Toen Ian Smeyers, ‘geboren als white trash’, op zijn 17de zijn eigen glazenwasserij begon, ging het hem gewoon om geld verdienen. Want dat, wist hij, betekent: erbij horen. Inmiddels heeft hij vijfhonderd mensen opgeleid en aan werk geholpen.
schrijft voor de Volkskrant over zingeving.
‘Ik ben dicht bij wat ik belangrijk vind gebleven: geld verdienen. Gewoon durven vragen: wat schuift het? Maar ik heb ook mijn idealen. Jongeren die met 3-0 achterstaan, wil ik aan werk helpen. Net als statushouders, alleenstaande moeders, ex-criminelen, noem maar op, iedereen met een afstand tot de arbeidsmarkt. Ik vind het belangrijk dat iedereen meedoet. Te veel mensen hebben het gevoel dat ze er niet bij horen.’
Afkomstig uit een Haagse glazenwassersfamilie en opgegroeid in de Schilderswijk begint Ian Smeyers in 1994, dan 17, met zijn eigen bedrijf: ‘Ik kon met een lening mijn eerste eigen wijk kopen.’ Veertien jaar later kiest hij voor sociaal ondernemerschap. Met zijn Stichting Nelis biedt hij leerwerktrajecten aan aan jongeren die zich ‘aan de randen van de maatschappij’ bevinden.
Over deze serie
In Het Ideaal interviewt Fokke Obbema mensen die hun leven aan een ideaal wijden.
Ze hebben een strafblad, schulden, een verslaving of ‘een vader die de hele dag met een halve liter op de bank zit, of een dealer die ze verleidt met ‘je kunt wel wat bijverdienen’. Smeyers probeert ze op het rechte pad te houden of te krijgen door ze op te leiden tot glazenwasser, schoonmaker of klusser: ‘Maar dat moeten ze wel zelf willen, anders wordt het niks.’
Zijn opa Nelis, eveneens glazenwasser, is hem voorgegaan. Ook die nam al ‘Haagse straatschoffies’ in dienst – hij legde, in de woorden van zijn kleinzoon, ‘een arm om hun schouder, maar hij gaf ze ook een schop onder hun kont’.
Een sociaal ondernemer-avant-la-lettre? ‘Nou, mijn opa kon keihard zijn. Een dictator, vonden sommigen, een soort Archie Bunker. Maar voor mij was hij een held. Daarom heb ik mijn bedrijf ook naar hem vernoemd.’
Nelis Company, het glazenwassers- en schoonmaakbedrijf, verkocht hij in 2023 aan het familiebedrijf Facilicom, met ruim 22 duizend man personeel een van de grootste werkgevers van Nederland. Hij werd hun adviseur op het vlak van ‘sociale impact’.
Daarnaast houdt hij zich bezig met de leerwerktrajecten van de Stichting Nelis, waarmee hij ruim vijfhonderd mensen heeft opgeleid en aan werk heeft geholpen. ‘Niet gek voor iemand die voorbestemd leek om te mislukken’, zegt de inmiddels 47-jarige Smeyers.
Als 5-jarige verhuist hij van Antwerpen naar Den Haag. Voor zijn ‘hippiemoeder’ is dat een vlucht voor haar gewelddadige man met de bijnaam ‘Ronnie Lawaai’ – een even charmante als onbetrouwbare telg uit een rijke Antwerpse textielfamilie, die gebukt gaat onder zijn drugsverslaving.
Ian zag zich vervolgens voor de opgave gesteld, ‘als wit jochie met een Belgisch accent’, zich te redden in de Schilderswijk. Zijn vader ziet hij alleen nog sporadisch tot aan diens dood, wanneer Ian 21 jaar is.
Wat heeft uw jeugd u geleerd?
‘De kwetsbaarheid van het leven. Door tekortkomingen op alle fronten. In de wijk, met al zijn verslaafden, Antilliaanse bendes, steekpartijen, hoeren, pooiers, noem maar op. Maar ook in ons gezin. Met mijn moeder die het allemaal alleen moest doen. Ze probeerde met haar naai-ateliertje een inkomen voor ons te verdienen.
‘Mijn vader die door zijn verslaving dingen deed die niet goed te praten zijn. Mijn broertje, die ook verslaafd raakte. Maar aan de andere kant ben ik ook het mooie gaan zien, de lichtpuntjes in een donkere wereld. Ik heb ervaren dat je als kind ook weerbaar bent.
‘Nu zit ik zelf in het perspectief van de ouder en begrijp ik pas hoe heftig het is wat ik allemaal heb meegemaakt. Maar als kind was het voor mij een realiteit die ik accepteerde. Dat geeft veel kracht, het maakt je flexibel en veerkrachtig. Alleen maar worden gepamperd en luxe om je heen maakt iemand niet tot een beter mens. Verder heb ik door mijn jeugd geleerd dat je door tegenslagen een hele grote drive kunt ontwikkelen.’
Voelde u zichzelf ook kwetsbaar?
‘Ja, ik ben erg ongelukkig geweest. Op school had ik het gevoel dat ik er niet bij hoorde. De ouders van de bevoorrechte kinderen met wie ik in de klas zat, wilden niet dat zij met mij speelden. Want ik stond voor de zelfkant van de maatschappij, waar zij niks mee te maken wilden hebben. Voor hen hoorde ik er niet bij.
‘Dat gevoel kreeg ik ook telkens wanneer iedereen op vakantie ging. Mijn moeder had daar geen geld voor. Daarom ook ben ik al op mijn 10de gaan werken. Dat gevoel dat ik anders ben, heb ik trouwens nog steeds, of ik nou in de boardroom ben of in de koffietent met glazenwassers.’
Hoe hield u het vol in die jaren?
‘Ik moest het hebben van verhalen vertellen en grappen maken. Daarin zat mijn kracht. Maar in het begin had ik veel last van mijn Belgische accent. Liep ik een pleintje op en zei ik: allee, laten we een balletje shotten. Werd ik in elkaar gebeukt.
‘Ik leerde dat ik moest oppassen voor oogcontact met Marokkaanse jongens. Die zochten dat op, liepen tegen je op. Moest ik met ze op de vuist. In de Schilderswijk was je in de jaren tachtig als wit, Hollands jongetje het slachtoffer van reversed discrimination. De overheid had niet in de gaten dat ze een wijk hadden gecreëerd waar niet-westerse immigranten dominant waren en bendes tegen elkaar vochten.
‘De witte jongetjes werden overspoeld. Uiteindelijk ben ik terug gaan vechten. Met steun van jongens uit de buurt – Afrikanen, Turken, Marokkanen, noem maar op. Op een gegeven ben je hun familie op straat. Dan zeggen ze: die hoort bij ons. Je krijgt streetcredibility.’
Hoe verwierf u die?
‘Wat hielp was dat ik er ook voor hen was. Ze noemden me ‘de advocaat’, omdat ik ze kon helpen met documenten. Of met het schrijven van gedichtjes voor meisjes op wie ze verliefd waren. Ik ontdekte mijn talent voor taal, verhalen lopen door me heen.
‘Ik had ook steun aan mannen als Japie en Gijs, die bij mijn opa werkten. Die konden soms ook bijspringen. Dan was het niet meer drie tegen één, maar drie tegen drie. Jaap heeft later vastgezeten voor moord. In de jaren daarvoor had mijn opa hem op het goede pad gehouden. Na zijn tijd in de gevangenis ben ik hem gaan helpen, hij is een bedrijfje in tweedehandsspullen begonnen.’
Wanneer bent u anderen gaan helpen?
‘Toen ik als 17-jarige glazenwasser begon, ging het me vooral om gewoon geld verdienen. Voor mij was dat een manier om erkenning te krijgen, erbij te horen - ik was in die tijd een redelijk snelle jongen. In 2004 kwam ik op het idee van de stichting Nelis, om jongeren leerwerktrajecten aan te bieden.
‘Ik zou overdrijven als ik zou zeggen: ik deed dat omdat ik zo graag de wereld wilde verbeteren. Maar idealisme speelde wel een rol. Ik wilde méér dan alleen maar geld verdienen en voelde dat ik iets voor jongeren kon betekenen. Die zijn we gaan opleiden, we hielpen ze aan werk in mijn eigen bedrijf en bij andere ondernemers. Dat gaf me een gevoel dat ik niet kreeg bij extra omzet, of bij een nieuwe auto of nieuwe kleding.’
Wat voor gevoel was dat?
‘Ik moet nu denken aan Stefan, een jongen met een Marokkaanse vader en een Nederlandse moeder. Hij zat in een groepje van negen jongens waarvan iedereen een baan kreeg, maar hij niet. Hij had een heel slecht gebit, dat hielp niet bepaald. Ik heb flink op hem ingepraat toen hij wilde opgeven, en ik kon hem uiteindelijk in contact brengen met een Surinaamse ondernemer die hem een kans wilde geven. En hem ook nog helpen met zijn gebit.
‘Kom ik hem later tegen, staat hij daar, met een prachtige rij tanden, helemaal trots, op mij te wachten met twee kopjes koffie. Ja, daarvan kan ik nu nog tranen in mijn ogen krijgen. Daarna is hij ook voor zichzelf begonnen. Als ik hem nu spreek, is hij nog zo dankbaar. Terwijl: wat ik voor hem heb gedaan, stelt veel minder voor dan waarvoor hij me erkenning geeft.’
Waarom raakt het u zo?
‘Kijk, ik ben als white trash geboren. Als ik aan de drugs was gegaan, had iedereen gezegd: logisch. Dus ik voel maar heel weinig afstand tot zo’n jongen. Ik kan met zijn ogen kijken, ik weet precies wat hij voelt, meemaakt, of hij nou wit, zwart of geel is.
‘Ik begrijp het duizend procent en hij voelt dat – hij weet dat ik weet hoe het is, nog zonder dat ik iets zeg. Dat merkt hij aan een aanraking, een blik. Door een grap. Of juist onverschilligheid. Wat het ook is, ik ben daarin feilloos. Ik voel zijn behoefte.’
Wat is die behoefte?
‘Hij wil gelijkwaardigheid. Hij wil niet dat je met hem bezig bent door van alles te zeggen om hem er maar bij te laten horen. Of dat je hem wil veranderen met straffen. Nee, hij wil gelijkwaardigheid voelen door hoe je met hem omgaat. Hij wil dat je hem echt ziet.
‘Soms is dat door je hard op te stellen. Als ik merk dat iemand criminaliteit aantrekkelijker vindt dan op een gewone manier zijn geld verdienen, ga ik daar niet tegenin. Dan zeg ik juist: moet je doen. Wil jij nog dieper die afgrond in? Ik ga je niet tegenhouden. Want dat heeft geen enkele zin.
‘Maar als je eruit wil, zeg ik erbij, weet je me te vinden. Kom je op het goede moment dan zijn ze als topsporters, echt waar - supergemotiveerd en getalenteerd.’
Ziet u maatschappelijke vooruitgang in het omgaan met deze jongeren?
‘Door de verharding, de polarisatie die er nu is, ben ik niet hoopvol. Daardoor ontbreekt de nuance. Het geluid van ‘Nederland voor de Nederlanders’ vind ik totaal niet realistisch. Dat had je in de jaren zestig moeten zeggen, toen we ze haalden om ons vieze werk laten doen. Nu horen ze erbij.
‘Mensen die hier al zijn, die hier naar school gaan en werken, die moet je het gevoel geven dat ze erbij horen. Maar we zitten nu in de situatie dat nogal wat mensen denken dat de oplossing is dat je de discussie moet verharden. Daar geloof ik helemaal niet in, net zomin als ik geloof in pamperen.
‘Met lastige jongens moet je niet gaan tafeltennissen, dat is in de jaren tachtig, met al die subsidies, genoeg gedaan. Wat ze boven alles nodig hebben zijn echte banen, daarvoor kun je mij wakker maken. Met onze stichting lukt dat nu bij vijftig, zestig mensen per jaar, we willen dat aantal verder opvoeren. Met werk doe je mee, hoor je erbij.
‘Om zover te komen moet je eerst inspireren, verbinden. Ook als overheid. Je moet ook grote bedrijven erbij betrekken. Die kunnen het verschil maken, met al hun banen en geld. Je zult ze wettelijk verplichtingen moeten opleggen, anders verandert er nooit wat.
‘Het huidige economische systeem werkt niet meer. Bedrijven zouden niet langer winst voorop mogen stellen, maar hun maatschappelijke waarde. Dat is niet een links of rechts plan, maar een totaal andere visie. Dan kunnen we eindelijk een land worden waarin iedereen meedoet.’
Boektip: Shuggie Bain, Douglas Stuart
‘Het autobiografische verhaal van een kwetsbare, altruïstische jongen in een Schotse volkswijk, die tegen de klippen op loyaal blijft aan zijn in alcoholisme wegglijdende moeder. Ook voelt hij anders te zijn dan andere jongens. Toch behoudt hij hoop en toont hij ongelofelijke kracht. Een ontroerend levensverhaal waarin ik veel herkende.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant