Home

‘Ik heb de postcode bedacht, die maakte de post sorteren en bezorgen veel makkelijker’


Harry van Dijk is 100 jaar. Hoe kijkt deze bedenker van de groene buitenbrievenbus en onze postcode aan tegen de eeuw die achter hem ligt?

Harry van Dijk zit in zijn rolstoel aan een grote tafel, omringd door zijn dagelijkse bezigheden: de Leeuwarder Courant, waarvan hij al 73 jaar abonnee is, historische boeken over Friesland en de Tweede Wereldoorlog, een boekje met sudoku’s en een mondharmonica. Een van zijn grote liefhebberijen die hij nog steeds beoefent, is zingen. De 100-jarige is nog elke week present bij de koorrepetitie van het woonzorgcentrum waar hij een fraai vierkamerappartement heeft. Van Dijk zit vol verhalen over zijn 42 arbeidzame jaren bij de PTT (het huidige PostNL), waar hij als 20-jarige begon met postzegels en briefkaarten verkopen en tot zijn pensioen de aanjager was van talrijke vernieuwingen, zoals de afschaffing van twee keer postbezorging op een dag en de invoering van de postcode.

Hoe kijkt u terug op uw jeugdjaren?

‘Ik ben geboren en opgegroeid in Akkrum, als oudste in een gezin van drie kinderen. Breed hadden we het niet; na de mulo wilde ik naar de hbs, maar daar was geen geld voor. Mijn vader was vrachtwagenchauffeur voor Twijnstra’s Oliefabrieken, die produceerde ook veevoer. Dat vervoerde mijn vader naar tussenhandelaren in alle noordelijke provincies, die het in kleine porties aan boeren verkochten. Al jong mocht ik vaak met mijn vader mee, dan zat ik naast hem in de cabine. Snelwegen waren er nog niet, dus je was langer onderweg dan tegenwoordig.’

Wat herinnert u zich van die lange ritten naast uw vader?

‘Onderweg zong hij Friese en Nederlandse liedjes, zo leerde ik die een voor een. Samen zongen we om het hardst om boven het lawaai van de motor uit te komen. Veel van die liedjes ken ik nog uit mijn hoofd.’

(Stemvast zet hij in:) Daar bij die molen / die mooie molen / daar woont het meisje waar ik zoveel van hou. / Daar bij die molen / die mooie molen / Daar wil ik wonen / als zij eens wordt mijn vrouw (...)

‘Mijn vader vertelde mij over de geschiedenis van dorpen en bijzondere gebouwen waar we langs reden. Op een gegeven moment kon ik elk dorp herkennen aan zijn kerktoren. Door al die tochten had ik veel meer van de wereld gezien dan mijn maten op school, die kwamen niet verder dan Akkrum of hooguit een nabijgelegen dorp. Ik was in heel Friesland, in Groningen, Drenthe en Overijssel geweest en had steden als Groningen en Assen gezien. Door alle kennis die ik onderweg opdeed, voelde ik mij wel een beetje boven mijn klasgenoten uit stijgen.’

Heeft u ook later profijt gehad van de leerzame ritten met uw vader?

‘Ik denk het wel. Mijn geografische kennis heeft mij geholpen bij mijn werk bij de PTT. Op 1 juni 1944 ging ik er aan de slag en ik ben er tot mijn pensioen op 1 juli 1986 blijven werken. Ik heb allerlei functies gehad, de eerste was achter het loket op het postkantoor in Akkrum. Later heb ik onder andere post gesorteerd in de posttrein en controles uitgevoerd op bestellopen – dan liep ik een dag mee met de postbesteller om te zien hoe hij zijn route aflegde, hoeveel huizen hij moest bezoeken en hoeveel tijd dat kostte. Ik herinner me zo’n dag dat ik meeliep.

‘Bij een boerderij aangekomen, zei de boerin tegen de postbesteller: ‘Hé, ben jij er ook weer eens?!’ Ik dacht: daar klopt iets niet, hij moet hier toch elke dag komen? Een paar honderd meter verderop, lopend door het dorp, zag ik kinderen uit school komen, met post in hun handen. Ik liep de school in en daar zag ik dat de postbode brieven van huizen en boerderijen waarvoor hij ver moest lopen of fietsen, in de klompen van de kinderen had gestopt. Hij wist precies welke klompen bij welk adres hoorde. Zo kon hij elke dag vroeg naar huis. Ik heb er niets van gezegd, want dacht: in zijn positie had ik misschien hetzelfde gedaan.’

U vertelt dat u in 1944 op het postkantoor ging werken, was u er als 20-jarige in geslaagd onder dwangarbeid in Duitsland uit te komen?

‘Achteraf kun je zeggen dat ik in die zin geluk heb gehad. In mijn persoonsbewijs stond UFD, dat betekende Untüchtig für Deutschland, ongeschikt voor Duitsland. Dat kwam doordat ik erg ziek was geweest, ik heb bijna een jaar in het ziekenhuis gelegen met natte pleuritis. In december 1942 ging ik met een stel maten zwemmen in open water, in de Polsleat in Akkrum. Sinds de zomer waren we begonnen met een wedstrijd wie tot Nieuwjaar het langst in het koude water kon blijven zwemmen. Van die dag zwemmen in december tussen de ijsschotsen ben ik ziek geworden.

‘De huisdokter nam mij niet serieus toen ik bij hem langsging. ‘Heb je er weer een met hetzelfde kuchje’, schamperde hij. Hij dacht dat ik mij aanstelde om onder tewerkstelling in Duitsland uit te komen. Ik werd kwaad en riep: ‘Bárst maar! Val dood!’ Hij wilde wel mijn bloed laten onderzoeken.

‘Thuis kroop ik bijna ín de kachel van de kou, dat viel mijn vader wel op. De volgende dag ging ik toch naar mijn werk op het distributiekantoor, waar de huisdokter langskwam om te vertellen dat hij de uitslag van het bloedonderzoek had gezien en ik beter naar huis kon gaan. Rillend lag ik in bed. De huisdokter kwam ’s avonds en zei: ‘Je moet meteen naar het ziekenhuis.’ Op een brancard werd ik in zijn auto naar Leeuwarden vervoerd, mijn vader ging mee.

‘Ik bleek boven de 40 graden koorts te hebben, levensbedreigend. In mijn longen en borstholte zat vocht, dat werd steeds erger, waardoor ik te weinig zuurstof kreeg en kortademig werd. De arts duwde een dikke holle naald met een kraantje in mijn rug om vocht af te tappen, zodat ik meer lucht kreeg. Zonder verdoving, ja.

‘Er waren vier artsen die zich om mij bekommerden. Ik lag al maanden in het ziekenhuis toen een van hen, R.A. Hoekstra, met zijn hand op mijn bed sloeg: ‘Híj moet het hebben!’, riep hij. Later bleek dat hij penicilline bedoelde. Dat was alleen nog in Amerika beschikbaar, maar – zo hoorde ik later – die Hoekstra heeft, vermoedelijk met hulp van zijn contacten bij het Rode Kruis, via Zwitserland uit Amerika penicilline weten te krijgen. Ik kreeg elke twee uur een spuitje en na korte tijd was ik genezen. Ik zeg altijd: de besten gaan het eerst. Blijkbaar ben ik nog steeds niet aan de beurt.’

Een opvallend detail in uw verhaal is dat u als 20-jarige durfde uit te varen tegen uw huisarts.

‘Het kon mij niet schelen een grote mond tegen hem op te zetten. Ik heb nooit last gehad van autoriteitenvrees, zeker niet als ik ergens voor stond. Later bij de PTT nam ik niet altijd zomaar aan wat de directie zei. Een keer moest ik bij de directeur komen, als chef Formatie. Op de begroting had hij 7.000 gulden zien staan voor buitenbussen. Ik had bedacht die aan de straatkant te laten zetten van boerderijen en huizen met een groot erf, zodat de postbesteller niet telkens het hele eind tot aan de deur hoefde te lopen.

‘De directeur vond de kosten veel te hoog. Toen hij mij bij zich riep om dat te vertellen, rekende ik hem voor dat die investering van 7.000 gulden een besparing van wel 70 duizend gulden opleverde. Dat veranderde de zaak, en de groene buitenbus kwam er – in het hele land. Dat duurde nog wel een paar jaar, want er was eerst een wetswijziging voor nodig, het was namelijk de wettelijke plicht van de PTT post aan huis te bezorgen.

‘Voor mijn werk ben ik vaak naar Den Haag afgereisd, om ambtenaren en politici te overtuigen van noodzakelijke veranderingen, zoals het afschaffen van de postbezorging twee keer per dag. Dat was kostbaar, want in de praktijk werd 98 procent van de post ’s ochtends bezorgd, in de middag ging het om een enkele kaart of brief.

Ook pleitte ik ervoor te stoppen met het bezorgen van post op maandag, want de grote bulk, zakelijke post, werd nooit in het weekend verstuurd. Ook dat voorstel stuitte op weerstand, maar uiteindelijk ging het vanwege de kostenbesparing toch door. Net zoals de invoering van de postcode met twee cijfers en twee letters in combinatie met een huisnummer, een unieke code voor elk huis die ik heb uitgedacht. Het maakte de postsortering én -bezorging veel makkelijker.’

U bent een vernieuwer en man van efficiency

‘Zo ben ik altijd geweest. In mijn eerste baan bij de PTT, op het postkantoor, werkte ik altijd zo snel mogelijk om te voorkomen dat klanten in een queue tot in de hal moesten staan. In briefgeld tellen was ik met mijn collega Sicco de vlugste: honderd briefjes van 10 deed ik in 18 seconden. En dan lukte het mij ook nog in die stapel vals geld te ontdekken – dat voelde ik aan het papier.’

Wat vindt u van de discussie of post niet meer binnen 24 maar 48 uur bezorgd moet worden?

‘Waarom niet, als dat goedkoper is. Een bedrijf wil altijd zoveel mogelijk kosten besparen.’

De lol van post versturen gaat er dan wel af, en het zal banen kosten.

‘Tegenwoordig kunnen mensen elkaar een e-mail sturen, dus een papieren brief of kaart versturen raakt achterhaald. Nieuwe ontwikkelingen vallen nu eenmaal niet te keren, je moet met de tijd meegaan.’

Harry van Dijk

geboren: 26 juli 1924 in Akkrum

woont: in een woonzorgcentrum in Leeuwarden

beroep: ambtenaar PTT

familie: drie kinderen, vier kleinkinderen, twee achterkleinkinderen

weduwnaar sinds 1992

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next