Te veel hoedenmaker om een kunstenaar te zijn, en te veel kunstenaar om een hoedenmaker te zijn. Als ‘halve buitenstaander’ verkent de Engelse ontwerper Stephen Jones voortdurend de grenzen. Zijn creaties zijn nu te bewonderen in de tentoonstelling Stephen Jones, chapeaux d’artiste.
schrijft voor de Volkskrant over mode.
Een pan uiensoep, een gele onderzeeër, een garenklos, een stapel schetsen, een broodje pindakaas met jam, een kroonluchter, een planeet, een prieeltje, de kaart van Engeland, een danspas, het dak van een kathedraal, vriendschap, een metrosysteem, een zandkasteel, de zon, de zool van een Dr. Martenslaars: in de wereld van Stephen Jones kan alles, maar dan ook alles, een hoed zijn.
Die vindingrijkheid heeft de hoedenmaker in zijn leven al ver gebracht. De 67-jarige Jones, een kleine, kale Engelsman, is een van de grootste hoedenmakers ter wereld. Zijn hoofddeksels worden gedragen door beroemdheden als Rihanna, Lady Gaga en Meghan Markle. Hij maakte hoeden voor concerttours, dansvoorstellingen en films. En zijn werk bracht Jones naar Parijs, het hart van de haute couture, waar hij sinds de jaren tachtig samenwerkt met modehuizen als Jean Paul Gaultier, Schiaparelli, Dior en Louis Vuitton.
Over de auteur
Nora Veerman schrijft voor de Volkskrant over mode. Verslag uit Parijs.
De tentoonstelling Stephen Jones, chapeaux d’artiste, die vorige week opende in het Parijse modemuseum Palais Galliera, gaat over de nauwe band van de Britse mad hatter met de Franse modewereld. Tegelijkertijd gaat de expositie over zijn dubbelrol als modiste, maker van modeartikelen, en artiste, kunstenaar.
Full English breakfast
Want alleen modeaccessoires zijn de hoeden van Jones zeker niet. Waar de meeste hoeden een hoofd of kleren nodig hebben om te ‘werken’, zijn die van Jones op zichzelf al boeiend om te zien. Ze zijn vaak figuratief en schalks, en ontzettend goed gemaakt. Neem de boterham met pindakaas en jam: dat is een vernuftig dingetje van witte schapenwol en bruin lamsleer, bestikt met glanzend rode kraaltjes en pailletten.
Ze zijn er niet alleen om mooi te zijn, maar ook om te verrassen en bevragen. Een paar van Jones’ beroemdste hoeden zijn commentaren op zijn thuisland Engeland: een baret met een handgebreid full English breakfast erop, een piepkleine top hat gewikkeld in een gerafelde Britse vlag. Ze nemen de tuttigheid, tradities en nationale grootheidswaan van Engeland resoluut, maar met humor op de hak.
Die kritische blik is makkelijk terug te leiden tot Jones’ studietijd. Jones, geboren in Liverpool, kreeg door zijn moeder een liefde voor kunst en tuinen bijgebracht. Toen hij in 1976 als 19-jarige naar de Londense kunstacademie Central Saint Martins ging om mode te studeren, rolde hij vol in de punkbeweging. Engeland was een zooitje, geplaagd door hoge inflatie, werkloosheid en stakingen. De halve academie hield zich bezig met de vraag waarom Engeland in godsnaam werkte zoals het werkte, en met schoppen tegen de erfenis van eerdere generaties.
Dat Jones zich aangetrokken voelde tot hoedenmaken werd licht belachelijk gevonden. Hoeden, geassocieerd met het brave modebeeld van de jaren vijftig en zestig, werden door punkers gezien als de dufste accessoires op aarde. Zelfs docenten probeerden Jones op andere gedachten te brengen. Toch zette hij door. Dat hij daarmee tegen alle verwachtingen in ging, maakte zijn keuze voor hoeden – zoals Jones zelf later in interviews zou zeggen – tot zijn punkerigste actie ooit.
Zijn hoeden tornden vanaf het begin aan culturele normen, en aan het idee van de hoed zelf. Waarom zou een hoed altijd een dop moeten zijn, met of zonder rand, gemaakt van leer, riet of vilt? Jones maakte zijn eerste hoed van een cornflakesdoos en een oude blouse van zijn zus, met daarop een plastic bloem die zijn moeder gratis bij een tankstation had gekregen. Zijn originaliteit en theatrale stijl leidden ertoe dat het werk van Jones uiteindelijk niet werd bespot, maar juist bewonderd door artiesten en ontwerpers uit de Londensescene, onder wie Vivienne Westwood, met wie hij in 1987 voor het eerst samenwerkte.
De tentoonstelling in Palais Galliera laat zien dat Jones zijn succes ook te danken heeft aan zijn band met Parijs. Voor veel punkers kon de glanzende Parijse modewereld niet verder van hun bed zijn, maar voor Jones vormde de stad een belangrijke inspiratiebron. Hij kwam er al vanaf jonge leeftijd. Met familievrienden die in Parijs woonden bezocht hij musea, waar hij zich voedde met mode en kunst.
Vooral het onverwachte, droomachtige werk van surrealisten trok hem. In de hoeden van Jones is de invloed te zien van kunstenaars en ontwerpers als Jean Cocteau en Elsa Schiaparelli. Schiaparelli maakte ooit eens een hoed in de vorm van een omgekeerde schoen; de hoed met Dr. Martenszool is daar Jones’ eigen, Britse versie van. Soms zijn zijn hoeden juist Franser dan Frans, zoals de Coquette (2004), een showgirlhoed met enorme veren: een sappige liefdesverklaring van de Brit aan Parijse nachtclubs en boudoirs.
Jones bestudeerde daarnaast de Franse hoedentraditie: het werk van hoedenmakers als Caroline Reboux, Rose Descat en Gilbert Orcel, en de hoeden van Parijse modehuizen als Dior, Chanel en Balenciaga. Sommige van Jones’ hoeden zijn direct afgeleid van hun werk. In Galliera zijn enkele voorbeelden te zien, waaronder zijn versie van Diors Tambourinhoed uit de jaren vijftig. Het origineel is een platte, ronde, zwartsatijnen hoed met aan één kant een hangende sluier met zwarte pompons. Jones’ variant uit 2017 is tegelijkertijd een eerbetoon en een knipoog: zijn variant is ook plat, rond en van zwarte satijn, maar heeft de vorm van een echte tamboerijn.
Jones’ begrip van Parijse mode en zijn verfrissende, onverwachte omgang ermee maakte hem geliefd bij modeontwerpers aldaar. Vanaf de jaren tachtig werkte Jones samen met Parijse huizen als Jean Paul Gaultier en Thierry Mugler. Later kwamen daar nog vele namen bij, waaronder Louis Vuitton en Schiaparelli. Voor Dior maakt hij sinds 1996 elk seizoen hoeden bij de couture- en prêt-à-portercollecties.
Het werk van Jones voor Parijse modehuizen wordt in de tweede helft van de expositie in Galliera getoond, samen met de kleding waarbij de betreffende hoed werd ontworpen. Daar wordt overduidelijk: Jones begrijpt de wereld van mode, van couture, hij begrijpt Frankrijk, maar staat er als Engelse punker tegelijkertijd met één been buiten en is daarom in staat om te verrassen en te bevragen, precies wat je als modeontwerper van een hoedenmaker nodig hebt.
Neem dat strakke, zwartfluwelen mantelpakje van Daniel Roseberry voor Schiaparelli uit 2022. Daarbij ontwikkelde Jones een enorme ronde hoed en mof die eruitzien alsof ze van gouden veren zijn gemaakt. In werkelijkheid zijn ze van tarwe. Tarwe – of eigenlijk stro – is een klassiek hoedenmateriaal, maar de ongewone bewerking en het trompe l’oeil-effect zijn referenties aan het oorspronkelijke, surrealistische Schiaparelli.
De landelijkheid van het tarwegras steekt ruw af tegen het scherpe fluweel, de rijke glans en vederachtige bounce maken het geheel juist extra chic. Er is een contrast, er is een accent. De hoed en mof zijn op zichzelf krachtig, maar staan ook in dienst van het silhouet en maken het daardoor dynamischer en spannender.
Galliera wil graag laten zien dat Jones alles is: artiste en modiste, Engelsman en Fransman. Tegelijkertijd is hij, misschien juist daardoor, geen van allen. Niet helemaal kunstenaar (want een hoedenontwerper), niet helemaal hoedenontwerper (want ook kunstenaar).
Hij heeft zowel een afstand tot Engeland (als punker, als Francofiel) als tot Frankrijk (als Engelsman). Hij is onderdeel van de Parijse modewereld maar als zelfstandig hoedenmaker toch ook onafhankelijk, meer commentator dan co-ontwerper – maar dan met naald, schaar en vingerhoed – in plaats van een pen.
Het is juist die positie als halve buitenstaander die het werk van Jones zo gedurfd en succesvol maakt. Goed ontwerp, uiteindelijk, heeft behalve harmonie en overeenstemming ook de blik van de ander nodig. Dat is een gegeven dat Jones als geen ander begrijpt en waar de mode-industrie zich nog eens over zou kunnen buigen.
Stephen Jones, chapeaux d’artiste, Palais Galliera, Parijs, t/m 16/3.
Daniel Roseberry, sinds 2019 hoofdontwerper bij modehuis Schiaparelli, zei onlangs in een interview met de Financial Times over zijn samenwerking met Jones: ‘Het echte plezier van het werken met Stephen zit hem altijd in het creatieve proces. Je denkt misschien dat je weet wat je wilt, maar na afloop van het gesprek voelt het alsof hij je ogen heeft geopend voor een heel andere mogelijkheid, of het nu voor een look is of voor de hele collectie.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant