Door het afbouwen van de gesloten jeugdzorg komt een kwetsbare groep kinderen in grote problemen. Zij kunnen de vrijheid van de meer open woonvormen niet aan. Met dramatische gevolgen, ziet de vader van Sandra.
is verslaggever van de Volkskrant en schrijft over jeugdzorg en de toeslagenaffaire.
De vader ziet het die avond helemaal misgaan met zijn dochter. Op haar Snapchat-account, waar hij toegang toeheeft, ziet hij dat ze de kleinschalige woonvoorziening verlaat waar ze onder begeleiding woont met drie andere jongeren. Hij ziet dat ze de stad in gaat, dat ze foto’s maakt met een jongen die ze op de kermis heeft ontmoet, dat ze drinken en dat ze midden in de nacht terugkeert naar huis, laveloos waarschijnlijk. Hij ziet ook dat ze niet naar binnen gaat. In de tuin valt ze in slaap. De vader verbijt zijn ergernis: zijn dochter zou toch veilig moeten zijn in de zorg? Hij alarmeert de jeugdzorgmedewerkers. Die vinden haar die ochtend in de tuin.
De vader en zijn nieuwe partner vertellen over Sandra en geven inzage in haar uitgebreide jeugdzorgdossier, omdat ze denken dat dit verhaal een knelpunt blootlegt van de afbouw van de gesloten jeugdzorg die nu gaande is. Vanwege de gevoeligheid van de kwestie willen ze hun verhaal alleen anoniem doen.
Als jongeren een gevaar zijn voor zichzelf of hun omgeving kan de rechter een machtiging voor de gesloten jeugdzorg opleggen – bijvoorbeeld als ze suïcidaal of agressief gedrag vertonen, of bij andere ernstige gedragsproblemen. Dat betekende tot voor kort automatisch dat een jongere in de gesloten jeugdzorg terechtkwam. Maar op deze veelal grote, met hekken omheinde instellingen met een vaak repressief regime kwam steeds meer kritiek. Veel jongeren bleken er een extra trauma aan over te houden. In juli 2022 kwam de omslag. Toen de toenmalige staatssecretaris Maarten van Ooijen (Jeugdzorg, ChristenUnie) de afbouw van de gesloten jeugdzorg aankondigde.
Vanaf 2030 moet het echt afgelopen zijn met het opsluiten van jongeren in die grote gesloten instellingen. Volgens het nieuwe overheidsbeleid moet deze doelgroep grotendeels onderdak krijgen in zogenoemde kleinschalige woonvoorzieningen. Dat zijn huizen, vaak in een gewone woonwijk, waar maximaal zes en bij voorkeur vier jongeren met gedragsproblemen – met of zonder rechterlijke machtiging – samen wonen, in een huiselijke setting met een vast team van begeleiders, waar ze begeleiding of behandeling ‘op maat’ krijgen.
Dat klinkt als een grote verbetering, maar niet alle jongeren met ernstige gedragsproblemen kunnen die vrijheid aan, blijkt uit het verhaal van Sandra. Haar verhaal laat ook zien hoe lastig het is om de juiste zorg te bieden aan de ‘moeilijkste’ kinderen. En dat het opzetten van goede alternatieven voor de veel bekritiseerde gesloten jeugdzorg nog altijd een ingewikkelde zoektocht is.
Sandra raakt al jong beschadigd door de ingewikkelde scheiding waarin haar ouders verwikkeld raakten. Daarna voelt ze zich ongewenst, ze heeft woedeaanvallen, is opstandig. Vanaf haar 10de woont ze in instellingen. Al snel gaat ze nauwelijks meer naar school. Ze drinkt alcohol en heeft haar eerste seksuele ervaringen, met oudere jongens.
Ze is 12 jaar als ze eind 2022 met haar ouders een intakegesprek heeft bij de kleinschalige woonvoorziening in Schagen van jeugdzorgorganisatie Parlan. In deze twee-onder-een-kapwoning verblijven vier jongeren tussen de 12 en 18 jaar die niet thuis kunnen wonen, onder begeleiding van jeugdzorgmedewerkers.
De provincie Noord-Holland loopt voorop met de afbouw van de gesloten jeugdzorg. De jeugdzorgorganisaties proberen er uithuisplaatsingen zo veel mogelijk te voorkomen, met het bieden van hulp in het gezin. Als het thuis echt niet gaat en ook een pleeggezin geen optie is, kunnen kinderen in kleinschalige woonvoorzieningen wonen, zoals die in Schagen.
Noord-Holland telt inmiddels 19 kleinschalige woonvoorzieningen, aanzienlijk meer dan in andere provincies. Noord-Holland wordt gezien als een voorbeeld voor andere regio’s. Vijf van die woonvoorzieningen zijn van jeugdzorgorganisatie Parlan. Het idee van dergelijke ‘gewone’ huizen voor kleine groepen jongeren met gedragsproblemen die voorheen in de gesloten jeugdzorg zaten, komt van de doelgroep zelf, vertelt inhoudelijk directeur Suzan Terweij van Parlan.
Terweij is er trots op dat door hun vooruitstrevende aanpak in Noord-Holland veel minder jongeren in de gesloten jeugdzorg terechtkomen. Maar er kleven ook risico’s aan, erkent ze. In de gesloten jeugdzorg is het wettelijk toegestaan om de vrijheid van een jongere te beperken, door hem op te sluiten, maar ook bijvoorbeeld door zijn telefoon af te pakken of hem beet te pakken. In de nieuwe kleinschalige woonvoorzieningen mag dit niet. Er zijn geen isolatieruimten, geen alarmsystemen en kinderen zijn vrij om te gaan en staan waar zij willen.
Bij het intakegesprek vraagt haar vader zich hardop af of Sandra de vrijheid van een open deur en geen restricties op telefoongebruik wel aan kan. Hij vertelt dat Sandra vaak wegloopt. Ze zit vooral op haar telefoon en wisselt seksueel getinte berichten uit met jongens via Snapchat. Dat haar vader haar wachtwoord heeft, weet ze niet. Maar hij voelt zich genoodzaakt om mee te kijken, omdat hij vreest dat zijn dochter zichzelf met haar gedrag in gevaar brengt.
De jeugdmedewerkers antwoorden dat hij zich geen zorgen hoeft te maken. ‘Hier mag je groot worden’, zeggen ze tegen Sandra.
Al in de eerste maanden dat Sandra in Schagen woont, ziet haar vader op haar Snapchat dat ze afspreekt met dealers voor vapes, sigaretten en wiet. Soms betaalt ze die met seksuele diensten. Hij kaart het aan bij de jeugdzorgmedewerkers. Maar de leiding grijpt niet in, ook niet als Sandra meerdere keren wegloopt, onder meer voor een afspraak met een jongen die seks met haar wil.
Ook Sandra’s huisgenoten in de kleinschalige woonvoorzieningen houden zich niet aan de regels, blijkt uit een uitnodiging voor een gesprek op 5 juni 2023 die het hulpverlenersteam naar de jongeren stuurt. ‘De laatste weken merken wij dat jullie steeds vaker weglopen of in de avond niet naar bed gaan om te slapen. Dat is niet de bedoeling en daarover willen we met jullie in gesprek hoe we dit samen gaan oplossen.’
Nog geen twee weken later volgt het incident waarbij Sandra laveloos in de tuin wordt aangetroffen. Ondertussen gebruikt Sandra coke en xtc en hangt ze rond bij het station. Met een vriendin wisselt ze selfies uit van zichzelf met grote pupillen.
Als haar vader zich te veel zorgen maakt vanwege berichten op Snapchat, rijdt hij naar de locatie waar ze volgens de app zou zijn. Hij treft zijn dochter aan op een bankje met uitgelopen mascara en een blikje bacardi mix in de hand.
Inhoudelijk directeur Terweij van Parlan kan vanwege privacy niet op de casus van Sandra ingaan. Er zijn volgens haar maar enkele jongeren met wie het nog niet lukt in de kleinschalige woonvormen. ‘Het is het waard om samen die risico’s te dragen, omdat we zien dat het met de meeste kinderen die anders gesloten hadden gezeten, veel beter gaat’, zegt ze. ‘Dat komt omdat we ons best doen om ze werkelijk te begrijpen, ze een zinvolle daginvulling te bieden en ze meer eigen regie te geven.’ Een restrictieve aanpak van kinderen leidt op de lange termijn nergens toe, beklemtoont Terweij. ‘Dat hebben we gezien in de gesloten jeugdzorg. Van de inperkende regels leren ze weinig, ze worden er vaak juist bozer van.’
Terweij zegt dat de organisatie leert van situaties die niet goed gaan, bijvoorbeeld bij het stellen van meer normen voor telefoongebruik of wanneer iemand wegloopt. ‘Maar we kijken eerst naar de oorzaak van probleemgedrag, in plaats van er alleen maar op te reageren door regels te stellen.’
De eerste ervaringen met de kleinschalige woonvoorzieningen zijn positief, concludeert het Bovenregionaal Expertisenetwerk Jeugd Noord-Holland in een evaluatie van eerder dit jaar. De meeste jongeren die er wonen ‘ontwikkelen zich goed richting zelfstandigheid’. De jeugdzorgmedewerkers investeren in een relatie met de jongeren op basis van vertrouwen. Veel jongeren noemen het hun thuis en voelen zich er ‘gezien en gehoord’.
Het begrenzen van jongeren wordt benoemd als een knelpunt. Dat leidt tot veiligheidsrisico’s, zowel voor de jeugdzorgmedewerkers als voor de jongeren. In de gesloten jeugdzorg volgden vaak stevige sancties op moeilijk gedrag – in uiterste gevallen fixatie (vasthouden, op de grond drukken) en opsluiting in een isolatieruimte. Omdat jongeren hierdoor extra beschadigd kunnen raken, wil de overheid dit niet meer. Maar in de praktijk blijkt dat de aanpak in de kleinschalige woonvoorzieningen – het in gesprek gaan met de jongeren over de achterliggende oorzaken van het gedrag, niet altijd werkt, bijvoorbeeld bij jongeren die agressief zijn. Sommige jeugdzorgmedewerkers zouden jongeren meer willen begrenzen. In een ‘gewone’ gezinssituatie nemen ouders ook soms de telefoon tijdelijk in en maken duidelijke afspraken over school of bedtijd, waarom doen we dat hier niet, vraagt een medewerker zich in de evaluatie af.
‘Het is logisch dat zich dilemma’s voordoen bij zo’n grotere verandering van gesloten jeugdzorg naar veel meer vrijheid’, zegt Eva Mulder, bijzonder hoogleraar intensieve pedagogische ondersteuning van gezinnen aan de Universiteit van Amsterdam, tevens werkzaam bij het Nederlands Jeugdinstituut (NJi). Mulder onderzoekt wat wel en niet werkt bij de omvorming van de gesloten jeugdzorg. Zij deelt de kennis tussen de regio’s.
Een nieuwe zorgvorm ontwikkelen, is geen sinecure, zegt Mulder. Zij herkent het knelpunt dat in open jeugdzorgvoorzieningen wettelijk gezien geen vrijheidsbeperkende maatregelen mogen worden ingezet. Maar dat betekent volgens haar niet dat je geen grenzen mag stellen. ‘Ook in deze jeugdzorgvorm kunnen met jongeren afspraken worden gemaakt over de regels.’
Ook Mulder is overwegend positief over de kleinschalige woonvoorzieningen. ‘Als het goed gaat met een jongere die er woont, is er echt wat gewonnen.’ Maar de onderzoekers zien ook dat er een klein percentage kinderen is – hoeveel het er precies zijn is nog onbekend – waarbij deze aanpak niet werkt. ‘Bij deze groep is nu de vraag: wat werkt dan wel?’
De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) is uitgesproken kritisch over de uitvoering van de zorg in de kleinschalige woonvoorzieningen van Parlan. De vraag is of alle geplaatste jongeren er de vrijheid wel aankunnen, ‘met risico’s op overmatig alcoholgebruik of drugsgebruik en omgang met criminelen’, schrijft de inspectie eerder dit jaar in een rapport. De medewerkers zijn soms ‘handelingsverlegen’. Zij grijpen onvoldoende in bij gevaarlijke situaties. De inspectie heeft Parlan de opdracht gegeven de veiligheid van de jongeren en de medewerkers beter te borgen.
Inhoudelijk directeur Terweij van Parlan noemt het een leerproces. ‘Bij sommige kinderen denk ik nu dat we het anders hadden moeten doen.’ Zij noemt ook de positieve kant: ‘Wij zien veel minder agressie bij deze jongeren dan in de gesloten jeugdzorg. En veel minder jongeren beschadigen zichzelf.’
Met Sandra loopt het in juli 2023 verder uit de hand. Ze loopt vaker weg. Soms brengt de politie haar terug, maar meestal hebben de agenten er weinig zin in om haar te zoeken. ‘Wij zijn geen taxi van de jeugdzorg’, vertelt de politie de vader als hij zich zorgen maakt.
Als de vader vraagt waarom de jeugdzorg niet voorkomt dat zo’n jong meisje midden in de nacht op straat zwerft, krijgt hij te horen dat er bij deze zorgvorm meer risico’s horen, met de bedoeling dat het kind leert van zijn fouten. Ook de jeugdzorgmedewerkers maken zich inmiddels zorgen over Sandra, maar zien dan nog geen reden voor een meer gesloten plaatsing. Dat zal haar alleen maar verder beschadigen, vrezen ze.
Sandra’s vader snapt die redenatie, maar hij vreest dat zijn dochter de gevaren niet kan overzien van drugsgebruik en omgang met dealers.
In die zomer gaat Sandra toch op voorlopige basis naar een gesloten jeugdzorginstelling, van een andere jeugdzorgaanbieder. Bij haar eerste proefverlof loopt ze weer weg. Als ze meer vrijheden krijgt, wordt ze betrapt op xtc-gebruik. In augustus 2024 valt het definitieve besluit dat ze naar de gesloten jeugdzorg moet. Daar zit ze nu.
‘We hadden haar veel ellende kunnen besparen’, denken haar vader en diens partner. ‘Iedereen had veel eerder kunnen zien dat ze veel risico liep met meer vrijheid dan ze aankon.’
De gesloten jeugdzorg moet van de overheid voor 2030 grotendeels zijn afgebouwd. Het aantal plaatsingen van kinderen in gesloten jeugdzorginstellingen neemt snel af: van 1.706 in 2019 naar 891 vorig jaar. De afbouw gaat veel sneller dan de opbouw van alternatieven, zoals de kleinschalige woonvoorzieningen, waarschuwen de toezichthouders, de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) en de Jeugdautoriteit. Daardoor komt de continuïteit van de zorg onder druk te staan.
In regio’s waar het nog nauwelijks is gelukt alternatieven op te zetten, is de kans veel groter dat een kind dat niet thuis kan wonen in de gesloten jeugdzorg terechtkomt. ‘Onwenselijk’, noemt de Jeugdautoriteit zulke regionale verschillen.
Omdat de bezettingsgraad daalt, komen jeugdzorgorganisaties met gesloten jeugdzorginstellingen in financiële problemen. De overheid stelt 181 miljoen euro extra beschikbaar voor de ombouw van de gesloten jeugdzorg.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant