Home

Op een toilet doe je je behoefte, op een wc poep je, maar in een gat in de grond schijt je

Denkend aan kamperen zie ik mezelf als kind, onhandig rommelend in een kleine tent, die te warm, of te vochtig is. Een nat grasveld waarop ik uitglijd en mijn scheenbeen openhaal aan een tentharing die niet diep genoeg de aarde in is gestampt. Een onverlaat met een fetisj die in het holst van de nacht alle zwembroeken en badpakken van de drooglijnen jat. Een aardappel op de tentstok prikken bij onweer.

Over de auteur
Julien Althuisius is schrijver en voor de Volkskrant columnist over het dagelijks leven.

Maar het helderst zie ik het gat dat we in de grond moesten graven, op een tiental meters van onze tent, om daar – bij gebrek aan toiletten in de buurt – te plassen en te schijten. Schijten, ja. Want dat is wat je in een gat in de grond doet. Op een toilet doe je je behoefte, op een wc poep je, maar in een gat in de grond schijt je.

Snel en woest en kokhalzend omdat de lucht in het oranje tentje dat om het gat heen staat niet te harden is: aarde met urine en kak, dagenlang opgewarmd in de brandende zon. Dus toen dertig jaar later de vraag kwam of ik met mijn schoonvader en mijn dochter wilde gaan kamperen, moest ik mezelf even over iets heen zetten.

Maar zie me nu zitten, half oktober, op een kampeerstoeltje aan de rand van een warm en brandend houtvuur. In een geruit overhemd. Klein glaasje rode wijn, linzensoep, marshmallows. Vannacht sliep ik voor het eerst met mijn oudste dochter in een tent.

We lagen er vroeg in, moesten wennen aan de dunne matjes en de geluiden om ons heen en hebben elkaar denk ik wel vijf keer ‘slaap lekker’ gewenst. De felle, heldere maan maakte een zaklamp overbodig tijdens het nachtelijke toiletbezoek. Toen we vanochtend wakker werden regende het en kropen we tegen elkaar aan.

Het duurde, met al het natte hout en in de aanhoudende regen, even voordat we het vuur aan de praat hadden. Maar nu het goed heet is, sist elk blok hout dat ik erop leg. Het is verleidelijk om te zeggen dat het hier stil is, maar dat is het niet.

De regen tikt op het tentdoek. Het vuur sist en knettert en poft en knapt en knalt. Wind ruist door de bladeren. Eikels vallen uit de boom en raken op hun weg naar beneden takjes en blaadjes en landen daarna met een harde plof de grond. Migrerende ganzen vliegen jodelend over. Mijn dochter neuriet en slijpt een stok met een zakmes: tsjik, tsjik, tsjik. In de verte klinkt een tractor. Kraaien krassen, spechten lachen.

Maar het mooiste geluid komt uit het houten huisje een tiental meters verderop. Het montere borrelen en klotsen en ruisen van een toilet dat wordt doorgetrokken.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next