Zanger Paul Di’Anno was de schakel tussen punk en heavy metal, en werd na twee albums met Iron Maiden een cultheld van de harde muziek.
is redacteur popmuziek van de Volkskrant.
Hij had niets met heavy metal, een genre dat in de late jaren zeventig eigenlijk nauwelijks bestond. Paul Di’Anno, die in 1958 als Paul Andrews werd geboren in Londen, was meer van de punk: het recalcitrante maar modieuze muzieksimplisme dat in die jaren de wereld aan het veroveren was.
Toen hij de band Iron Maiden eens zag spelen, in een club ergens in Londen, lachte hij de heren vierkant uit. Niet eens vanwege de gitaarsolo’s – een taboe in de punk – maar vooral door het aanstellerige gedoe op het podium. De toenmalige zanger had een zwaard bij zich en er druppelde nepbloed van zijn gezicht. ‘We pisten in onze broek van het lachen’, zei hij later in een interview. ‘Maar ze speelden wel strak.’
In 1978 kwam Di’Anno de Iron Maiden-oprichter, bassist en liedschrijver Steve Harris tegen in een kroeg. De net opgerichte band had een nieuwe zanger nodig, zei deze. Di’Anno zong zelf ook in een paar bandjes en stak zijn hand op. Er werd een oefensessie ingepland en Di’Anno werd aangenomen.
Wie naar de eerste twee albums van Iron Maiden luistert, hoort waarom Di’Anno zo geschikt was als zanger én als boegbeeld van een nieuwe muzikale beweging die na de punk groot zou worden. Di’Anno zong nummers als Wrathchild en Running Free met de boze overtuigingskracht van de punk. Maar hij werd begeleid door tamelijk ingewikkelde gitaren en akkoordenprogressies die halverwege een liedje ook nog eens een andere afslag mochten nemen: heavy metal. Di’Anno, die maandag op 66-jarige leeftijd overleed, werd daarmee de schakel tussen twee van de invloedrijkste muziekstijlen uit de vorige eeuw.
Di’Anno was een lastpak. Hij miste het eerste optreden met zijn nieuwe band omdat hij bij de ingang van de club werd gefouilleerd en er een mes uit zijn tas werd getrokken. Dat had hij nodig bij zijn werk als uitdeuker van oude olievaten, probeerde hij nog. Maar Di’Anno werd afgevoerd en in een politiecel gesmeten. Het was het begin van een tumultueuze carrière, die van drank- en drugsmisbruik aan elkaar hing.
Zijn charisma was onmiskenbaar. Hij weigerde zijn haar te laten groeien, bleef dus optreden als een punk en bracht de branie en de overtollige energie uit dat genre naar de podia: precies wat de soms wat studieuze heavy metal nodig had. Zijn grauwende en snerpende stem bracht Iron Maiden naar de top van de hitlijsten, vooral na het album Killers uit 1981, dat een van de klassiekers werd van wat de New Wave of British Heavy Metal (NWOBHM) werd genoemd.
Maar Steve Harris vond Di’Anno te onbetrouwbaar voor de aanstaande doorbraak, omdat hij constant aan de coke zat. In 1981 werd hij ontslagen en vervangen door Bruce Dickinson, die van Iron Maiden inderdaad een van de grootste bands ter wereld zou maken.
Di’Anno probeerde het daarna solo en bleef tot in lengte van dagen optreden. De laatste jaren zong hij vanuit een rolstoel, waartoe hij was veroordeeld na een ernstige infectie. Maar hij viel altijd terug op het oeuvre dat hij had mogen zingen met Iron Maiden, en dat van hem een cultheld had gemaakt.
Zijn dagelijks leven was minder heroïsch. Di’Anno werd in 1990 veroordeeld voor huiselijk geweld nadat hij een vriendin had bedreigd met een mes, onder invloed van cocaïne. Voor deze misdaad zou hij zich zijn leven lang blijven schamen, onthulde hij later.
Zijn oude band eerde Di’Anno kort na zijn overlijden met een waardig statement. ‘Zijn pionierswerk als frontman en zanger, op het podium en op onze eerste twee albums, zal altijd met liefde worden herdacht. Niet alleen door ons, maar door fans uit de hele wereld.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant