Home

Godsonmogelijk, toch gelukt: hoe een mens een heel huis in beweging kan zetten

In de ‘wilde woonwijk’ Almere Oosterwold bouwde kunstenaar Joost Conijn voor zichzelf een ronddraaiend huis, dat wordt aangedreven door een fiets. Hoe heeft hij dat voor elkaar gekregen?

‘Ik zal het huis even in de zon zetten’, zegt beeldend kunstenaar Joost Conijn, terwijl hij plaatsneemt op de rode Gazelle Champion Mondial, die in de glazen woonkamer van zijn woning in de zelfbouwwijk Almere Oosterwold staat. Klinkt wonderlijk, en wat er vervolgens gebeurt, is dat ook: als Conijn trapt, begint het ronde gebouw te roteren. Nog geen minuut later zitten we in het warme ochtendlicht, met uitzicht op de moestuin. De kunstenaar zal later tonen hoe het draaiende huis werkt: de fietsketting is – onder de vloer – via een horizontale ketting gekoppeld aan de as van het huis, terwijl langs de vloerranden een rail is gemaakt die over wielen beweegt.

Conijn, opgeleid aan de Gerrit Rietveld Academie in Amsterdam, bedenkt graag ‘dingen die godsonmogelijk zijn en ik dan toch maak’. Zo timmert hij in 2001 een houten auto, die ook op hout rijdt, en waarmee hij door Oost-Europa trekt om een film te maken. Acht jaar later vliegt hij met een zelfgebouwd vliegtuig naar Kenia; daarover schrijft hij een boek. Ondertussen fantaseert hij over een ronddraaiend huis dat meebeweegt met de zon en de schaduw. Als de gemeente Almere in 2010 een wijk met zelfbouwkavels aankondigt, schrijft hij zich in, maar door de economische crisis gaat de wijk niet door.

Met de ontwikkeling van de zelfbouwwijk Oosterwold doet zich in 2019 een nieuwe kans voor. Conijn koopt er een bedrijfskavel waarop hij een tweedehands loods als werkplaats inricht, met daarnaast een woonkavel voor het huis. Het ontwerp is simpel: een rond gebouw – 10 meter in doorsnede, 9 meter hoog – dat half muur, half glas is. Waarmee je ’s winters de zon binnenhaalt en die ’s zomers buitensluit, door het te draaien. Aldus biedt het een oplossing voor een klassiek thema in de architectuur: het combineren van beschutting tegen de elementen met het modernistische streven naar ‘licht, lucht en ruimte’.

Industriële revolutie

De industriële revolutie maakte de productie van moderne materialen als staal en glas mogelijk, waarmee architecten lichte, open ruimten gingen bouwen. Probleem is dat die ’s zomers snikheet werden en ’s winters ijskoud. Dat werd opgelost met klimaatinstallaties. Conijn wilde echter geen machinerie. ‘Ik hou van techniek, maar wil die zelf kunnen controleren.’ Zijn huis wordt natuurlijk geventileerd en draait op spierkracht. Hoe heeft hij dat voor elkaar gekregen?

Om te beginnen moest het huis licht in gewicht zijn, legt de kunstenaar uit. De draagconstructie is opgebouwd uit slanke stalen kolommen en liggers, onderling verbonden door driehoekige verbanden, die voor stijfheid zorgen. De gevel van dubbelglas, gevat in stalen profielen, is om dezelfde reden onderverdeeld in driehoeken, waarvan een deel open kan om de ruimte te luchten. De gesloten geveldelen met ronde ramen zijn uit hout getimmerd en gestuukt, waarna Conijn ze met zijn bouwkraan op hun plek heeft getakeld.

Van tevoren berekende hij het totaalgewicht – zo’n 30.000 kilo – en wat de vertraging zou moeten zijn wanneer hij stevig doorfietst (met een vermogen van 150 watt). Daaruit kwam dat je 460 keer moet trappen om het huis één keer rond te laten draaien. Op de draaimechaniek heeft hij lang gepuzzeld. ‘De crux is dat de wielen niet op de rails staan, maar andersom. Zo voorkom je dat er – zoals op het treinspoor – vuil en bladeren tussen komen. ‘Zie je dat de wielen iets kegelvormig zijn?’, wijst hij onder het gebouw. ‘Daardoor loopt het systeem zo soepel.’

Spartaans

Van de fundering, die als een enorm betonnen wagenwiel op de aarde ligt, tot de ronde multiplex ramen; de kunstenaar heeft alles zelf gemaakt. De bouw van het casco duurde vier jaar. Op de vraag wat het huis heeft gekost, heeft hij geen eenduidig antwoord. ‘Voor het staal betaalde ik zo’n 15.000 euro, voor het glas eenzelfde bedrag. Maar ik heb er vooral heel veel arbeidsuren erin gestopt.’ Tijdens de bouw woonde Conijn in zijn spartaans ingerichte werkloods. ‘Mijn douche is een emmer water, ’s zomers spring ik even verderop in de vaart.’ De wc, in de tuin, is een houten hutje met een composttoilet.

Hij gaat nu verder werken aan het interieur. Tussen het glazen en het gesloten deel komt een tussenwand. De (niet verwarmde) serre blijft open, in het andere deel komt een keuken die ’s winters verwarmd kan worden met een houtkachel, met daarboven de slaap- en badkamer. Zijn bed staat er al. ‘Het huis is wind- en waterdicht, ik slaap er en: het draait. Voor mij is dat het belangrijkste. Ik wilde laten zien dat één mens een heel huis in beweging kan zetten, of beter gezegd: wat één mens in beweging kan zetten.’

Draaiende huizen
Het draaiende huis van Joost Conijn is bijzonder, al is het idee niet uniek. Zo realiseerde de Italiaanse bouwmagnaat Angelo Invernizzi samen met architect Ettore Fagiuoli in 1935 bij Verona de roterende villa Girasole. Het huis van twee verdiepingen met een toren verrees op een draaibaar plateau, dat werd aangedreven door dieselmotoren. In 1958 bouwde de (geëmigreerde) Nederlandse architect Hubertus van der Kolk in Australië voor zijn gezin het Round House, dat met de zon kon meedraaien, maar sinds een verbouwing in 1970 is gefixeerd. Het concept Domespace, een draaibare prefab-houten koepelwoning, aangedreven door een elektrisch motortje, is in 1988 ontwikkeld door de Franse ontwerper Patrick Marsilli. Het eerste exemplaar bouwde hij voor zichzelf in Bretagne, sindsdien zijn er zo’n 250 gerealiseerd, waaronder een in Almere Oosterwold. Andere draaiende huizen staan in Twello, Tilburg en Alkmaar.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next