Home

Gelukkig ben ik handig in het ontwijken van straatstront, want ik ben opgegroeid in de hoogtijdagen van hondenpoep

Ik krijg sterk de indruk dat er de laatste tijd meer hondenpoep op straat ligt dan, pakweg, een jaar of tien geleden. Dat heeft ongetwijfeld te maken met de verhuftering van onze maatschappij, die collectief iets chagrijnigs denkt als ‘zolang ze geen huizen bouwen voor onze kinderen, hoef ik ook de stront van mijn hond niet op te ruimen’.

Gelukkig ben ik handig in het ontwijken van straatstront, want ik ben opgegroeid in de hoogtijdagen van hondenpoep: de jaren zeventig en tachtig. Echt helemaal niemand ging toen braaf aan de slag met een schepje en een plastic zakje, want dan hadden ze je krankzinnig verklaard en opgesloten in het gekkenhuis (dat heette toen nog zo).

Over de auteur
Sylvia Witteman schrijft voor de Volkskrant columns over het dagelijks leven.

Het gold indertijd als het summum van beschaving om je hond niet in het midden maar op de ránd van de stoep te laten poepen, maar dat deden eigenlijk alleen zachtaardige, reformwinkelende wereldverbeteraars. Een echte, normale man liet zijn hond gewoon schijten waar het zo uitkwam.

Poep op de stoep was toen, kortom, overal. Als je even niet op je hoede was, stond je er middenin. Het was dan zaak om de getroffen schoenzool aan de stoeprand af te schrapen, en vervolgens op zoek te gaan naar een graspol. Maar hoe fanatiek je daar ook je schoen aan afveegde, er bleef altijd wat in het profiel van je zolen zitten. Dat moest je er dan bij thuiskomst, kokhalzend boven een oude krant, met een lucifer uitpeuteren.

Soms ook had je helemaal niks door. Dan ging je thuis aan tafel en dan riep je moeder, snuivend met opgetrokken neus, ‘WIE HEEFT ER POEP ONDER ZIJN SCHOEN?’ en dan zat het hele gezin in de vreemdste houdingen onder zijn zolen te loeren en te hopen dat iemand ánders de lul was (maar dat was nooit zo) en dat dus iemand ánders straks het trappenhuis met een emmer sop te lijf moest (nee, jíj dus).

Terwijl ik, mijmerend over hondenpoep, door het park liep, hoorde ik achter me ‘IIIIEEEEUWWW!’ schreeuwen. Ik keek om. Een meisje van een jaar of 15 bekeek met grote ogen van afschuw de zool van haar witte schoen. Er zat poep onder. Een beetje maar, en vrij droog, zag mijn kennersoog.

‘Wat moet ik doen? Nee serieus, wat moet ik dóén?’, jammerde het kind tegen haar vriendinnen, die walgend achteruitdeinsden.

Stel je niet zo aan, dacht ik korzelig. Dat kleine beetje droge poep. Je hebt hier toch overal gras, om het aan af te vegen?

Maar toen sloeg mijn irritatie om in vertedering. Ach gos! Het was natuurlijk haar eerste keer!

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next