Ianthe Sahadat verslond als kind van de historische romans van Thea Beckman (1923-2004), over wie nu een biografie is verschenen. Ze herlas Beckmans werk, door recensenten vaak oubollig genoemd, met nog meer plezier.
is redacteur van de Volkskrant, met bijzondere aandacht voor de koloniale geschiedenis.
‘Het zal hier toch niet zo zijn dat de vrouwen het voor het zeggen hebben?’ vraagt een verbijsterde man in het kinderboek Kinderen van Moeder Aarde van Thea Beckman uit 1985. ‘Dat kan ik me nauwelijks voorstellen’, reageert zijn expeditiegenoot.
De mannen – een officier en een geleerde uit het Badense Rijk, een vervuilende, koloniale dictatuur in voormalig Europa – hebben zojuist voet aan wal gezet in Thule, ooit Groenland geheten. Zeshonderd jaar na de Grote Ramp die de aardbol deed kantelen, heerst daar een nieuw en weldadig klimaat. En inderdaad: vrouwen besturen het land in het boek dat met Het Helse Paradijs (1987) en Het Gulden Vlies van Thule (1989) een trilogie vormt, gesitueerd in de toekomst.
In Thule leven mensen in harmonie met dieren en natuur. Bezit wordt gedeeld, gevangenissen en geweld bestaan niet, industrie is uitgebannen en plezier gaat boven geld of status. Welk kind zou niet smelten voor zo’n utopie? Bij mij als 13-jarige ging Beckmans post-apocalyptische, feministische epos erin als koek.
Deze maand verscheen Geef me de ruimte, de lezenswaardige biografie van Thea Beckman, door journalist en schrijver Vivian de Gier. De titel verwijst uiteraard naar een van Beckmans beroemde historische jeugdromans, maar ook naar datgene wat de schrijfster zichzelf, haar personages én lezers gunde: de vrijheid om eigen keuzen te maken, ongeacht sekse of komaf. Thea Beckman overleed in 2004.
‘Ik ben schrijfster, dat heb je maar te accepteren’, zei de in 1923 te Rotterdam geboren Theodora ‘Dora’ Petie (‘geen achternaam voor een vrouw van 1 meter 50’, grapte ze later) tegen haar grote liefde Dick. En zo geschiedde. Dertig jeugdboeken schreef ze, die in veertien talen zijn vertaald. Ruim 2 miljoen verkochte exemplaren en nog steeds gaan er jaarlijks duizenden over toonbank en bibliotheekbalie.
En dat terwijl literair recensenten de schrijfster regelmatig verweten oubollig, stug en weinig gelaagd proza te schrijven. Vlak en clichématig (Kees Fens), escapistische triviaalliteratuur (ene A.P. Braakhuis), mopperden ze. Schrijfster en lezers trokken zich er weinig van aan.
Ik was een van die lezers. De glansrollen die Beckman meisjes toebedeelde, maakten dat ik haar boeken verkoos boven die van schrijvers als Evert Hartman of Jan Terlouw. Stoer, vrij en wild waren haar personages, koppig en eigengereid. Ze kwamen in opstand tegen onrecht, durfden zichzelf te zijn. En ze hadden ook niet allemaal goudblond haar, zoals in veel andere kinderboeken.
Hoe zou het zijn om zoveel jaar later een van die boeken te herlezen? Meteen dacht ik aan de door recensenten verguisde Thule-trilogie. ‘Niet haar beste volgens mij?’, appte ik een vriendin. ‘Jawél’, reageerde ze meteen, ‘die reeks heeft me enorm gevormd.’ Daarna: ‘Maar ik ben dan ook een onuitstaanbare activist.’
‘Vrouwen meer karikatuur dan mens’, schreef de Volkskrant destijds. ‘Verhaal gaat onder in boodschap’, aldus NRC. Whatever, denkt mijn innerlijke 13-jarige. Ik waag het erop.
Wat ik mij herinner van lezen als kind: mateloosheid. Vaak en lang lezen. Op elke denkbare plek. Stiekem ’s nachts. Verdwijnen in boeken. De Delftse jeugdbieb ‘uit’ lezen. Personages als vrienden. Wat er gebeurde, gebeurde echt. Het gevoel van transporteren, het wonen in en telkens willen terugkeren naar een verhaal. O, en niet onbelangrijk: er moest wel iemand verliefd zijn.
Niemand wil een jeugdheld postuum afvallen, dus lucht het op dat de herlezing van Kinderen van Moeder Aarde niet tegenvalt. Sterker nog, misschien geniet ik wel meer. Beckman schrijft aangenaam scherp over feministische thema’s die de 21ste eeuw (spijtig genoeg) onaangetast hebben bereikt. Van ‘mansplaining’ tot ‘grensoverschrijdend gedrag’.
Neem de ‘hooggeleerde’ Badense professor, die te gast bij de Vrouwenraad die Thule bestuurt, anderhalf uur (‘hij zat er lekker in’) college houdt. Over zaken die de vrouwen allang weten. Dat er geen applaus volgt, verwart hem. Tot hij opgelucht concludeert: aan hem heeft het niet gelegen, de materie was natuurlijk te complex voor de dames.
Dan zijn er de matrozen van het Badense oorlogsschip. Die willen een verzetje, zegt de kapitein, ze zijn al zo lang op zee, zijn er dan geen fatsoenlijke bordelen in deze stad? Aan wal eisen de mannen vertier door lukraak vrouwen lastig te vallen. Dat die reageren met een schot van een verdovingspistool, maakt de mannen woest. Wat een preutse, verwaande wijven, reageren ze gekrenkt. Haaibaaien, rotmeiden, brutale krengen.
Vrouwen die het ergens mee oneens zijn, zijn ‘redeloos, zoals je van vrouwen kan verwachten’. Thuleense vrouwen zijn niet onder de indruk van machtsvertoon, agressie of dreigementen, reageren verveeld op monologen over ‘economische groei’ of ‘staatsmanschap’ en zijn niet gediend van opdringerige avances, ook niet van iemand met een knappe kaaklijn. ‘Die wijven snappen er niets van’, grommen de Badeners, die alleen maar bozer worden. ‘Dit land schreeuwt erom gekoloniseerd te worden. Wij hebben het ontdekt, dus het is van ons.’
Nee, subtiel is het niet. Al dienen grijstinten en complexere, bespiegelende personages zich ook aan. Dat vrouwen ‘van nature’ beter omgaan met macht is allicht bedenkelijk. Maar toch: ik geniet. Het verhaal is onverminderd spannend. Beckman kan vertellen. Het helpt dat ik de listen was vergeten waarmee Thulenen de Badense (lees: westerse) superioriteitslogica en hun ‘oorlogsrecht’ te slim af zijn.
Veel elementen voelen pijnlijk actueel. En ik snap waarom ik het indertijd graag las. Haarfijn voelde Beckman de diepste verontwaardiging van elk kind aan: over hypocriete volwassenen die zogenaamd alles beter weten, maar er ondertussen een puinhoop van maken. En wie zit daarmee vervolgens opgescheept? Juist. Het is het soort kinderwoede waarop het Jeugdjournaal drijft.
Beckman bood in haar toekomstschets iets waarvan je als volwassene misschien beseft dat het niet per se terecht is, maar waaraan je nog steeds behoefte kunt hebben: hoop. Op een aangenamere wereld. Want wij gingen het – naïef als je was en gelukkig maar, misschien – beter doen. Alle kinderen samen tegen het onrecht in de wereld (armoede, oorlog, honger, Tsjernobyl, racisme, dierenleed, zure regen, om maar wat thema’s uit mijn jeugd te noemen). Zoiets.
Dat Beckman een vrouw was, was extra leuk. Zo vanzelfsprekend voelde een schrijvende vrouw blijkbaar niet. Het boek bood net genoeg nuances en morele dilemma’s (niet dat ik die termen destijds kende, maar een kind is niet gek) om een en ander geloofwaardig genoeg te houden. Er was een stoer meisje, Thura. Een beetje een bijfiguur, maar toch: identificatie. En hoewel het voortbestaan van de mooiste plek op aarde op het spel stond, was er gelukkig ook een verhaallijn over een ontluikende amourette. Al herinner ik me vagelijk dat ik die wat magertjes vond.
In de biografie van De Gier lees ik over Beckman toen ze nog Dora heette. Enig kind in een arbeidersgezin. Las graag. Geen ‘meisjesboeken’, want daarin gebeurde nooit een avontuur. Speelde het liefst alleen. Schrijfster zou ze worden. Al had ze weinig te ‘willen’. Van de naaischool gestuurd, wegens ‘te grote eigenzinnigheid’. Naar de mulo, werken op kantoor. Toen een man, drie kinderen en Dora, voortaan Thea, begon te publiceren.
Columns (waarin ze graag feministisch foeterde), misdaadverhalen, nieuwsartikelen, het ging alle kanten op. In 1957 een romandebuut, pas in 1973 haar grote doorbraak, Kruistocht in spijkerbroek, nog altijd haar populairste boek. Ze zat kortstondig bij Dolle Mina, maar had het uiteindelijk te druk met schrijven. Bleef altijd een einzelgänger, met haar ‘dubbele baan’ als schrijfster en moeder/huisvrouw.
Het huishouden vond ze ‘stomvervelend’, maar haar kinderen gingen áltijd voor. Zodra die het huis verlieten werd ze duizelingwekkend productief. Op latere leeftijd atheneum, met 52 jaar naar de universiteit. Sociale psychologie. Afstuderen op het ‘meisjesboek’: student Beckman brak een lans voor schrijfster Beckman en vrouwelijke hoofdpersonen die zichzelf niet wegcijferen of laten temmen.
Het is onmogelijk om de Thule-reeks niet in het licht te zien van haar bedenker, geboren in een maatschappij die meisjes tot een huishouden en moederschap veroordeelde. In 1965 publiceerde Beckman een satirisch stuk in De Groene Amsterdammer dat leest als voorschot op haar trilogie. Een man meldt zich bij de Burgerlijke Stand. ‘Kunt u al timmeren?’, vraagt de beambte. ‘U kent de wet. Elke gehuwde man wordt automatisch timmerman. Andere bezigheden kunnen slechts als hobby worden uitgevoerd. (...) Onze maatschappij steunt op de knutsellust van de man. Mannen vinden het heerlijk iets met de handen te maken. Miljoenen mannen vinden er hun levensvervulling in.’
De invloed van Beckmans werk was meer sociaal-maatschappelijk dan literair van aard, schrijft De Gier. De boeken die de fervent rokende feministe in haar doorzonwoning te Bunnik bij elkaar typte op een oude Olympia, hebben generaties kinderen geholpen bij het vormen van een maatschappelijk bewustzijn – zegt schrijfster en recensent jeugdliteratuur Aukelien Weverling in de biografie. ‘Het zijn boeken die je hele leven als een kaft om je heen blijven zitten’.
Beckman toonde kinderen een wereld waarin hoe je bent geboren ondergeschikt is aan hoe je je gedraagt. Had ze later geleefd, had ze vast ook oog gehad voor andere ongelijkheid veroorzakende factoren als huidskleur of geaardheid. Ze geloofde in lef, eerlijkheid en waarachtigheid. Dat kun je afdoen als braaf, irreëel of moralistisch, in die zin was Beckmans een echte jarenzeventig-auteur, maar is het niet precies de boodschap die je elk kind toewenst?
Vivian de Gier: Geef me de ruimte – Het eigenzinnige leven van Thea Beckman. Balans; 448 pagina’s; € 29,99.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant