Home

‘Ach’, zei de blonde raadsheer, ‘als je maar genoeg met je vuist zwaait, klopt het altijd wel ergens’

Er was eens een man die zomaar koning werd. Op een dag was hem plots verzocht op de troon plaats te nemen. De vorige koning was weggepromoveerd naar iets hoogs in het Melkwegstelselbestuur. De man schoof zijn online-nepaccounts terzijde en werd Koning Dick.

‘Maar wat moet ik dan doen?’, vroeg hij vertwijfeld.

‘Het stelt niks voor’, stelde zijn blonde raadsheer hem gerust.

Het koninkrijk stond er niet goed voor. Er waren nauwelijks huizen om in te wonen, nauwelijks vergezichten om in te geloven en nauwelijks alfabete jongeren om mee te lezen. Er hing iets nurks over het land, behalve bij sportwedstrijden, waar Koning Dick zelf graag aan deelnam en waar hij aan de finish in zijn endorfinehigh passanten probeerde te omhelzen.

Er waren trouwens nog enkele raadsheren en -vrouwen, maar die waren op geen enkele wijze tegen hun collega opgewassen. Zelf hadden ze het, tijdens schielijke rookpauzes op de binnenplaats, liever over ‘compromissen’. En dus runde de blonde raadsheer de hele handel. Koning Dick maakte onderwijl een wat verweesde indruk, alsof hij een hoopje bladeren was dat niemand wil opvegen.

Hij was de hele dag in de weer met het toelichten van dingen die hij niet had bedacht. Daarin was hij overigens onnavolgbaar; de ambtelijke zinnen stroomden uit hem als water uit een lekke pijp. Onderdanen die hem noodgedwongen aanhoorden, werden overvallen door het geruststellende gevoel dat je krijgt als je in het vliegtuig door een inflight-magazine bladert: je gaat ervan uit niets van enig belang of gewicht aan te treffen, en dat vind je dan ook niet.

Af en toe nam de twijfel bezit van Koning Dick. Wanneer plannen hem te cru leken, bewoordingen te grof en uitleg te Kleverig, liep hij naar zijn raadsheer en informeerde of het allemaal wel klopte.

‘Ach’, antwoordde die. ‘Als je maar genoeg met je vuist zwaait, klopt het altijd wel ergens.’

Op vrije dagen zette Koning Dick de ramen van de enige paleistoren tegen elkaar open. Van alle kanten wapperde het mestprobleem het paleis binnen, in het oosten klonk het dreigende gerommel van oorlogszuchtige heersers in naburige koninkrijken en wanneer hij naar het zuiden keek, zag hij een vervallen hospitaal – uit een van de ramen bungelde een vlecht van een onder-raadsvrouw, die met beleid wachtte tot haar haar lang genoeg was om private-equity-jongens door het raam naar binnen te laten zwendelen.

Wanneer hij ’s avonds gevloerd op zijn troon neerzeeg, met barstende koppijn van de wolk oppositioneel gezever die eeuwig rond hem hing, fantaseerde hij over een plek, een soort ‘hub’ waaruit hij terug kon naar zijn oude leven – hij zou er bij wijze van spreken voor naar de andere kant van de wereld willen vluchten. Tegelijk kreeg hij de indruk dat die troon elke avond een beetje lager leek. Ook vond hij hoopjes zaagsel bij de poten. Volgens de raadsheer was hij overspannen. Misschien kon hij een rondje gaan hardlopen?

’s Nachts droomde Koning Dick van de verschillen tussen ideeën en plannen. Geregeld werd hij wakker, badend in de ambtelijke stijlbloempjes. De kamer rook dan naar muf jargon en hij klopte de woorden ‘procedures’ en ‘draagvlak’ uit het koninklijke bed. Slaapdronken liep hij naar de spiegel. Hij keek, en zag een onderdaan met een mooi marathon-pr. Als hij bleef kijken, zou hij mogelijk een dweil zien, ideaal om alle gelekte plasjes van de paleisvloer te vegen. En dus keek hij altijd maar kort, en zo leefde hij nog lang en onmachtig.

Over de auteur
Frank Heinen is schrijver en columnist voor de Volkskrant. Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next