Na haar bekroonde biografie van schrijver en denker Erasmus vertelt Sandra Langereis in Machineman het verhaal van ambachtsman Eise Eisinga, bekend van zijn planetarium in Franeker.
Er zijn treffende overeenkomsten tussen ‘haar’ drie mannen, de hoofdpersonen van de biografieën die Sandra Langereis schreef. Alle drie gedreven mannen die zich niet van de wijs lieten brengen en hun leven wijdden aan grootse plannen. Beroemd werden ze alle drie: Christoffel Plantijn (1520-1589), de invloedrijke drukker uit Antwerpen, Desiderius Erasmus (1469-1536), bijbelhistoricus, schrijver en ‘dwarsdenker’, zoals de ondertitel van Langereis’ boek luidt, en Eise Eisinga (1744-1828). Zijn biografie Machineman is deze maand verschenen.
Veel mensen kennen Eisinga van het door hem gebouwde planetarium in zijn voormalige woonhuis in Franeker. Daar was ook zijn bedrijf gevestigd, een wolkammerij. Een bezoek aan dit planetarium is ook in onze tijd een favoriet gezinsuitje. In 2023 werd het planetarium op de werelderfgoedlijst van Unesco gezet. Het is nog altijd adembenemend om te zien: een perfecte nabootsing van het heelal, opgebouwd met bewegende eikenhouten tandwielen, tegen een hemelsblauw geschilderd plafond. Ongelooflijk dat één man dit heeft ontworpen en gebouwd. Minder bekend is dat Eisinga een patriot was, die actief deelnam aan de Bataafse Revolutie. Hij moest vluchten en werd lange tijd verbannen.
Over de auteur
Aleid Truijens is schrijver en journalist en schrijft voor de Volkskrant over literatuur, non-fictie en onderwijs.
‘Mijn gebiografeerden waren sleutelfiguren’, zegt Sandra Langereis. ‘Echte cultuurmakers, die politiek en maatschappelijk betrokken waren en een bijdrage hebben geleverd aan het verheffen van de samenleving. Ik ben, als cultuurhistoricus, altijd op zoek naar zulke cultuurmakers. Mijn hoofdpersonen is geen inspanning te groot. Workaholics zijn het, volkomen toegewijd aan de taak die ze zichzelf hebben opgelegd. Die opoffering en dat plichtbesef fascineren me.’
Van Erasmus naar Eise Eisinga is een sprong van drie eeuwen.
‘Toen ik onderzoek deed voor mijn boek Breken met het verleden, dat in 2010 verscheen en ten tijde van de Bataafse Revolutie speelt, kwam ik in de literatuur de naam Eise Eisinga tegen. Ik nam mij voor me ooit in hem te verdiepen; dat heeft even geduurd. Van huis uit is mijn specialisme de Renaissance en de Reformatie, maar ik wilde nu in een ander tijdvak duiken. Je moet het ook voor jezelf spannend maken en je wordt er een betere historicus van.
‘De Verlichting is mijn tweede favoriete tijdvak. Dat begon al in mijn studententijd. De patriottentijd en de Bataafse Revolutie zaten bij historici lang in het verdomhoekje. Orangistische, conservatieve historici schreven er in de 19de en 20ste eeuw kleinerend en spottend over. Pas sinds eind jaren tachtig, toen ik studeerde aan de Universiteit van Amsterdam, kwam er serieuze wetenschappelijke geschiedschrijving over. Sindsdien is het neerbuigende, regenteske beeld gekanteld: nu wordt gezien hoe vernieuwend de denkbeelden van de patriotten waren. Zij waren zich ervan bewust dat de samenleving rechtvaardiger moest worden en zochten manieren om dat te bevechten.
‘Geschiedschrijvers kleuren de beelden die wij hebben, die we op school leren, daarvan moet je je bewust zijn. Weten wat er in de loop der tijd over een onderwerp is geschreven, de historiografie, is heel belangrijk. Net zoals het besef dat je vanuit je eigen tijd en je eigen ervaringen schrijft over het verleden.’
Eise Eisinga was een bouwer met een geweldig verstand en een scherp politiek bewustzijn, maar geen groot schrijver of denker.
‘Hij was een selfmade intellectueel én een ambachtsman. Geen groot denker maar een kleine doener, die later heel beroemd zou worden. Ik vind het belangrijk dat er biografieën worden geschreven over hardwerkende vakmensen, mensen die dingen maken. Ik kom zelf uit zo’n milieu. Ik wilde voor dit boek alles te weten komen over het beroep van wolkammer, over het kleuren van wol, het maken van garen en de handel in wol, over het functioneren van een familiebedrijf. De toewijding aan dingen die met de handen worden gemaakt, raakt me. Die herken ik, als kind van een vader die op de ambachtsschool zat.
‘Eisinga verwachtte ook van zijn familieleden dat zij meewerkten, niet alleen in het wolkammersbedrijf, maar ook bij de bouw van het planetarium. Om zijn visioen te realiseren had hij zijn vader, broer en zoon nodig. De familieleden hadden een opdracht die tot over het graf reikte. Eisinga’s nakomelingen beheerden na zijn dood het planetarium en leidden bezoekers rond, zonder daar iets mee te verdienen. Ze moesten zelfs huur betalen voor het pand.’
Machineman is opgedragen aan uw vader Wout, die ‘langer dan dertig jaar werkte in het ondergrondse ketelhuis van Ziekenhuis Amsterdam-Noord, (…) terwijl hij in de kelderwoning van de Marnixstraat en op de zolder van de Marco Polostraat voor mijn moeder Netty hun Miele-bovenlader uit 1965 perfect draaiend hield’.
‘Deze biografie is een monumentje voor mijn vader en het leven dat hij heeft geleid. Dat past bij dit boek.
‘Ik ben geboeid door de materiële kant van het bestaan: hoe overleefden mensen? In veel biografieën wordt daar niet bij stilgestaan; ze gaan over ideeën en gedachten, de hoofdpersonen zijn bijna vergeestelijkt. Maar ook zij moesten hun rekeningen betalen. Ik wil weten hoe Erasmus dat deed, in een tijd zonder royalty’s, en hoe de drukkers die bij Plantijn werkten hun gezinnen onderhielden.’
Had u genoeg bronnen om het levensverhaal van Eise Eisinga overtuigend op te tekenen?
‘Bij dit boek had ik een oase aan bronnen om greep te krijgen op Eisinga’s tijd. Ik had een schat aan materiaal waarmee ik de familie en het milieu in beeld kon brengen, genealogische gegevens, belastingdocumenten, de boedelinventaris van Eisinga’s ouderlijk huis. Zo kon ik de sociale samenstelling van zijn geboortedorp Dronrijp goed beschrijven, en de economische omstandigheden van de familie.
‘Eises ouders waren hardwerkende ambachtsmensen, niet arm, niet ongeschoold en beschermd door het gilde van de wolkammers, waarin alleen mensen werden toegelaten die gealfabetiseerd waren. Ze waren niet steenrijk en moesten hard werken voor de kost, maar de wolkammerij was een lucratieve bedrijfstak.
‘De ouders investeerden in de scholing en culturele verrijking van hun kinderen, die privélessen kregen in rekenen, en muzieklessen. De vader bouwde zelf een houtdraaibank, waarmee hij een klavecimbel kon maken, waarop zijn zoons leerden spelen. De aanschaf van zo’n instrument was te duur, maar de vader had twee rechterhanden en vond muziek maken belangrijk. Echt een verheffingsideaal. Het is goud, zulke bronnen. Ze stellen je in staat de omgeving van je hoofdpersoon te beschrijven.
‘Het was beslist geen toeval dat Eise Eisinga uit Nederland kwam, en uit Friesland, en juist in deze tijd leefde. Ik laat zien dat er toen een vruchtbare bodem was waaruit zoiets moois als dit planetarium kon voortkomen: er was zelfbewustzijn bij de burgers, die verheffing en verlichting nastreefden, de alfabetiseringsgraad was hoog, de economie bloeide.
‘Er werd veel waarde gehecht aan onderwijs – daar kunnen we nu een voorbeeld nemen. Goed kunnen rekenen en schrijven werd van kardinaal belang geacht door streberige, mondige ouders, en óók door overheden. Maar: de kloof tussen arm en rijk was gigantisch. Eisinga was zich ervan bewust dat hijzelf het goed had; als politicus wilde hij de armen helpen.’
En de man zelf, hoe kwam u die nader?
‘Van Erasmus, een man van het woord die drieduizend brieven heeft nagelaten, kwam ik terecht bij een ambachtsman van wie nog geen dertig brieven bewaard zijn gebleven. Die brieven zijn dus stuk voor stuk heel belangrijk; ik moest elk detail benutten. Erasmus schreef in het Latijn, dat moest ik vertalen. Eisinga schreef in het Nederlands, een 18de-eeuws Nederlands, dat best te volgen is. Zijn taal klinkt heel authentiek. Ik kon hem citeren in zijn eigen woorden, het is echt zijn stem die opklinkt. Daardoor leer je hem kennen. Mooi vond ik ook dat je de ambachtsman terugziet in zijn taal en in zijn vele berekeningen.
‘Je wilt een levend mens oproepen, geen bordkartonnen figuur. Taal en stijl zijn daarbij je instrumenten. Erasmus was een literator, zijn taal heb ik me eigen gemaakt; mijn taal in Dwarsdenker heb ik doordesemd van zijn taal en denken, zijn ironie. Ik moest voor Machineman een taal vinden die recht deed aan de denkwereld van een wolkammer, een handelaar, een politicus en een planetariumbouwer.
‘Astronomie is een bèta-onderwerp, waarin ik me als alfa ging verdiepen. Dat was een mooi avontuur; ik ben net zo leergierig als Eise was. Hij hield zich dagelijks bezig met rekenen, met de omlooptijd van een tijdmachine, met de omwentelingen van de planeten, met de snelheid van een tandwielmechanisme. Ik wilde proza schrijven waarin cijfers een hoofdrol spelen. Ook dat was een avontuur.’
Eise Eisinga was gelovig. Botste dat niet met de bevindingen uit zijn natuurwetenschappelijke onderzoek?
‘Nee, dat botste niet. Hij bleef geloven in God terwijl hij steeds meer te weten kwam over het heelal. Voor hem was God, zoals voor veel 18de-eeuwers, de Grote Klokkenbouwer die dit alles vernuftig en perfect in elkaar had gezet, opdat er rust en harmonie heerste in het heelal. Eisinga geloofde op basis van zijn onderzoek niet in onheilsverhalen over het einde der tijden: deze prachtige, perfect werkende hemelklok zou altijd doortikken.
‘Het idee dat de wetenschappelijke revolutie tot atheïsme heeft geleid, klopt niet. Newton was ook gelovig. Dat het door God geschapen universum volgens Newton zo goed in elkaar zat, was een geruststellende gedachte.’
U verplaatst zich in de gebiografeerde en hebt een verhalende stijl. Maar daarin trekt u een duidelijke grens: u verzint er niets bij. Ook voert u geen fictieve dialogen op. Veel biografen doen dat tegenwoordig wel.
‘Nee, dat zal ik nooit doen. Het is geen fictie. Dialogen verzinnen pakt vaak knullig uit, maar ik vind het vooral niet respectvol tegenover je gebiografeerde. Dat is een echt mens, geen personage. Je kunt het ook zomaar mis hebben of woorden gebruiken die hij nooit zou gebruiken.
‘Ik ben een academische onderzoeker die boeken schrijft die door een groot publiek kunnen worden gelezen, maar ik bedrijf wel empirie en ik check alle feiten. Ik vertel de lezer wat ik weet, wat ik vermoed en wat ik niet weet. Als ik iets niet zeker weet maar wel waarschijnlijk vind, schrijf ik bijvoorbeeld: ‘Hij zal toen…’
‘Het is voor de lezer volstrekt duidelijk dat ik aan het woord ben. Ik stel de vragen, vanuit mijn opleiding en achtergrond. Een historicus kijkt anders dan een filosoof, theoloog of kunsthistoricus. Als ik een authentieke bron heb, citeer ik daaruit. Daar kan zo’n kracht van uitgaan, dat ik er soms de rillingen van krijg. Ik kan ontroerd raken door een opmerking in een brief. Er gaat niets boven een historische bron.’
U bent geen neutrale beschouwer; u kiest partij. U kiest de kant van de patriotten, tegen de prinsgezinde elite.
‘Dat mag een biograaf doen. In dit boek eer ik de Bataafse Revolutie, en dat verdient die revolutie. Ze kan dat kontje in deze tijd nog steeds goed gebruiken. Lang niet iedereen beseft hoe ongekend het was dat de gewone man stemrecht kreeg en bestuurlijke ambten kon bekleden.
‘Onze parlementaire democratie is geboren in 1795. We kregen toen ook voor het eerst een Eerste en Tweede Kamer. Dat is niet algemeen bekend. De komst van de democratie wordt vaak aan Thorbecke opgehangen. Maar kijk eens naar het percentage mensen dat stemrecht was vergund: in die revolutiejaren mochten al net zo veel mensen stemmen als later in 1917, toen het algemeen kiesrecht werd ingevoerd.
‘Onder de bewierookte Thorbecke mocht maar een paar procent van de bevolking stemmen. Ik kwam erachter dat in de revolutiejaren ook een deel van de vrouwen stemrecht kreeg: de weduwen en de alleenstaande kostwinners. Kostwinnerschap was het criterium, niet stand of sekse. Helaas werd dat alweer snel teruggedraaid. Vervolgens zijn zelfs vrouwen twee eeuwen lang gaan denken dat het vanzelf sprak dat zij geen stemrecht hadden.’
Soms wordt u als verteller kwaad. U beschrijft hoe de aristocraat Jacob van Lennep als student een bezoek brengt aan het planetarium. Hij is onder de indruk, maar schrijft denigrerend: ‘De maker toonde mij alles alsof hij in een kermisspel was, zonder dat hij er iets van af leek te weten.’ U schrijft dat u hoopt dat Eisinga niet dagelijks ‘zulke hooghartige heertjes’ op bezoek kreeg.
‘Ik ben niet te beroerd om commentaar te geven als ik dat nodig vind. Het is aan het einde van de biografie; de lezer begrijpt inmiddels dat zo’n bezoekje politiek geladen is. Je ziet het voor je: de oude revolutionair Eise die, met een leren voorschoot aan, zijn planetarium toont aan de fatterige jongeling.’
Eenmaal maakt u een uitstapje naar het heden. U verwijst, naar aanleiding van Eises schoolloopbaan, naar het basisonderwijs, dat onder het kabinet-Rutte IV de kennisvakken uit de eindtoets heeft geschrapt en daarmee ‘door een ondergrens is gezakt’.
‘Voor mij is zo’n verwijzing geen stijlbreuk. Ik schrijf over het belang van onderwijs als motor voor sociale emancipatie, en deze opmerking past daarbij. Geschiedenis gaat ook over vandaag.
‘Mijn biografieën zijn óók geschiedenisboeken. Voor mij is de biografie een vruchtbare vorm, omdat ik iemand in al zijn menselijkheid volledig tot zijn recht kan laten komen in de context van zijn tijd. De hoofdpersoon fungeert tegelijkertijd als zoeklicht. Via zijn intieme perspectief dring ik door tot een tijdvak; ik kan tot in de details invoelbaar maken wat er speelde. De grote geschiedenis doorgronden vanuit een kleine, individuele geschiedenis, dat is wat ik wil.’
Sandra Langereis (1967) is historicus en biograaf. Na haar studie geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam, waar ze in 1992 cum laude afstudeerde en in 2001 cum laude promoveerde, was ze docent aan de universiteiten van Amsterdam en Leiden, tot ze besloot fulltime als zelfstandig onderzoeker en schrijver te gaan werken aan boeken over cultuurmakers uit de Renaissance en Verlichting, die biografie en geschiedenisboek ineen zijn.
In 2014 publiceerde ze De woordenaar, haar biografie van Plantijn, die de shortlist van de Libris Geschiedenis Prijs haalde en werd uitgeroepen tot Biografie van het Jaar en Geschiedenisboek van het Jaar door respectievelijk de Volkskrant en Trouw. In 2021 volgde Erasmus – Dwarsdenker. Voor deze biografie kreeg ze de Libris Geschiedenis Prijs. De onlangs uitgegeven Duitse vertaling werd jubelend ontvangen in onder meer de Frankfurter Allgemeine en Die Welt. In 2022 verscheen nog haar samen met acteur Jorn Heijdenrijk ingesproken lees- en luisterboek Erasmus’ Lof der zotheid.
Sandra Langereis: Machineman – De tijden van Eise Eisinga. De Bezige Bij; 368 pagina’s; € 34,99.
Geselecteerd door de redactie
Lees hier alle artikelen over dit thema
Source: Volkskrant