anders úren over kletsen, zullen we dat niet doen? Want dat kan deze ADHD’er dan weer heel goed.’

Enorme kwak vergiffenis

Uiteindelijk is de uitkomst dat ik weet wie ik ben, wat ik kan, en hoe ik dat het beste kan implementeren. Met als extra saus een enorme kwak vergiffenis, voor alles wat ik mezelf zo vreselijk lang kwalijk heb genomen. Dat gezegd hebbende: op latere leeftijd gediagnosticeerd worden, brengt wel één voordeel met zich mee. Ik weet zeker dat ik alles, maar dan ook alles heb geprobeerd om mijn gekte te snappen en te genezen. En het enige dat al mijn sores dekt en beschrijft, is ADHD. Die zekerheid, die pakt niemand me meer af.

Althans...

Soms fluisteren de demonen nog. Mag dit wel? Mag ik wel de smoes van een stoornis hebben? Precies die vraag kreeg ik, toen ik een praatje hield op een studentenvereniging. Het thema van de avond was ‘geluk’, maar toen ik liet vallen dat ik ADHD had, stak een student zijn hand op. ‘Mag je ADHD gebruiken als excuus?’, vroeg hij. Voor de rest van het publiek een vreemde vraag misschien, maar ik wist precies wat hij bedoelde. Een pasklaar antwoord had ik niet. Ik deelde zo goed en kwaad als het ging mijn ervaring.

Meteen gingen er nog tien handen omhoog.

Volgens mij wilden ze dit stuk vanwege mijn theatershow, dus die wil ik dan nog wel even noemen: Thomas van Luyns De grote ADHD Experivaganza, de hele maand november, elke dag ergens: zo di ma wo do vrij za zo ma di wo enz. En na die maand is het weer klaar.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Lees hier alle artikelen over dit thema

Source: Volkskrant

Previous

Next